• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Men zou kunnen zeggen dat de tot nu toe ontvouwde gedachten ons al rechtstreeks naar de hof van Getsemane en de berg van Calvarië brengen, waar de voltooiing plaats vindt van het Lied van de lijdende dienaar, dat zozeer in het boek Jesaja naar voren komt. Maar laten wij, voordat wij daarheen gaan, de volgende vrezen van het lied lezen, die het lijden in Getsemane en op Calvarië op profetische wijze schilderen. Die lijdende dienaar – en dit is weer absoluut noodzakelijk om het lijden van Christus op de juiste manier te verklaren – heeft die smarten, waarover ik al gesproken heb, volkomen vrijwillig op zich genomen.

"Hij werd gefolterd en diep vernederd,
maar heeft zijn mond niet geopend,
zoals een lam dat ter slachting geleid wordt.
En, zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
heeft hij zijn mond niet geopend.
Door een gewelddadig vonnis werd hij weggenomen;
wie denkt nog over zijn bestemming na?
Toch is hij uit het land der levenden weggerukt,
geslagen om de weerspannigheid van mijn volk.
Men gaf hem een graf bij de boosdoeners,
en bij de rijken een laatste rustplaats,
hoewel hij geen onrecht heeft begaan
en er in zijn mond geen bedrog is geweest"
(Jes. 53, 7-9).

Christus lijdt vrijwillig en Hij lijdt onschuldig. Want in Zijn lijden herhaalt Hij die vraag – telkens weer door mensen gesteld – in het boek Job in zekere zin in haar meest radicale vorm wordt uitgedrukt. Christus stelt deze vraag echter niet slechts opnieuw (en wel op een veel radicalere wijze, omdat Hij niet alleen maar mens in zoals Job, maar de eniggeboren Zoon van God). Hij geeft ook het meest definitieve antwoord dat op deze vraag gegeven kan worden. Men zou kunnen zeggen dat het antwoord en de vraag in wezen uit hetzelfde beginsel voortkomen. Christus geeft het antwoord op de vraag naar het lijden en naar de zin van het lijden niet slechts in Zijn leer, de Blijde Boodschap, maar vooral door Zijn eigen lijden, dat organisch en onverbrekelijk met de leer van de Blijde Boodschap verbonden is. En dit is het definitieve en kernachtige woord van deze leer: "de prediking van het kruis", zoals Sint Paulus later gezegd heeft (1 Kor. 1, 18).

Deze "prediking van het kruis" voltooit het beeld van de oude voorspellingen met een definitieve werkelijkheid. Veel tekens en veel uitspraken tijdens het openbaar verkondigen van Zijn leer getuigen van de manier waarop Christus vanaf het begin dit lijden op zich heeft genomen, dat de wil van de Vader is tot het heil van de wereld. Maar het hoogtepunt wordt bereikt in het gebed in de hof van Getsemane. De woorden: "Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals ik wil, maar zoals Gij wilt" (Mt. 26, 39) en: "Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat ik hem drink: dat dan Uw wil geschiede" (Mt. 26, 42) zijn bijzonder welsprekend. Ze bewijzen immers de waarachtigheid van die liefde waarmee de eniggeboren Zoon de Vader uit gehoorzaamheid volgt. Tevens getuigen ze van de werkelijkheid van Zijn lijden. De woorden van het gebed van Christus in de hof van Getsemane zijn een bewijs van de waarheid van de liefde via de waarheid van het lijden. De woorden van Christus bevestigen met duidelijke eenvoud deze waarheid van het menselijk lijden tot het uiterste: lijden betekent het ondergaan van een kwaad, waarvoor de mens huivert. Deze mens zegt immer: "Laat dit aan mij voorbijgaan," precies zoals Christus spreekt in de hof van Getsemane.

Zijn woorden getuigen ook van die unieke en onvergelijkelijke diepte en hevigheid van het lijden, die alleen die Mens kan ervaren die de eniggeboren Zoon is; ze getuigen van die diepte en hevigheid die wij met behulp van de boven aangehaalde woorden van de profeet kunnen begrijpen. Weliswaar niet volledig (daarvoor zouden wij tot de kern van het godmenselijke mysterie van deze Persoon moeten doordringen), maar tenminste in zoverre wij het onderscheid (en tegelijk de overeenkomst) kunnen constateren tussen al het denkbare menselijk lijden en het lijden van de Godmens. Getsemane is de plaats waar de totale werkelijkheid van dit lijden, zoals deze door de profeet over het door hem hierin ervaren kwaad is uitgedrukt, als het ware tot in de uiterste consequentie voor het geestesoog van Christus is onthuld.

De woorden in de hof van Getsemane worden gevolgd door de op Calvarië uitgesproken woorden, die getuigen van deze – in de wereldgeschiedenis unieke – diepe betekenis van het kwaad van he ondergane lijden. Als Christus uitroept: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" (Mt. 27, 46), drukken Zijn woorden niet slechts dat gevoel van verlatenheid uit dat wij vaak in het Oude Testament vinden, vooral in de Psalmen en met name in Psalm 22, waaraan de genoemde woorden zijn ontleend Vgl. Ps. 22, 2 . Men kan zeggen dat deze woorden over de verlatenheid voortkomen uit de situatie van onverbrekelijke verbondenheid van de Zoon met de Vader en dat ze hun oorsprong vinden in het feit dat de Vader "op Hem heeft... laten neerkomen de schuld van ons allen"(Jes. 53, 6), zoals Sint Paulus het later heeft uitgedrukt: " Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden" (2 Kor. 5, 21). Tegelijk met deze verschrikkelijke last ervaart Christus – door een juiste schatting van het "absolute" kwaad dat in de zonde licht opgesloten: de verwerping van God – juist in de goddelijke diepte van de verbondenheid van de Zoon met de Vader op menselijk onuitsprekelijke wijze dit lijden dat een scheiding is, een afwijzing van de Vader, een breuk met God. Maar juist door dit lijden brengt Hij de Verlossing tot stand en kan Hij bij Zijn sterven zeggen: " Het is volbracht" (Joh. 19, 30).

Nu kan men zeggen dat de Schrift vervuld is en dat de woorden van het genoemde lied van de lijdende dienaar werkelijk definitief ten uitvoer zijn gebracht: "Het heeft Jahwe behaagd Hem ziek te maken en te breken" (Jes. 53, 10). In het lijden van Christus heeft het lijden van der mensen zijn toppunt bereikt. Maar dit lijden van Christus is tegelijk in een volkomen nieuwe dimensie en nieuwe orde opgenomen: het is met de liefde verbonden, die liefde waarover Christus met Nikodemus had gesproken, met de liefde die het goede schept, die dit zelfs uit het kwade voortbrengt, en wel door het lijden, zoals het hoogste goed van de Verlossing van de wereld uit het kruis van Christus is voortgekomen en er nog steeds uit voortvloeit. Het kruis van Christus is een bron geworden waaruit levend water stroomt Vgl. Joh. 7, 37-38 . In dit kruis moeten wij ook opnieuw de vraag stellen naar de zin van het lijden en het antwoord op deze vraag tot het einde toe beluisteren.

Document

Naam: SALVIFICI DOLORIS
Over de christelijke zin van het menselijke lijden
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 11 februari 1984
Copyrights: © 1984, Stg. RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 4 december 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam