• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De MOEDER van de VERLOSSER heeft een zeer bepaalde plaats in het heilsplan, want “toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, opdat Hij hen die onder de wet stonden zou bevrijden, opdat wij de rang van zonen zouden verkrijgen. En het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!” (Gal. 4, 4-6).

Met deze woorden van de apostel Paulus, welke het tweede Vaticaans concilie aanhaalt aan het befin van de uiteenzetting over de heilige Maagd Maria Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 52. en het gehele achtste hoofdstuk, getiteld “De heilige Maagd en Moeder van God in het mysterie van Christus en de Kerk”., wil ook ik mijn overwegingen beginnen over de betekenis die Maria heeft in het mysterie van Christus, en over haar werkdadige en voorbeeldige tegenwoordigheid in het leven van de Kerk. Het zijn immers woorden die zowel de van de Vader gedenken als de zending van de Zoon, de gave van de Geest, de vrouw uit wie de Verlosser geboren werd, en ons goddelijk kindschap, in het mysterie van de “volheid van de tijd” De uitdrukking “volheid van de tijd (πλÞρωμα ζοà γρüνου) vertoont overeenkomst met verwante uitdrukkingen van het Jodendom, zowel in de bijbel (vgl. Gen. 29, 21; 1 Sam. 7, 12; Tobit 13, 5) als daarbuiten, en vooral van het Nieuwe Testament (vgl. Marc. 1, 15; Luc. 21, 24; Joh. 7, 8; Ef. 1, 10). Vanuit formeel oogpunt duidt zij niet slechts de afsluiting van een chronologisch proces aan, maar vooral de rijping of de voltooiing van een periode die bijzonder belangrijk is omdat zij gericht is op de vervulling van een verwachting welke dus een eschatologische dimensie krijgt. Gezien Galaten 4, 4 en de context hiervan is het de komst van Gods Zoon die openbaart dat de tijd om zo te zeggen de maat volgemaakt heeft; de periode die getekend is door de belofte welke aan Abraham is gedaan, alsmede door de wet die door tussenkomst van Mozes is gegeven, heeft haar hoogtepunt bereikt, in deze zin dat Christus de goddelijke belofte vervult en de oude wet overstijgt. Deze volheid duidt het ogenblik aan dat van alle eeuwigheid is vastgesteld en waarop de Vader zijn Zoon gezonden heeft, “opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben” (Joh. 1, 1.14) en onze broeder is geworden. Zij duidt het ogenblik aan waarop de heilige Geest, die reeds de volheid van de genade had uitgestort in Maria van Nazaret, in haar maagdelijke schoot de menselijke natuur van Christus vormde. Zij geeft het ogenblik aan waarop door de intrede van het eeuwige in het tijdelijke de tijd verlost wordt, vervuld wordt met het mysterie van Christus en definitief “heilstijd” wordt. Zij geeft tenslotte het mysterievolle begin aan van de weg van de Kerk. Inderdaad begroet de Kerk in de liturgie Maria van Nazaret haar begin Vgl. Romeins Missaal, Prefatie van 8 december, Onbevlekte Ontvangenis van de heilige Maagd Maria Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Institutione Virginis. XV, 93-94: PL 16, 342 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 68 , omdat zij ziet dat in de gebeurtenis van de onbevlekte ontvangenis de heilsgenade van Pasen zich reeds van te voren aftekent in haar edelste lid. En vooral omdat zij in het gebeuren van de menswording Christus en Maria onverbrekelijk tezamen ontmoet, Hem die haar Heer en Hoofd is, en haar die door het uitspreken van het eerste fiat van het Nieuwe Verbond voorafbeelding is van de Kerk als bruid en moeder.

Gesterkt door de aanwezigheid van Christus Vgl. Mt. 28, 30 is de Kerk in de tijd onderweg naar de voleinding der tijden en gaat zij haar Heer die komt tegemoet. Maar op deze weeg – ik wil dit onmiddellijk duidelijk maken – gaat zij voort in de voetsporen van de Maagd Maria die ”is voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof en de vereniging met haar Zoon standvastig heeft volgehouden tot onder het kruis” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 58.

Ik herhaal deze veelbetekenende en veelzeggende woorden uit de constitutionele 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
, die in haar laatste hoofdstuk een doeltreffende samenvatting biedt van de leer van de Kerk over de Moeder van Christus, die zij vereert als haar allerliefste moeder en als haar beeld in het geloof, de hoop en de liefde.

Mijn grote voorganger Paulus VI heeft kort na het concilie opnieuw over de allerheiligste Maagd willen spreken; in het encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Christi Matri Rosarii
Over speciale gebeden ter ere van de Moeder Gods tijdens de maand oktober
(15 september 1966)
en vervolgens in de apostolische exhortaties H. Paus Paulus VI - Apostolische Exhortatie
Signum Magnum
Over de verering en navolging van de heilige maagd Maria, moeder van de Kerk en toonbeeld van alle deugden
(13 mei 1967)
en H. Paus Paulus VI - Apostolische Exhortatie
Marialis Cultus
Over de vernieuwing van de Maria-verering in liturgie en persoonlijke beleving
(2 februari 1974)
heeft hij de fundamenten en criteria uiteengezet van die speciale verering die de Moeder van Christus in de Kerk ontvangt, alsmede de verschillende vormen van mariale devotie – liturgische, privé en volksdevoties – die beantwoorden aan de geest van het geloof.

De omstandigheid die mij er nu toe brengt dit onderwerp te hernemen, is het vooruitzicht van het jaar 2000 dat nabij is. Dit tweeduizendjarig jubileum van de geboorte van Jezus Christus richt onze blik tegelijk op zijn Moeder. In de laatste jaren zijn verschillende stemmen opgegaan die wenselijkheid geopperd hebben om deze herdenking te laten voorafgaan door een soortgelijk jubileum dat gewijd is aan de viering van de geboorte van Maria. Ook al is het niet mogelijk om de geboortedatum van Maria nauwkeurig chronologisch vast te stellen, toch is de Kerk zich er steeds van bewust dat Maria eerder dan Christus verschenen is aan de horizon van de heilsgeschiedenis (het Oude Testament heeft op vele wijzen het mysterie van Maria aangekondigd) Vgl. H. Johannes Damascenus, Homilia in Dormitionem. I, 8-9: SC 80, 103-107. Het is een feit dat bij de definitieve nadering van “de volheid van de tijd”, d.w.z. van de heilskomst van de Immanuël, zij die van eeuwigheid af bestemd was om zijn Moeder te zijn reeds op aarde leefde. Dit feit dat zij er was “vóór” de komst van Christus, vindt ieder jaar een weerspiegeling in de liturgie van de Advent. Als dus de jaren die ons nader brengen tot het einde van het tweede millennium na Christus en tot het begin van het derde, vergeleken worden met de historische verwachting van de Verlosser in de oudheid, dan wordt het geheel begrijpelijk dat wij ons in deze periode op speciale wijze willen richten tot haar die in de “nacht” van de Adventsverwachting begon te schitteren als een ware ‘morgenster’ (Stella matutina). Zoals deze ster samen met de “dageraad” voorafgaat aan de opkomst van de zon, zo is Maria vanaf haar onbevlekte ontvangenis voorafgegaan aan de komst van de Redder, aan de opkomst van de “zon der gerechtigheid” in de geschiedenis van het mensengeslacht Vgl. Z. Paus Pius IX, Dogmatische Bul, Dogmaverklaring van Maria, Onbevlekt Ontvangen, Ineffabilis Deus (8 dec 1854).

Haar aanwezigheid in Israël – zo onopvallend dat zij bijna onopgemerkt bleef voor de ogen van de tijdgenoten – straalde wel duidelijk voor de Eeuwige die deze verborgen “dochter van Sion” Vgl. Sef. 3, 14 Vgl. Zach. 2, 14 deelgenoot gemaakt had van het heilsplan dat de gehele geschiedenis van de mensheid omvat. Wij christenen, die weten hoe het providentiële plan van de Allerheiligste Drieëenheid de centrale werkelijkheid is van de openbaring en het geloof, voelen dus terecht de behoefte om aan het einde van het tweede millennium de uitzonderlijke tegenwoordigheid van de Moeder van Christus in de geschiedenis in het licht te stellen in het bijzonder gedurende deze laatste jaren die voorafgaan aan het jaar tweeduizend.

Het Tweede Vaticaans Concilie, dat ons in zijn leer de Moeder van God voorhoudt in het mysterie van Christus en de Kerk, bereidt ons hierop voor. Want als het waar is dat ”het mysterie van de mens alleen oplicht in het mysterie van het mens geworden Woord”, zoals het Concilie verklaart Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 22, dan moet men dit beginsel op zeer bijzondere wijze toepassen op die uitzonderlijke “dochter van het mensengeslacht”, op die buitengewone “vrouw” die Moeder van Christus werd. Alleen in het mysterie van Christus wordt haar mysterie geheel en al duidelijk. Vanaf het begin heeft de Kerk overigens getracht het zo te verstaan: het mysterie van de menswording heeft het haar mogelijk gemaakt steeds dieper door te dringen in het mysterie van de Moeder van het vleesgeworden Woord en dit steeds beter te verduidelijken. Beslissende betekenis voor deze verdieping heeft het Concilie van Efese gehad (in het jaar 431), waarop de waarheid over het goddelijke moederschap van Maria tot grote vreugde van de christenen plechtig bevestigd werd als geloofswaarheid van de Kerk. Maria is de Moeder van God (= Theotókos), omdat zij door de heilige Geest Jezus Christus, de Zoon van God die één in wezen is met de Vader, in haar maagdelijke schoot ontvangen en aan de wereld geschonken heeft Concilie van Efese, Bijlage bij de Brief van de Synode van Alexandrië aan Nestorius (3e Brief van Cyrillus aan Nestorius), Anathematismati Cyrilli Alexandrini (22 juni 431). DS250-264 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Constitutie, Publicatie Katechismus van de Katholieke Kerk, Fidei Depositum (11 okt 1992). “De Zoon van God, . . . geboren uit de Maagd Maria, is . . . werkelijk één van de onzen geworden” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22. Hij is mens geworden. Zo schittert aan de horizon van het geloof van de Kerk door middel van het mysterie van Christus ten volle het mysterie van zijn Moeder. Op zijn beurt was het dogma van het goddelijke moederschap van Maria voor het Concilie van Efese, en is het voor de Kerk, als het ware een bezegeling van het dogma van de menswording, waarin het Woord waarlijk de menselijke natuur aanneemt in de eenheid van zijn persoon zonder haar te niet te doen.
Het Tweede Vaticaans Concilie, dat Maria voorhoudt in het mysterie van Christus, vindt op deze manier ook de weg om de kennis van het mysterie van de Kerk te verdiepen. Want Maria is als Moeder van Christus op bijzondere wijze verenigd met de Kerk, “die de Heer als zijn lichaam heeft ingesteld” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 52. De Concilietekst brengt op veelzeggende wijze deze waarheid over de Kerk als het lichaam van Christus ( volgens de leer van de brieven van Paulus) in verband met de waarheid dat de Zoon van God “door de heilige Geest uit de Maagd Maria is geboren”. De werkelijkheid van de menswording vindt als het ware een verlengstuk in het mysterie van de Kerk, lichaam van Christus. En men kan niet aan die werkelijkheid van de menswording denken zonder te verwijzen naar Maria, de Moeder van het mensgeworden Woord.

In deze overwegingen wil ik echter vooral verwijzen naar de “pelgrimstocht van het geloof” waarop “de heilige Maagd is voortgegaan” en de vereniging met Christus standvastig valgehouden heeft Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 58. Zo krijgt die tweevoudige band die de Moeder van God verenigt met Christus en met de Kerk een historische betekenis. Het gaat hier niet slechts om de geschiedenis van de Moeder-maagd, om haar persoonlijke geloofsweg en het ”beste deel” dat zij heeft in het heilsmysterie, maar ook om de geschiedenis van heel het volk Gods, van allen die deelnemen aan dezelfde pelgrimstocht van het geloof.

Het Concilie drukt dit uit waar het in een andere passage vaststelt dat Maria “is voorgegaan” en ”model van de Kerk” is geworden “in de order van het geloof, de liefde en de volmaakte eenheid met Christus” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 63 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Expositio Evangelii secundum Lucam. II, 7: CSEL 32.4, 45 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Institutione Virginis. XIV, 88-89: PL 341. Dit ”voorgaan” als beeld of model verwijst naar het diepe mysterie zelf van de Kerk, die in de vervulling van haar eigen heilszending in zich de eigenschappen van moeder en maagd verenigt, zoals Maria. Zij is een maagd die “haar trouw aan de Bruidegom gaaf en zuiver behoudt” en die ”ook zelf moeder wordt . . . want zij brengt zonen ter wereld, van de heilige Geest ontvangen en uit God geboren, voor een nieuw en onsterfelijk leven” Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 64

Dit alles geschiedt in een groot historisch proces en om zo te zeggen “op een tocht”. De pelgrimstocht van het geloof duidt de innerlijke geschiedenis aan, men zou kunnen zeggen de geschiedenis van de zielen. Maar deze is ook de geschiedenis van de mensen die op deze aarde onderworpen zijn aan de vergankelijkheid, opgenomen zijn in de dimensie van de geschiedenis. In de volgende overwegingen willen wij ons vooral concentreren op de huidige fase, die uiteraard nog niet geschiedenis is en haar toch voortdurend vormt, ook in de zin van heilsgeschiedenis. Hier gaat een wijde ruimte open waarin de heilige Maagd Maria het volk Gods “blijft voorgaan”. Haar uitzonderlijke pelgrimstocht van het geloof vormt een vast referentiepunt voor de Kerk, voor de enkelingen en de gemeenschappen, voor de volkeren en de naties, en in zekere zin voor de gehele mensheid. Het is werkelijk moeilijk om de straal ervan te omvatten en te meten.

Het Concilie onderstreept dat de Moeder van God nu reeds de schatologische vervulling van de Kerk is: “De Kerk heeft in de zalige Maagd reeds de volmaaktheid bereikt, waardoor ze vlek noch rimpel vertoont” Vgl. Ef. 5, 27 ; en tegelijk benadrukt het dat “de gelovigen zich nog steeds moeten inspannen om door de overwinning op de zonde in heiligheid te groeien; daarom verheffen zij hun blikken naar Maria, die voor heel de gemeenschap van de uitverkorenen als een toonbeeld van deugden uitmunt” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 65. De Moeder van Gods Zoon neemt niet meer deel aan de pelgrimstocht van het geloof. Maria die verheerlijkt in de hemel is naast haar Zoon, heeft reeds de drempel tussen geloof en zien “van aangezicht tot aangezicht” (1 Kor. 13, 12) overschreden. Maar tegelijk houdt Maria niet op in deze schatologische vervulling “de sterre der zee” (Maris Stella) H. Bernardus van Clairvaux, In Nativitatem Beatae Mariae. Sermo De aquaeductu, 6 “Neem het zonnelichaam weg dat de wereld verlicht: waar blijft de dag? Neem Maria weg, de sterre der zee, van de grote , wijde zee: wat blijft er anders over dan dichte nevel, de schaduw van de dood en dikke duisternis?” Vgl. H. Bernardus van Clairvaux, In Laudibus Virginis Mariae. Homilia II, 17: ed. cit. IV. Roma, 1966, 34v. te zijn voor allen die nog de weg van het geloof gaan. Als zij hun blikken naar haar opheffen op de verschillende plaatsen van het aardse bestaan, dan doen zij dit omdat zij de Zoon ter wereld heeft gebracht die God gesteld heeft tot Eerstgeborene onder vele broeders Vgl. Rom. 8, 29 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 63, en ook omdat zij ”met moederlijke liefde bijdraagt” tot de “geboorte en opvoeding” van deze broeders en zusters 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 63

Document

Naam: REDEMPTORIS MATER
Moeder van de Verlosser
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1987
Copyrights: © 1987, Stichting Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 14 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam