• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Onmiddellijk na het verhaal van de boodschap voert de evangelist Lucas ons achter de schreden van de Maagd van Nazaret aan naar “een stad in Judea” (Lc. 1, 39). Volgens de geleerden zou deze stad het huidige Ain-Karim zijn, dat niet ver van Jeruzalem in de bergen ligt. Maria gaat daar ”met spoed” naar toe om Elisabet, haar bloedverwante, te bezoeken. De reden voor het bezoek moet ook gezocht worden in het feit dat Gabriël bij de boodschap op veelzeggende wijze Elisabet genoemd had die op gevorderde leeftijd van haar man Zacharias een zoon ontvangen had, door Gods kracht: ”Elisabet, uw bloedverwante, heeft in haar ouderdom een zoon ontvangen en, ofschoon zij ontvruchtbaar hette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk” (Lc. 1, 36-37). De goddelijke bode had zich beroepen op wat met Elisabet gebeurd was om te antwoorden op de vraag van Maria: ”Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?” (Lc. 1, 34). Zie, het zal kunnen geschieden juist door de kracht van de Allerhoogste”, zoals en nog meer dan in het geval van Elisabet.

Door liefde gedreven begeeft Maria zich dus naar het huis van haar bloedverwante. Als zij er binnentreedt, beantwoordt Elisabet haar groet en voelt zij het kind in haar schoot opspringen. ”Vervuld met de heilige Geest groet zij op haar beurt Maria met luider stemme: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot Vgl. Lc. 1, 40-42 . Deze uitroep of toejuiching van Elisabet zou later opgenomen worden in het Weesgegroet, als vervolg op de groet van de engel, en zo één van de meest voorkomende gebeden van de Kerk worden. Maar nog meer betekenis hebben de woorden van Elisabet in de vraag die volgt: ”Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?” (Lc. 1, 43). Elisabet legt getuigenis af over Maria: zij erkent en verklaart dat voor haar Moeder van de Heer staat, de Moeder van de Messias. Ook de zoon die Elisabet in haar schoot draagt neemt deel aan dit getuigenis: “Het kind sprong van vreugde in mijn schoot” (Lc. 1, 44). Het kind is de toekomstige Johannes de Doper die bij de Jordaan Jezus als de Messias zal aanwijzen.

Ieder woord in de groet van Elisabet is vol betekenis, maar wat zij op het eind zegt lijkt van fundamentele betekenis: “Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is” (Lc. 1, 45) Vgl. H. Augustinus, Over de heilige maagdelijkheid, De sancta Virginitate. III, 3: PL 40, 398 Vgl. H. Augustinus, Sermones. 25, 7: PL 46, 937v.. Deze woorden kunnen geplaatst worden naast de benaming “Begenadigde” van de groet van de engel. In beide teksten wordt een wezenlijk matiologische inhoud uitgedrukt, namelijk de waarheid over Maria die werkelijk beinnengetreden is in het mysterie van Christus, juist omdat zij “geloofd heeft”. De volheid de genade die de engel aangekondigd heeft betekent de gave van God zelf; het geloof van Maria, dat Elisabet geprezen heeft bij het bezoek, geeft aan hoe de Maagd van Nazaret geantwoord heeft op deze gave.

”Aan de openbare God moet de mens ‘de gehoorzaamheid van het geloof’ (Rom. 16, 26) Vgl. Rom. 1, 5 Vgl. 2 Kor. 10, 5-6 betonen, waardoor hij zich vrijelijk geheel aan God toevertrouwt”, leert het Concilie 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 5. Het geloof zoals het hier beschreven wordt, heeft in Maria een volmaakte verwezenlijking gevonden. Het ”beslissende” ogenblik was de boodschap, en de woorden van Elisabet: “Zalig zij die geloofd heeft” hebben op de eerste plaats juist op dit moment betrekking H. Augustinus, Over de heilige maagdelijkheid, De sancta Virginitate. 33: SC 62, 83-86; Dit is een klassiek thema dat reeds door de H. IRENEUS uiteengezet is: “Zoals door wat een maagd deed die ongehoorzaam was, de mens getroffen werd, viel en stierf, zo werd ook door wat de Maagd deed die gehoorzaam was aan het woord van God, de mens weer tot leven gewekt en ontving hij door het leven het leven . . . Want het was passend en juist . . . dat Eva ‘gerecapituleerd’ werd in Maria, opdat een maagd die pleitbezorgster werd van een maagd, de ongehoorzaamheid van een maagd zou vernietigen en opheffen door de gehoorzaamheid van een maagd” Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. V, 19, 1: SC 153, 248-250.

Want bij de boodschap heeft Maria zich volledig aan God toevertrouwd en ”de gehoorzaamheid van het geloof” betoond aan Hem die door zijn bode tot haar sprak, en de ”volledige onderdanigheid van verstand en wil” bewezen 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 5. Zij heeft dus met heel haar menselijke, vrouwelijke “ik” geantwoord. Dit geloofsantwoord bevatte een volmaakte medewerking met “de voorkomende en helpende genade van God en een volmaakte beschikbaarheid voor de werking van de heilige Geest die ”voortdurend het geloof vervolmaakt door zijn gave” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 5 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 56.

Het woord van de levende God dat door de engel aan Maria verkondigd werd betrof haarzelf ”Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen” (Lc. 1, 31). Maria die deze boodschap aannam moest de “Moeder van de Heer” worden en in haar moest het goddelijke mysterie van de menswording in vervulling gaan: “De Vader van barmhartigheid heeft gewild dat aan de menswording de aanvaarding zou voorafgaan door haar die voorbestemd was de moeder van Jezus te worden” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 56. En Maria geeft deze instemming, na alle woorden van de bode aanhoord te hebben. Zij zegt: ”Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord” (Lc. 1, 38). Dit fiat van Maria - ”mij geschiede” - heeft van de menselijke kant beslist over de vervulling van het goddelijke mysterie. Er is volledige overeenkomst met de woorden van de Zoon, die volgens de brief een de Hebreeën bij zijn komst in de wereld tot de Vader zegt: ”Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid . . . Hier ben Ik . . . gekomen . . . om uw wil te doen” (Heb. 10, 5-7). Het mysterie van de menswording is vervuld toen Maria haar fiat heeft uitgesproken: ”Mij geschiede naar uw woord” en de verhoring van de wens van haar Zoon heeft mogelijk gemaakt, voorzover dit van haar afhing in het goddelijk plan.

Maria heeft dit fiat uitgesproken door het geloof. Zij heeft zich door het geloof zonder voorbehoud aan God toevertrouwd en ”zich als dienstmaagd des Heren geheel en al gewijd aan de persoon en het werk van haar Zoon” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 56. En zij heeft deze Zoon, zoals de kerkvaders leren, alvorens Hem in haar schoot te ontvangen in haar geest ontvangen: juist door het geloof! Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 53 Vgl. H. Augustinus, Over de heilige maagdelijkheid, De sancta Virginitate. III, 3: PL 40, 398 Vgl. H. Augustinus, Sermones. 215, 4: PL 38, 1074 Vgl. H. Augustinus, Sermones. 196, I: PL 38, 1019 Vgl. H. Augustinus, De peccatorum meritis et remissione et de baptismo parvulorum ad Marcellinum. I, 29, 57: PL 44, 142 Vgl. H. Augustinus, Sermones. 25, 7: PL 46, 937v. Vgl. H. Paus Leo I de Grote, Tractatus. I: CCL 138, 86. Elisabet prijst dus Maria terecht: ”Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is”. Deze woorden zijn reeds in vervulling gegaan: Maria van Nazaret verschijnt op de drempel van het huis van Elisabet en Zacharias als Moeder van Gods Zoon. Fat is de blijde ontdekking van Elisabet: “De moeder van mijn Heer komt naar mij toe”!

Daarom kan ook het geloof van Maria vergeleken worden met dat van Abraham, die door de apostel “onze vader in het geloof” is genoemd Vgl. Rom. 4, 12 . Het geloof van Abraham vormt in de heilsgeschiedenis van de goddelijke openbaring het begin van het Oude Verbond. Door het geloof van Maria bij de boodschap begint het Nieuwe Verbond. Zoals Abraham ”geloofd heeft, hopend tegen alle hoop in, dat hij vader zou worden van vele volken” Vgl. Rom. 4, 18 , zo heeft Maria op het ogenblik van de boodschap, na erop gewezen te hebben dat zij maagd was (”Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?”), geloofd dat zij door de kracht van de Allerhoogste, door de werking van de heilige Geest, de Moeder van Gods Zoon zou worden, overeenkomstig de openbaring van de engel: ”wat ter wereld wordt gebracht zal heilig genoemd worden, Zoon van God” (Lc. 1, 35).

Maar de woorden van Elisabet: ”Zalig zij die geloofd heeft” zijn niet alleen van toepassing op dat speciale ogenblik van de boodschap. Dit is zeker het hoogtepunt van het geloof van Maria die Christus verwacht, maar ook het vertrekpunt van waaruit heel haar “opgang naar God”, heel haar geloofstocht begint. En op deze weg zal zich op voortreffelijke en waarlijk heldhaftige wijze – ja, met een steeds groter en heldhaftiger geloof – de “gehoorzaamheid” aan het woord van de goddelijke openbaring welke zij beloofd heeft, verwezenlijken. En deze “gehoorzaamheid van het geloof” van de kant van Maria gedurende haar gehele tocht zal op verassende wijze lijken op het geloof van Abraham. Zoals de aartsvader van het volk van God zo heeft ook Maria langs de weg van haar kinderlijk en moederlijk fiat ”geloofd, hopend tegen alle hoop in”. De zegen die geschonken is aan haar ”die geloofd heeft” zal zich bijzonder duidelijk openbaren speciaal lansg sommige etappes van deze weg. Geloven wil zeggen “vertrouwen” op de waarheid van het woord van de levende God, ook al weet en erkent men nederig ”hoe ondoorgrondelijk zijn beslissingen zijn, hoe onnaspeurlijk zijn wegen” (Rom. 11, 33). Maria, kan men zeggen, bevindt zich door de eeuwige wil van de Allerhoogste in het centrum van die ”onnaspeurlijke wegen” en ”ondoorgrondelijke beslissingen” van God; zij geeft zich daaraan over in de schemering van het geloof en aanvaardt volledig en met open hart alles wat beschikt is in het goddelijk plan.

Als Maria bij de boodschap hoort spreken over de Zoon van wie zij de moeder zal worden en aan wie zij ”de naam Jezus(=Redder) moet geven”, komt zij ook te weten dat “de Heer de troon van zijn vader David zal schenken” aan Hem en dat Hij ”in eeuwigheid koning zal zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap geen eind zal komen” (Lc. 1, 32-33). De verwachting van heel Israël ging in deze richting. De beloofde Messias zou ”groot” zijn en ook de hemelse bode kondigt aan dat ”hij groot zal zijn” - groot zowel vanwege de naam van Zoon van de Allerhoogste als vanwege het ontvangen van de erfenis van David. Hij zal dus koning zijn, hij zal regeren “over het huis van Jakob”. Maria is opgegroeid temidden van deze verwachtingen van haar volk: kon zij op het ogenblik van de boodschap vermoeden welke wezenlijke betekenis deze woorden van de engel hadden? En hoe dient dat “koningschap” waaraan ”nooit een einde zal komen” verstaan te worden?

Hoewel zij door het geloof op dat ogenblik begrepen heeft moeder van de “Messias-koning” te zijn, heeft zij toch geantwoord: ”Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord” (Lc. 1, 38). Vanaf het eerste ogenblik heeft Maria vooral de ”gehoorzaamheid van het geloof” getoond en zich verlaten op de betekenis die Hij van wie de woorden van de boodschap kwamen eraan gaf: God zelf.

Een weinig later hoort Maria steeds op deze weg van de ”gehoorzaamheid van het geloof” andere woorden, de woorden die Simeon uitsprak in de tempel van Jeruzalem. Het was reeds de veertigste dag na de geboorte van Jezus toen Maria en Jozef volgens het voorschrift van de Wet van Mozes ”het kind naar Jeruzalem brachten om het aan de Heer op te dragen” (Lc. 2, 22). De geboorte had plaats gevonden in omstandigheden van uiterste armoede. Wij weten door Lucas dat Maria zich met Jozef naar Betlehem had begeven bij gelegenheid van de volkstelling die door de Romeinse autoriteiten uitgeschreven was, en dat zij, daar zij geen ”plaats in de herberg” gevonden had, haar kind in een stal ter wereld bracht en “Hem neerlegde in een kribbe”Vgl. Lc. 2, 7 .

Een zekere Simeon, een wetsgetrouw en vroom man, verschijnt aan het begin van de geloofstocht van Maria. Zijn door de heilige Geest ingegeven woorden Vgl. Lc. 2, 25-27 bevestigen de waarheid van de boodschap. Wij lezen namelijk dat hij het kind ”in zijn armen nam”, dat volgens het bevel van de engel ”de naam Jezus ontving” Vgl. Lc. 2, 21 . Wat Simeon zegt stemt overeen met de betekenis van deze naam die Redder is: ”God redt”. Hij keerde zich tot de Heer en zei: ”Mijn ogen hebben uw heil aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël” (Lc. 2, 30-32). Maar Simeon richt zich tevens tot Maria met de volgende woorden: ”Mijn ogen hebben uw heil aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël” (Lc. 2, 30-32). Maar Simeon richt zich tevens tot Maria met de volgende woorden: ”Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van velen openbaar zal worden”. En met betrekking tot Maria zelf voegt hij eraan toe: ”en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord”” (Lc. 2, 34-35). De woorden van Simeon werpen een nieuw licht op de boodschap die Maria gehoord heeft van de engel: Jezus is de Redder. Hij is ”licht om te stralen” voor de mensen. Is dit niet wat in zekere zin gebleken is in de kerstnacht, toen de herders naar de stal waren gekomen Vgl. Lc. 2, 8-20 ? Is dit niet wat nog duidelijker zou blijken bij de komst van de Wijzen uit het oosten Vgl. Mt. 2, 1-12 ? Maar tegelijk ervaart de Zoon van Maria reeds aan het begin van zijn leven – en met Hem zijn moeder – aan zichzelf de waarheid van de andere woorden van Simeon: ”teken van tegenspraak” (Lc. 2, 34). Wat Simeon zegt blijkt een tweede boodschap aan Maria te zijn, want het toont haar de concrete historische omstandigheden waarin de Zoon zijn zending zal vervullen, namelijk in onbegrip en leed. Deze boodschap is enerzijds een bevestiging van haar geloof in de vervulling van de goddelijke heilsbeloften, maar openbaart van de andere kant ook dat zij haar geloofsgehoorzaamheid moet beleven in lijden aan de zijde van de lijdende Heiland en dat haar moederschap duister en smartelijk zal zijn. Zie, na het bezoek van de Wijzen, na hun eerbetuiging (”neervallend betuigen zij hun hulde”), na het aanbieden van de geschenken Vgl. Mt. 2, 11 , moet Maria inderdaad samen met het kind onder de zorgzame hoede van Jozef naar Egypte vluchten, omdat ”Herodes het kind komt zoeken om het te doden” Vgl. Mt. 2, 13 . En tot aan de dood van Herodes zullen zij in Egypte moeten blijven Vgl. Mt. 2, 15 .

Na de dood van Herodes keert de heilige familie terug naar Nazaret en begint de lange periode van het verborgen leven. Zij die “geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer is gezegd” (Lc. 1, 45) beleefd iedere dag de inhoud van deze woorden. De Zoon aan wie zij de naam Jezus heeft gegeven is dagelijks aan haar zijde; zij gebruikt dus zeker in haar contacten met Hem deze naam, die overigens bij niemand verwondering kon opwekken daar hij sinds lang gebruikelijk was in Israël. Maria weet echter dat Hij die de naam Jezus draagt door de engel “Zoon van de Allerhoogste”genoemd is Vgl. Lc. 1, 32 . Maria weet dat zij Hem geeft ontvangen en ter wereld gebracht ”zonder gemeenschap te hebben met een man”, door de werking van de heilige Geest, uit de kracht van de Allerhoogste die daar overschaduwd heeft Vgl. Lc. 1, 35 , zoals de wolk de tegenwoordigheid van God omhulde in de tijd van Mozes en de vaders Vgl. Ex. 24, 16 Vgl. Ex. 40, 34-35 Vgl. 1 Kon. 8, 10-12 . Maria weet dus dat de Zoon die zij als maagd ter wereld heeft gebracht werkelijk ”de Heilige” is de Zoon van God” over wie de engel haar gesproken heeft.

Gedurende de jaren van het verborgen leven van Jezus in het huis van Nazaret is ook het leven van Maria “met Christus verborgen in God” Vgl. Kol. 3,3 door het geloof. Want het geloof is een contact met het mysterie van God. Maria is voortdurend, dagelijks in contact met het onuitsprekelijk mysterie van God die mens is geworden, een mysterie dat alles overtreft wat in het Oude Verbond geopenbaard is. Vanaf het ogenblik van de boodschap is de geest van de Moedermaagd binnengeleid in de radicale “nieuwheid” van Gods zelfopenbaring en ingewijd in het mysterie. Zij is de eerste van die ”kleinen” van wie Jezus eens zal zeggen: ”Vader, . . . Gij hebt deze dingen verborgen gehouden voor wijzen en verstandigen, maar ze geopenbaard aan kleinen” (Mt. 11, 25). ”Niemand kent de Zoon tenzij de Vader” (Mt. 11, 27). Hoe kan Maria dan ”de Zoon kennen”? Zij kent Hem zeker niet zoals de Vader Hem kent; maar toch is zij de eerste onder hen aan wie de Vader “Hem heeft willen openbaren” Vgl. Mt. 11, 26-27 Vgl. 1 Kor. 2, 11 . Ook al is aan Maria van het ogenblik van de boodschap af de Zoon geopenbaard die alleen de Vader ten bolle kent omdat Hij Hem voortbrengt in het eeuwige “heden” Vgl. Ps. 2, 7 , toch is zij, de Moeder, alleen in en door het geloof in contact met de werkelijkheid van haar Zoon! Zij is dus zalig omdat zij ”geloofd heeft” en iedere dag gelooft temidden van alle beproevingen en tegenspoed van de periode van Jezus’ kindsheid en vervolgens gedurende de jaren van het verborgen leven te Nazaret, waar Hij ”aan hen onderdanig was” (Lc. 2, 51): onderdanig aan Maria en ook aan Jozef, want deze nam voor de ogen van de mensen de plaats van de vader in; daarom werd de Zoon van Maria door de mensen voor ”de zoon van de timmerman” (Mt. 13, 55) gehouden.

De moeder van die Zoon, die alles wat haar bij de boodschap en de daarop volgende gebeurtenissen gezegd was in haar hart bewaart, draagt dus de radicale ”nieuwheid” van het geloof in zich: het begin van het Nieuwe Verbond. Dit is het begin van het evangelie ofwel van de goede, blijde boodschap. Maar het is niet moeilijk in dat begin een bijzondere moeite van het hart op te merken, samen met een soort ”nacht van het geloof” (om de woorden van de heilige Johannes van het Kruis te gebruiken), als het ware een ”sluier” waardoorheen men moet naderen tot de Onzichtbare en leven in innige verbondenheid met het mysterie Vgl. H. Johannes van het Kruis, De bestijging van de Berg Karmel, Subida del Monte Carmelo. II, 3, 4-6. Het is inderdaad op deze wijze dat Maria vele jaren innig verbonden bleef met het mysterie van haar Zoon en voortging op haar geloofstocht, terwijl Jezus ”toenam in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen” (Lc. 2, 25). Steeds meer openbaarde zich voor de ogen van de mensen de voorliefde die God voor Hem had. De eerste van de menselijke schepselen aan wie het gegeven was Christus te ontdekken, was Maria die met Jozef in het huis te Nazaret leefde.

Toe Maria en Jozef Jezus teruggevonden hadden in de tempel en de twaalfjarige op de vraag van zijn Moeder: ”Waarom hebt Ge ons dit aangedaan?” antwoordde ”Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”, voegt de evangelist toe: ”Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde” (Lc. 2, 48-50). Jezus was er zich dus van bewust dat ”alleen de Vader de Zoon kentVgl. Mt. 11, 27 , zozeer dat zelfs zij aan wie het mysterie van zijn goddelijk Zoon-zijn dieper geopenbaard was, de Moeder, alleen door het geloof in innige verbondenheid met dit mysterie leefde! Aan de zijde van haar Zoon onder hetzelfde dak “heeft zij de vereniging met haar Zoon standvastig volgehouden” en is zij ”voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof”, zoals het Concilie onderstreept Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 58. En zo was het ook tijden het openbare leven van Christus Vgl. Mc. 3, 31-35 , waardoor van dag tot dag in haar de zegen vervuld werd welke Elisabet bij haar bezoek had uitgesproken: ”Zalig zij de geloofd heeft”.

Deze zegen bereikt het hoogtepunt van zijn betekenis als Maria onder het kruis van haar Zoon staat Vgl. Joh. 19, 25 . Het Concilie verzekert dat dit niet is geschied ”zonder Gods beschikking”: ”daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene meegeleden en zich met haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol toestemmend in de slachting van het offerlam dat uit haar was geboren”. Zo, ”heeft zij de vereniging met haar Zoon standvastig volgehouden tot onder het kruis” de vereniging door het geloof, hetzelfde geloof waarmee zij de openbaring van de engel op het ogenblik van de boodschap had ontvangen. Toen had zij ook tot zich horen zeggen: ”Hij zal groot zijn . . . God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen” (Lc. 1, 32-33).

En zie, aan de voet van het kruis is Maria menselijkerwijs gesproken getuige van de volstrekte logenstraffing van deze woorden. Haar Zoon sterft als een veroordeelde op dat hout. ”Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten . . . geminacht en als niet de moeite waard beschouwd”: als het ware vernietigd Vgl. Jes. 53, 3 . Hoe groot en heldhaftig is dan de gehoorzaamheid van het geloof die Maria toont tegenover de ”ondoorgrondelijke beslissingen” van God! Hoe ”vertrouwt zij zich” zonder voorbehoud ”toe aan God, door de volledige onderdanigheid van verstand en wil” Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 5 jegens Hem wiens ”wegen onnaspeurlijk zijn” Vgl. Rom. 11, 33 ! En hoe machtig is tevens de werking van de genade in haar ziel, hoe doordringend is de invloed van de heilige Geest, van zij licht en kracht?

Door dit geloof is Maria volmaakt verenigd met Christus in zijn ontlediging. Want ”Jezus Christus . . . die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen”: juist op Golgota ”heeft Hij zich vernederd en werd Hij gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruisVgl. Fil. 2, 5-8 . Aan de voet van het kruis neemt Maria door het geloof deel aan het ontstellende mysterie van deze ontlediging. Misschien is dit de meest diepe ”ontlediging” van het geloof in de mensengeschiedenis. Door het geloof neemt de Moeder deel aan de dood van de Zoon, aan zijn verlossingsdood. Het was een geloof dat veel meer verlicht was dan het geloof van de leerlingen die op de vlucht sloegen. Op Golgota heeft Jezus door het kruis definitief bevestigd het ”teken van tegenspraak” te zijn dat Simeon voorzegd had. Tegelijkertijd zijn daar de woorden in vervulling gegaan die tot Maria gericht had: ”En uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboordVgl. H. Bernardus van Clairvaux, In Dominica infra octavam Assumptionis Sermo. 14: Sancti Bernardi Opera, V. Roma, 1968, 273. Voor de deelname van Maria aan de dood van Christus of haar “compassie"

Ja, waarlijk ”zalig zij die geloofd heeft”! Deze woorden welke Elisabet uitgesproken heeft na de boodschap, lijken hier aan de voet van het kruis te weerklinken met uiterste welsprekendheid en de kracht die erin opgesloten ligt wordt doordringend. Vanaf het kruis, als het ware uit het hart zelf van het mysterie van de verlossing, verbreidt zich de straal en verwijdt zich het perspectief van die geloofszegen. Hij gaat terug, ”tot aan het begin” en wordt, als deelname aan het offer van Christus, de nieuwe Adam, in zekere zin het tegenwicht van de ongehoorzaamheid en het ongeloof die gelgen zijn in de zonde van de stamouders. Zo leren de kerkvaders en in het bijzonder de heilige Ireneüs die geciteerd wordt door de constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
: ”De knoop van Eva’s ongehoorzaamheid werd door de gehoorzaamheid van Maria ontward: hetgeen de maagd Eva door het ongeloof gebonden had, dat heeft de Maagd Maria door haar geloof ontbonden” H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III, 22, 4: SC 211, 438-444 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 56. In het licht van deze vergelijking met Eva noemen de vaders Maria "moeder van de levenden", zoals het Concilie ook in herinnering brengt, en zij verklaren vaak: ”De dood door Eva, het leven door Maria” Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 56. en de vaders die er geciteerd zijn in de noten 8 en 9.

Wij kunnen dus terecht in de uitdrukking ”Zalig zij de geloofd heeft” als het ware een sleutel vinden die ons de innerlijke werelijkheid van Maria ontslui: van haar die de engel gegroet heeft als ”vol van genade”. Als ”vol van genade” is zij van eeuwigheid aanwezig in het mysterie van Christus, terwijl zij door het geloof daaraan deelneemt op heel haar aardse levensweg: ”zij is voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof”. Tegelijk heeft zij op discrete maar directe en doeltreffende wijze dit mysterie van Christus voor de mensen tegenwoordig gesteld. En zij doet dit nog steeds. En door het mysterie van Christus is zij ook aanwezig onder de mensen. Zo wordt door het mysterie van de Zoon ook het mysterie van de Moeder verhelderd.

Document

Naam: REDEMPTORIS MATER
Moeder van de Verlosser
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1987
Copyrights: © 1987, Stichting Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 4 maart 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam