• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

In ieder lijden dat elke mens ondergaat, zowel als in de hele wereld van het lijden ligt onvermijdelijk de vraag opgesloten: Waarom? Het is een vraag na de oorzaak, de reden en tegelijk naar de bedoeling (waartoe?), in één woord, de vraag naar de zin; deze vraag gaat niet alleen gepaard met het menselijk lijden, maar schijnt zelfs het menselijk te bepalen dat in de mens zelf besloten ligt, namelijk dat waardoor het lijden juist menselijk is.

Het is duidelijk dat ook de dieren overal ter wereld pijn lijden, vooral lichamelijke pijn; maar alleen de door pijn getroffen mens lijdt bewust en vraagt zich af waarom hij moet lijden; en, menselijk gesproken, lijdt hij des te heviger, naarmate hij geen bevredigend antwoord krijgt. Dit is een moeilijke kwestie, evenals een andere kwestie die er sterk op lijkt, die van het kwaad. Waarom bestaat het kwaad? Waarom is er kwaad in de wereld? Als wij de vraag zo stellen, vragen wij ook, tenminste in zekere zin, maar het lijden.

Beide vragen zijn moeilijk, als de ene mens ze aan de andere stelt, als de mensen ze aan elkaar stelen, maar ook als de mens ze aan God voorlegt. De mens vraagt dit soort dingen immers niet aan de wereld, hoewel de wereld hem vaak doet lijden, maar aan God als Schepper en Heer van de wereld. Het is maar al te goed bekend dat de mensen bij deze vraagstelling niet slechts zover komen dat zij gefrustreerd raken en met God in conflict komen, maar dat zij God zelfs durven te loochenen. Terwijl het bestaan van de wereld de menselijke geest als het ware opengesteld om het bestaan, de wijsheid, de macht en de grootheid van God te zien, lijken het kwaad en het lijden dit beeld soms totaal te verduisteren, vooral bij het dagelijkse drama van zoveel lijden zonder schuld en van zo veel schuld zonder passende straf. Dit wijst er dus op – misschien meer dan wat ook – van hoeveel belang de vraag naar de zin van het lijden is en met hoeveel scherpzinnigheid men deze vraag en het mogelijke antwoord dient te behandelen.

De mens mag God deze vraag stellen met een bewogen hart en met een volkomen verbijsterde en gekwelde geest; God verwacht deze vraag en luistert, zoals wij in de Openbaring van het Oude Testament zien. Het boek Job drukt deze vraag het scherpst uit.

De geschiedenis van deze rechtvaardige mens is bekend: onschuldig wordt hij door ontelbare smarten op de proef gesteld. Hij verliest zijn bezit, zijn zonen en dochters en wordt tenslotte zelf door een ernstige ziekte aangetast. In deze afschuwelijke situatie wordt hij door drie oude en vertrouwde vrienden bezocht, die hem – ieder met eigen woorden – ervan proberen te overtuigen dat hij een ernstige misdaad moet hebben begaan, als hij door zoveel bitter en leed getroffen wordt. Want het lijden – zeggen zij – overkomt de mens altijd als straf voor een misdaad; het wordt door een volkomen rechtvaardige God opgelegd en vindt zijn grondslag in de orde van de gerechtigheid. Men kan zegen dat deze oude vrienden Job niet slechts willen overtuigen dat het leed, moreel gezien, iets rechtvaardigs is, maar dat zij in zekere zin voor zichzelf de morele betekenis van het lijden proberen te verdedigen. Zij vinden dat het lijden alleen als staf voor de zonde begrepen kan worden, dus louter en alleen op het gebied van de gerechtigheid van God, die goed met goed en kwaad met kwaad vergeldt.

Hiermee herhalen zij de leer van de andere geschriften van het Oude Testament, die erop wijzen dat de straf door God wordt opgelegd vanwege de zonden. Want de God van de Openbaring is Wetgever en Rechter op een totaal andere wijze dan de menselijke autoriteit. De God van de Openbaring is immers in de eerste plaats Schepper, uit wie tegelijk met het bestaan de schepping als iets wezenlijk goeds voortkomt. Daarom ook is een door de mens bewust en vrijwillig begane scheiding hoogte Wetgever, wordt aangedaan. Zo’n overtreding heeft het karakter van zonde, in de echte, d.w.z. Bijbelse en theologische betekenis van dit woord. Aan het morele kwaad van de zonde beantwoordt de straf, die de morele op orde in stand houdt met hoogste Wetgever is vastgesteld. Hieruit vloeit ook een van de fundamentele waarheden van het eveneens op de Openbaring steunende religieuze geloof voort, namelijk dat God een rechtvaardige Rechter is, die het goede beloont en het kwade straft: "Gij zijt rechtvaardig geweest in al wat Gij met ons hebt gedaan, in al Uw oordelen juist. Al de vonnissen die Gij over ons... geveld hebt, waren de rechtvaardig: naar recht en billijkheid hebt Gij ons behandeld, want wij hebben gezondigd" (Dan. 3, 27v.); Vgl. Ps. 17, 10 Vgl. Ps. 36, 7 Vgl. Ps. 48, 12 Vgl. Ps. 51, 6 Vgl. Ps. 99, 4 Vgl. Ps. 119, 75 Vgl. Ps. 119, 75 Vgl. Mal. 3, 16-21 Vgl. Mt. 20, 16 Vgl. Mc. 10, 31 Vgl. Lc. 17, 34 Vgl. Joh. 5, 30 Vgl. Rom. 2, 2

De mening van Jobs vrienden geeft de overtuiging weer dikwijls ook in het morele bewustzijn van de mensheid te vinden is: de objectieve morele orde eist straf voor overtreding, zonde en schuld. Zo gezien verschijnt het lijden als een straf voor de zonde verklaren, vindt steun in de wereld van de rechtvaardigheid, en dit beantwoordt aan de mening die dor een van Jobs vrienden naar voren wordt gebracht: "Mijn ervaring is: onheil ploegen en zaaien doet onheil maaien" (Job 4,8).

Maar Job ontkent de waarheid van het beginsel dat het lijden een straf voor de zonde zou zijn. Hierbij steunt hij op zijn eigen mening: hij is zich namelijk bewust dat hij een dergelijke straf niet verdiend heeft; hij wijst zelfs op het goede dat hij in zijn leven gedaan heeft. Uiteindelijk weerlegt God zelf de beschuldiging van Jobs vrienden en verklaart Hij dat Job niet schuldig is. zijn lijden is het lijden van een onschuldige, dat als een mysterie moet worden gezien, een mysterie dat de mens met zijn verstand niet volledig kan doorgronden.

Het boek Job is geen schending van de fundamenten van de transcendente morele orde, die de hele openbaring van het Oude en Nieuwe Testament voorhoudt. Maar tegelijk wijst dit boek met de grootste beslistheid erop dat de beginselen van deze orde niet op exclusieve en lichtzinnige wijze gehanteerd mogen worden. Ook al is het waar dat het lijden de betekenis heeft van een straf, als deze met schuld verbonden wordt, toch is het niet waar dat ieder lijden uit schuld ontstaat en het karakter van een straf heeft. De rechtvaardige Job is hiervan een heel bijzonder bewijs in het Oude Testament. De Openbaring, die het woord van God zelf is, stelt overduidelijk de kwestie van het lijden van een onschuldige, van een lijden zonder schuld. Job wordt niet gestraft; er waren immers geen redenen waarom hem straf zou worden opgelegd, ook al werd hij uiterst zwaar beproefd. Uit het begin van het boek blijkt dat God deze beproeving van de man Job op instigatie van Satan heeft toegestaan. Deze had het immers voor de Heer gewaagd de rechtvaardigheid van Job in twijfel te trekken: "Hij vreest God niet voor niets!... Gij zegent al wat hij onderneemt, en zijn bezit grijpt steeds verder om zich heen in het land. Maar pak hem eens aan, tref hem in al wat hij heeft; wedden dat U vloekt in Uw gezicht" (Job 1,9-11). Als God toestemming geeft om Job door het lijden te beproeven, doet Hij dit om zijn rechtvaardigheid te bewijzen. Het lijden heeft het karakter van een beproeving.

Het boek Job is niet het laatste woord over deze materie in de Openbaring. Het voorspelt immers in zekere zin het lijden van Christus. Maar ook op zichzelf beschouwd, is het een afdoend bewijs dat het antwoord op de vraag naar de zin het lijden niet zonder meer in verband mag worden gebracht met een morele orde die alleen in de rechtvaardigheid gelegen is. Ook al heeft dit antwoord een fundamentele en transcendente grondslag en geldigheid, toch heeft het de schijn dat het niet slechts minder bewijskrachtig is in gevallen die met het lijden van Job overeenkomen, maar ook en wel vooral dat het het begrip rechtvaardigheid dat wij in de Openbaring vinden, vernauwt en verzwakt.

Het boek Job poneert op "acute" wijze het "waarom" van het lijden; het toont aan dat ook de onschuldige lijdt, maar lost het probleem nog niet op.

Toch nemen wij reeds een bepaalde redenering en tendens van het Oude Testament waar, waardoor de mening overwonnen wordt dat het lijden alleen als straf voor de zonde verklaard kan worden; tegelijk wordt de doeltreffendheid van het lijden bij de opvoeding van de mens in het licht gesteld. In alle vormen van lijden waardoor het door God uitverkoren volk getroffen wordt, ligt de drijfveer opgesloten van een barmhartigheid die de mens terechtwijst om hem tot inkeer te brengen: "Deze bestraffing had niet de ondergang, maar de verbetering van ons volk ten doel" (2 Mak. 6,12).

Zo wordt de persoonlijke dimensie van de straf benadrukt; in deze dimensie heeft straf zin, niet alleen omdat het objectieve kwaad van de overtreding met een ander kwaad vergolden wordt, maar omdat het in de eerste plaats de gelegenheid biedt om het goede in de lijdende mens te herstellen.

Dit aspect van het lijden is van het hoogste gewicht; het vindt zijn diepste wortels in de hele Openbaring van het Oude Testament, maar vooral van het Nieuwe Testament. Het lijden moet tot bekering voeren, d.w.z. tot herstel van het goede in de mens, die in deze aansporing tot berouw de goddelijke barmhartigheid kan herkennen. De bedoeling van het berouw is immers het kwaad te overwinnen, dat op allerlei manieren in de mens geworteld is, en het goede in de mens zelf te bevestigen, in zijn verhouding tot anderen en vooral tot God.

Willen wij evenwel het juiste antwoord krijgen op de vraag naar het "waarom" van het lijden, dan moeten wij aandacht schenken aan de openbaring van de goddelijke liefde, de diepste bron voor de zin van al het bestaande. De liefde is ook de rijkste bron voor de zin van het lijden, dat altijd een mysterie blijft, omdat wij ons bewust zijn dat onze verklaringen ontoereikend en niet adequaat zijn. Christus voert ons binnen in dit mysterie en zorgt ervoor dat wij het "waarom" van het lijden kunnen ontdekken, voor zover wij in staat zijn de diepte van de goddelijke liefde te begrijpen.

Om, in het voetspoor van het geopenbaarde Woord van God, de diepe zin van het lijden te ontdekken, moet onze geest zich ook openstellen voor de mens en rekening houden met zijn veelvuldige mogelijkheden. Vooral echter dienen wij het licht van de Openbaring te aanvaarden, niet alleen voor zover het die transcendente orde van de rechtvaardigheid duidelijk maakt, maar ook in zover het die transcendente orde van de omgeeft, de ware en voornaamste bron van alwat bestaat. De liefde is ook de rijkste bron om een antwoord te geven op de vraag naar de zin van het lijden. Dit antwoord is de mens door God gegeven in het kruis van Jezus Christus.

Document

Naam: SALVIFICI DOLORIS
Over de christelijke zin van het menselijke lijden
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 11 februari 1984
Copyrights: © 1984, Stg. RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam