• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De Schriften moeten in vervulling gaan. Veel Messiaanse tekenen in het Oude Testament voorspelden immers het lijden van de komende Gezalfde van Jahwe. Het meest ontroerende is het zogenaamde Vierde Lied van de dienaar van Jahwe in het boek Jesaja. De profeet, die terecht "de vijfde evangelist" genoemd wordt, geeft in dit lied een beeld van de lijdende dienaar, en wel in zulk levendige kleuren dat het lijkt alsof hij dit lijden met eigen ogen gezien heeft, met de ogen van het lichaam en die van de geest. Zo krijgt het lijden van Christus in het licht van de verzen van Jesaja nog meer betekenis en wordt het nog ontroerender dan in de beschrijvingen van de evangelisten zelf. Daar staat de echte Man van smarten voor onze ogen:

"Zijn uiterlijk nog schoonheid
waren het bekijken waard...
Geminacht en gemeden werd hij
Door de mensen,
man van smarten,
met ziekte vertrouwd,
een mens die zijn gezicht voor ons verbergt
geminacht en niet de moeite waard beschouwd.
Waarlijk, het waren onze ziekten
die hij op zich nam,
en onze smarten, die hij het heeft gedragen;
wij echter beschouwen hem als een geslagene,
door God gekastijd en vernederd.
Hij werd doorstoken om onze weerspannigheid,
om onze zonden gebroken;
hij werd gestraft; ons bracht het vrede,
en dank zij zijn striemen is er voor ons genezing.
Wij waren allen als schapen verloren gelopen,
en ieder van ons was eigen wegen gegaan;
maar op Hem heeft Jahwe laten neerkomen
de schuld van ons allen"
(Jes. 53, 26).

Het Lied van de lijdende dienaar bevat een beschrijving waarin men in zekere zin de hoofdmomenten van het lijden van Christus tot in de kleinste details kan aanwijzen: de gevangenneming, de beschimping, de kaakslagen, de bespuwing, de minachting voor de waardigheid van de Gevangene, het onrechtvaardige oordeel en daarna de geseling, de doornenkroon die Hem op het hoofd gedrukt wordt en de bespotting, de kruisweg, de kruisiging, de doodsstrijd.

Maar meer nog dan door deze beschrijving van het lijden ontroeren de woorden van de profeet ons door de onmetelijke diepte van het offer van Christus. Want hoe onschuldig Hij ook is, toch neemt Hij het lijden van alle mensen op zich, omdat Hij alle zonden op zich neemt: "Op Hem heeft Jahwe laten neerkomen de schuld van ons allen": de hele zondigheid van de mens in al haar breedte en diepte wordt de ware oorzaak van dit lijden van de Verlosser. Als het lijden "gemeten" wordt naar het kwaad dat men lijdt, geven de worden van de profeet ons inzicht in de grootte van dit kwaad en van dit lijden dat Christus op zich heeft genomen. Men kan zeggen dat dit lijden "plaatsvervangend" is; maar vóór alles is het "verlossend". De Man van smarten in deze profetie is werkelijk "het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt" (Joh. 1, 29). Door Zijn lijden worden de zonden weggenomen, omdat Hij als eniggeboren Zoon de enige is die deze op zich kon nemen en aanvaarden met die liefde voor de Vader die het kwaad van ieder zonde overwint; in zekere zin reduceert Hij dit kwaad tot nul in die geestelijke ruimte van de relaties tussen God en de mensheid en vult Hij deze ruimte met het goede.

Hier raken wij aan de dubbele natuur van de enen persoonlijke Drager van het verlossende lijden. Degene die door Zijn lijden en dood aan het kruis de verlossing tot stand brengt, is de eniggeboren Zoon, die God "heeft gegeven." Maar deze Zoon, die één in wezen is met de Vader, lijdt tegelijk als mens. Zijn lijden heeft immers menselijke dimensies, maar het heeft ook – wat uniek is in de geschiedenis van het mensdom – een diepste en een hevigheid die, hoe menselijk ze ook zijn, een onvergelijkelijk pijnlijke dimensie en bitterheid kunnen hebben, omdat de Man van smarten als Persoon de eniggeboren Zoon is: "God van God," daarom is Hij, de eniggeboren Zoon, de enige die volledig kan begrijpen hoe groot het kwaad is dat in de zonde van de mens verborgen ligt: in ieder zonde en in de "algemene" zonde, zoals deze te vinden is in het historische bestaan van de mensheid op aarde.

Men zou kunnen zeggen dat de tot nu toe ontvouwde gedachten ons al rechtstreeks naar de hof van Getsemane en de berg van Calvarië brengen, waar de voltooiing plaats vindt van het Lied van de lijdende dienaar, dat zozeer in het boek Jesaja naar voren komt. Maar laten wij, voordat wij daarheen gaan, de volgende vrezen van het lied lezen, die het lijden in Getsemane en op Calvarië op profetische wijze schilderen. Die lijdende dienaar – en dit is weer absoluut noodzakelijk om het lijden van Christus op de juiste manier te verklaren – heeft die smarten, waarover ik al gesproken heb, volkomen vrijwillig op zich genomen.

"Hij werd gefolterd en diep vernederd,
maar heeft zijn mond niet geopend,
zoals een lam dat ter slachting geleid wordt.
En, zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
heeft hij zijn mond niet geopend.
Door een gewelddadig vonnis werd hij weggenomen;
wie denkt nog over zijn bestemming na?
Toch is hij uit het land der levenden weggerukt,
geslagen om de weerspannigheid van mijn volk.
Men gaf hem een graf bij de boosdoeners,
en bij de rijken een laatste rustplaats,
hoewel hij geen onrecht heeft begaan
en er in zijn mond geen bedrog is geweest"
(Jes. 53, 7-9).

Christus lijdt vrijwillig en Hij lijdt onschuldig. Want in Zijn lijden herhaalt Hij die vraag – telkens weer door mensen gesteld – in het boek Job in zekere zin in haar meest radicale vorm wordt uitgedrukt. Christus stelt deze vraag echter niet slechts opnieuw (en wel op een veel radicalere wijze, omdat Hij niet alleen maar mens in zoals Job, maar de eniggeboren Zoon van God). Hij geeft ook het meest definitieve antwoord dat op deze vraag gegeven kan worden. Men zou kunnen zeggen dat het antwoord en de vraag in wezen uit hetzelfde beginsel voortkomen. Christus geeft het antwoord op de vraag naar het lijden en naar de zin van het lijden niet slechts in Zijn leer, de Blijde Boodschap, maar vooral door Zijn eigen lijden, dat organisch en onverbrekelijk met de leer van de Blijde Boodschap verbonden is. En dit is het definitieve en kernachtige woord van deze leer: "de prediking van het kruis", zoals Sint Paulus later gezegd heeft (1 Kor. 1, 18).

Deze "prediking van het kruis" voltooit het beeld van de oude voorspellingen met een definitieve werkelijkheid. Veel tekens en veel uitspraken tijdens het openbaar verkondigen van Zijn leer getuigen van de manier waarop Christus vanaf het begin dit lijden op zich heeft genomen, dat de wil van de Vader is tot het heil van de wereld. Maar het hoogtepunt wordt bereikt in het gebed in de hof van Getsemane. De woorden: "Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals ik wil, maar zoals Gij wilt" (Mt. 26, 39) en: "Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat ik hem drink: dat dan Uw wil geschiede" (Mt. 26, 42) zijn bijzonder welsprekend. Ze bewijzen immers de waarachtigheid van die liefde waarmee de eniggeboren Zoon de Vader uit gehoorzaamheid volgt. Tevens getuigen ze van de werkelijkheid van Zijn lijden. De woorden van het gebed van Christus in de hof van Getsemane zijn een bewijs van de waarheid van de liefde via de waarheid van het lijden. De woorden van Christus bevestigen met duidelijke eenvoud deze waarheid van het menselijk lijden tot het uiterste: lijden betekent het ondergaan van een kwaad, waarvoor de mens huivert. Deze mens zegt immer: "Laat dit aan mij voorbijgaan," precies zoals Christus spreekt in de hof van Getsemane.

Zijn woorden getuigen ook van die unieke en onvergelijkelijke diepte en hevigheid van het lijden, die alleen die Mens kan ervaren die de eniggeboren Zoon is; ze getuigen van die diepte en hevigheid die wij met behulp van de boven aangehaalde woorden van de profeet kunnen begrijpen. Weliswaar niet volledig (daarvoor zouden wij tot de kern van het godmenselijke mysterie van deze Persoon moeten doordringen), maar tenminste in zoverre wij het onderscheid (en tegelijk de overeenkomst) kunnen constateren tussen al het denkbare menselijk lijden en het lijden van de Godmens. Getsemane is de plaats waar de totale werkelijkheid van dit lijden, zoals deze door de profeet over het door hem hierin ervaren kwaad is uitgedrukt, als het ware tot in de uiterste consequentie voor het geestesoog van Christus is onthuld.

De woorden in de hof van Getsemane worden gevolgd door de op Calvarië uitgesproken woorden, die getuigen van deze – in de wereldgeschiedenis unieke – diepe betekenis van het kwaad van he ondergane lijden. Als Christus uitroept: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" (Mt. 27, 46), drukken Zijn woorden niet slechts dat gevoel van verlatenheid uit dat wij vaak in het Oude Testament vinden, vooral in de Psalmen en met name in Psalm 22, waaraan de genoemde woorden zijn ontleend Vgl. Ps. 22, 2 . Men kan zeggen dat deze woorden over de verlatenheid voortkomen uit de situatie van onverbrekelijke verbondenheid van de Zoon met de Vader en dat ze hun oorsprong vinden in het feit dat de Vader "op Hem heeft... laten neerkomen de schuld van ons allen"(Jes. 53, 6), zoals Sint Paulus het later heeft uitgedrukt: " Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden" (2 Kor. 5, 21). Tegelijk met deze verschrikkelijke last ervaart Christus – door een juiste schatting van het "absolute" kwaad dat in de zonde licht opgesloten: de verwerping van God – juist in de goddelijke diepte van de verbondenheid van de Zoon met de Vader op menselijk onuitsprekelijke wijze dit lijden dat een scheiding is, een afwijzing van de Vader, een breuk met God. Maar juist door dit lijden brengt Hij de Verlossing tot stand en kan Hij bij Zijn sterven zeggen: " Het is volbracht" (Joh. 19, 30).

Nu kan men zeggen dat de Schrift vervuld is en dat de woorden van het genoemde lied van de lijdende dienaar werkelijk definitief ten uitvoer zijn gebracht: "Het heeft Jahwe behaagd Hem ziek te maken en te breken" (Jes. 53, 10). In het lijden van Christus heeft het lijden van der mensen zijn toppunt bereikt. Maar dit lijden van Christus is tegelijk in een volkomen nieuwe dimensie en nieuwe orde opgenomen: het is met de liefde verbonden, die liefde waarover Christus met Nikodemus had gesproken, met de liefde die het goede schept, die dit zelfs uit het kwade voortbrengt, en wel door het lijden, zoals het hoogste goed van de Verlossing van de wereld uit het kruis van Christus is voortgekomen en er nog steeds uit voortvloeit. Het kruis van Christus is een bron geworden waaruit levend water stroomt Vgl. Joh. 7, 37-38 . In dit kruis moeten wij ook opnieuw de vraag stellen naar de zin van het lijden en het antwoord op deze vraag tot het einde toe beluisteren.

Document

Naam: SALVIFICI DOLORIS
Over de christelijke zin van het menselijke lijden
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 11 februari 1984
Copyrights: © 1984, Stg. RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 14 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam