• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het lijkt onmogelijk het lijden, subjectief gezien, d.w.z. in zover het iets persoonlijks is en besloten ligt in het concrete en onherhaalbare innerlijk van de mens, te definiëren of op anderen toe te passen; toch is het misschien nodig aan het lijden, als "objectieve werkelijkheid" beschouwd, meer dan enig ander fenomeen aandacht te schenken, het te overwegen en als een waar probleem te zien; dit probleem stelt immers wezenlijke vragen en eist antwoorden hierop. Het is duidelijk dat het hier niet slechts gaat om een beschrijving van het lijden; buiten deze loutere beschrijving bestaan ook andere criteria, die wij moeten hanteren, als wij de omvang van het menselijk lijden volkomen willen begrijpen.

Vaststaat dat de medische wetenschap en de geneeskunst op het uitgestrekt gebied van het menselijk lijden datgene ontdekt wat het meest bekend is, die kwalen namelijk welke ofwel door een nauwkeuriger onderzoek vastgesteld kunnen worden ofwel relatief het beste gecompenseerd worden door geneesmethoden die een reactie uitlokken (de zogenaamde therapie). Dit is echter slechts een deel van het lijden; het menselijk lijden blijkt ook uitgebreider te zijn dan ziekte; het omvat veel meer en is dieper in het mens-zijn zelf geworteld. Dit is gemakkelijker te begrijpen als wij het lichamelijk lijden onderscheiden van het morele lijden. Dit onderscheid is gebaseerd op de tweevoudige dimensie van de mens; het duidt op het lichamelijke en op het geestelijke element als het onmiddellijke en rechtstreekse subject van het lijden. Hoewel de woorden "lijden" en "smart" tot op zekere hoogte als synoniem beschouwd kunnen worden, is er lichamelijk lijden, als "het lichaam op enigerlei wijze pijn lijdt", maar het morele lijden is een "pijn van de ziel". Hier gaat het immers om een lijden van geestelijke aard, niet slechts om psychische oorzaak van het lijden, dat met een morele of lichamelijke ziekte gepaard gaat. Zonder enige twijfel zijn de omvang en de veelvuldigheid van het morele lijden niet geringer dan de omvang en de veelvuldigheid van het lichamelijke lijden; toch schijnt het morele lijden minder duidelijk onderkend en door therapie genezen te kunnen worden.

De heilige Schrift is als het ware één groot boek over het lijden. Uit de boeken van het Oude Testament kies ik enkele voorbeelden van situaties waarin heel bijzonder de idee van het menselijk lijden, vooral het morele lijden, naar voren komt. Daar vinden wij

Het Oude Testament, dat de mens als een lichamelijk-psychische "twee-eenheid" ziet, verbindt heel vaak het "morele" lijden met de pijn van bepaalde lichaamsdelen:

Men kan dan ook niet ontkennen dat het morele lijden ook invloed heeft op het "lichamelijke" of somatische gedeelte van de mens en zich dikwijls tot zijn hele organisme uitstrekt.

Zoals de geciteerde voorbeelden leren, geeft ons de heilig Schrift een lange lijst van gevallen waarin de mens op velerlei wijzen door lijden wordt getroffen. Toch is deze gevarieerde lijst zeker geen volledige opsomming van alles wat het boek van de geschiedenis van de mens (dat eigenlijk een "ongeschreven boek" is), maar vooral het boek van de geschiedenis van de mensheid over het lijden vermeld heeft en nog steeds vermeldt, als men let op de lotgevallen van iedere afzonderlijke mens.

Men kan echter zonder meer beweren dat de mens lijdt, telkens als hij een of ander kwaad ondergaat. In het spraakgebruik van het Oude Testament is de verhouding tussen lijden en kwaad klaarblijkelijk van die aard dat beide identiek zijn. Die taal kende nog geen woord om het "lijden" uit te drukken. Daarom wordt alles wat de mens lijdt daar "kwaad" genoemd. Het is nuttig te bedenken dat de Hebreeuwse wortel r’’ alles aanduidt wat kwaad is en tegengesteld aan het goede (ţōb), en geen onderscheid maakt tussen een lichamelijke, psychische en ethische betekenis. Deze wortel vindt men ook in de substantief-vorm ra’ enr ā'ā die zonder onderscheid aanduidt wat in zich kwaad, of een slechte daad of ook degenedie slecht handelt. In de werkwoordsvormen wordt, behalve de enkelvoudsvorm (qal), die op verschillende manieren aanduidt dat "iets slecht is", ook de reflexief-passieve vorm (niphal) gevonden, d.w.z. "een kwaad ondergaan", "door kwaad overvallen worden", en de causatief-vorm (hiphil): iemand "kwaad aandoen"of "kwaad opleggen". Omdat het Hebreeuws een werkwoord mist dat aan de Griekse vorm "pachoo" (=ik lijd) beantwoordt komt dit werkwoord zelden in de Septuagint-vertaling voor Alleen de Griekse taal en daarmee het Nieuwe Testament (als mede de oude versies van het Griekse Oude Testament) gebruiken het woord "paschoo", dat betekend: ik word door iets getroffen, ik voel, ik lijdt; daarom klinkt in dit woord het (objectieve) kwaad niet hetzelfde als het lijden, maar drukt het een situatie uit waarin de mens kwaad ondervindt en daardoor pijn lijdt. Dit lijden bezit een dubbel karakter, d.w.z. een actief karakter en een passief karakter (van "pati": lijden); zelfs als de mens bij zichzelf lijden veroorzaakt, als hij er de oorzaak van is, is dit lijden naar zijn metafysische essentie iets passiefs.

Daaruit volgt echter niet dat het lijden, psychologisch gezien, geen "eigen activiteit" kent, namelijk die veelzijdige en subjectief gedifferentieerde "activiteit" van smart, droefheid, teleurstelling, neerslachtigheid en zelfs wanhoop, naargelang de mens er heviger of minder door getroffen wordt, er in zijn innerlijk dieper door geraakt wordt of, indirect, de totale structuur van de lijdende mens en zijn persoonlijke gevoeligheid groter of kleiner is. daarom is de kern van elke psychische vorm van verdriet altijd het ervaren van iets kwaads, waarom de mens lijdt.

Het is dus niet verwonderlijk als dit lijden ons brengt tot de vaag naar het wezen van het kwaad, wat is het kwaad eigenlijk?

Deze vraag lijkt in zekere zin onverbrekelijk verbonden te zijn met het thema van het lijden. Het christelijk antwoord verschilt van het antwoord dat gegeven wordt door sommige culturele en religieuze tradities, die het menselijke bestaan als iets kwaads beschouwen waarvan men zich dient te bevrijden. De christelijke religie belijdt als het wezenlijke goed van het bestaan en het goede van alles wat bestaat en zij verkondigt de goedheid van de Schepper en het goede van alle schepselen. De mens wordt door het lijden getroffen vanwege het kwaad, dat een zekere beroving, een misvorming van het goede is. Men zou kunnen zeggen dat de mens lijdt, omdat hij geen deel heeft aan iets goeds, waarvan hij op een of andere manier wordt uitgesloten of waarvan hij zichzelf beroofd heeft. En hij lijdt het meest als hij – zoals normaal zou zijn – in dit goed zou "moeten" delen, maar dit in feite niet doet.

Zo wordt in het christelijk denken de realiteit van het lijden verklaard door middel van het kwaad, dat altijd in zekere zin naar het goede herleid wordt.

Op zich moet het menselijk lijden beschouwd worden als een eigen "wereld", die tegelijk met de mens bestaat, die in hem verschijnt en verdwijnt, soms echter niet verdwijnt, maar vaste grond in hem vindt en wortel schiet. Deze wereld van het lijden, die velen, zelfs meer velen, persoonlijk raakt, is als het ware een verbrokkelde wereld. Iedere mens is door zijn persoonlijk lijden niet slechts een klein deel van die "wereld", maar diezelfde "wereld" is iets dat in hem begrensd is, dat op geen enkele wijze herhaald kan worden. Hiermee gaat evenwel ook een ander, intermenselijke en sociale, dimensie gepaard. De wereld van het lijden vormt als het ware een eigen gesloten geheel. De lijdende mensen worden aan elkaar gelijk door de gelijke situatie waarin zij verkeren, door de beproeving van hun lot of door hun dringende behoefte aan welwillendheid en zorg en misschien wel het meest door de voortdurende vraag naar de zin van het lijden. Hoewel de wereld van het lijden een verdeelde wereld is, roept zij daarom toch tegelijkertijd heel bijzonder op tot gemeenschap en solidariteit. Ik zal proberen deze oproep ook in deze beschouwing steeds voor ogen te houden.

Als wij de wereld van het lijden beschouwen, zowel in haar persoonlijke als in haar gemeenschappelijke dimensie, zien wij dat deze zich in feite vooral in sommige perioden en ogenblikken van het menselijk leven als het ware concentreert, b.v. bij natuurrampen, epidemieën, instortingen en aardbevingen en bij allerlei sociale rampen, zoals misoogsten en de hiermee gepaard gaande bittere en treurige hongersnood – die bovendien ook nog uit andere oorzaken voortvloeit.

Tenslotte moeten wij ook aan de oorlog denken. Daarover spreek ik heel in het bijzonder. Ik wil spreken over de laatste twee wereldoorlogen, waarvan de tweede er een veel grotere oogst aan doden heeft opgebracht en een onmetelijk grotere hoeveelheid aan menselijk lijden heeft opgeleverd. Maar ook de tweede helft van deze eeuw draagt – als gevolg van de dwaling en fouten van de moderne beschaving – zo’n afschuwelijke kiem tot een atoomoorlog in zich dat ik, als ik dit tijdperk bekijk, tegelijk ook aan de onvergelijkelijke opeenstapeling van lijden moet denken waardoor de mensheid zich mogelijkerwijze zelf uitroeit. Daardoor schijnt die wereld van het lijden, die zeker in ieder mens als in haar subject geworteld is, in onze eeuw misschien meer dan in vroeger tijden tot een "specifiek lijden van de wereld" te worden, een wereld die als nooit tevoren door een aan menselijk inspanningen te danken vooruitgang veranderd is en die tegelijk als nooit tevoren in het grootste gevaar is gebracht door de dwalingen en de schuld van de mens.

Document

Naam: SALVIFICI DOLORIS
Over de christelijke zin van het menselijke lijden
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 11 februari 1984
Copyrights: © 1984, Stg. RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 14 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam