• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Na aldus de voornaamste taak omschreven te hebben die de zorg voor het verschaffen van werk aan alle arbeiders met zich meebrengt, als men de eerbied voor de onvervreemdbare rechten van de mens op zijn arbeid wil veilig stellen, is het de moeite waard deze rechten nauwkeuriger te behandelen, die in het algemeen convergeren in de relatie tussen de arbeider en de directe werkgever. Alles immers wat tot nu toe gezegd is over de indirecte werkgever, is bedoeld om deze relaties nauwkeuriger te bepalen, nadat namelijk die veelvuldige voorwaarden zijn aangegeven waardoor ze op indirecte wijze tot stand komen. De bedoeling van deze beschouwing is niet een puur zakelijke beschrijving te geven; ook is het geen korte verhandeling over economie of politiek. Wat hier van belang is, is het deontologische en morele aspect te belichten. Het probleem en als het ware de spil van de sociale ethiek is in dit geval de rechtvaardige beloning voor gedane arbeid. Want in de huidige tijdsomstandigheden is er geen belangrijker manier om aan de rechtvaardigheid in de betrekkingen tussen arbeider en werkgever te voldoen dan juist die beloning voor de arbeid. Hoe deze arbeid ook tot stand komt – hetzij in een systeem van privé-bezit van productiemiddelen, hetzij in een systeem waarbij dit privé-bezit in enige vorm gesocialiseerd is – de relatie tussen de werkgever (vooral de directe) en de arbeider komt tot stand door het loon, d.w.z. door de rechtvaardige beloning voor verrichte arbeid.

Ook dient gezegd te worden dat de rechtvaardigheid van ieder sociaal-economisch systeem en de rechtvaardige uitoefening ervan, van welke aard deze ook moge zijn, uiteindelijk en terecht beoordeeld moeten worden naar de wijze waarop de arbeid in dit systeem rechtvaardig beloond wordt. Hier kom ik weer terug op het eerste beginsel van de hele sociaal-ethische orde, het beginsel van het gemeenschappelijk gebruik van de goederen. Want in ieder systeem, ongeacht de fundamentele relaties die tussen kapitaal en arbeid bestaan, blijft het loon of de beloning voor het werk de concrete weg waarlangs het grootste gedeelte van de mensen toegang krijgt tot de goederen die voor gemeenschappelijk gebruik bestemd zijn: en wel goederen uit de natuur zowel als die welke met menselijke hulp tot stand worden gebracht. De toegang tot die goederen staat voor de arbeiders open door het loon dat zij als beloning voor hun werk ontvangen. Daarom is het rechtvaardige loon de duidelijke toetssteen voor het hele sociaal-economische systeem en in ieder geval voor het juiste functioneren van dit systeem. Het is wel niet de enige toetssteen, maar het is wel bijzonder belangrijk en het is tot op zekere hoogte de echte toetssteen en de spil van het hele probleem.

Dit toetsen van de rechtvaardigheid betreft in de eerste plaats het gezin. Want een rechtvaardige beloning voor de arbeid van de volwassen mens, die verantwoordelijk is voor een gezin, zal met name die zijn welke voldoende is om een gezin te stichten, het op menswaardige manier te onderhouden en de toekomst ervan te verzekeren. Een dergelijke beloning kan gegeven worden zowel door een zogenaamd gezinssalaris – d.w.z. één enkel salaris dat aan het hoofd van het gezin wordt uitbetaald voor zijn arbeid, zodat hij in de behoeften van zijn gezin kan voorzien en de vrouw geen andere loonarbeid buitenshuis hoeft te verrichten –, als door andere sociale hulpmiddelen, als financiële gezinsbijdrage of subsidies voor moeders die zich alleen aan het gezin wijden; deze subsidies moeten met de werkelijke behoeften overeenstemmen, namelijk met het aantal mensen die van het gezin afhankelijk zijn gedurende de hele tijd dat zij niet zelf op de juiste wijze de verantwoordelijkheid om voor hun eigen leven te zorgen, kunnen dragen.

De ervaring bewijst dat men ernaar moet streven opnieuw een sociale beoordeling van de taken van de moeder te geven, van de hiermee gepaard gaande vermoeienissen en van de behoefte die de kinderen hebben aan zorg, liefde en genegenheid, willen zij uitgroeien tot zelfstandige mensen die zich van hun plichten bewust zijn, mensen die moreel en godsdienstig volwassen en psychisch harmonisch ontwikkeld zijn. Het is zeker een eer voor de maatschappij als het de moeder is toegestaan zich aan de zorg voor haar kinderen en de verscheidene behoeften van hun leeftijd te wijden, zo dat haar vrijheid niet belemmerd wordt, dat op haar geen psychologische of praktische discriminatie wordt toegepast en dat zij zich op geen enkele manier de mindere voelt van andere vrouwen. Als wij letten op het welzijn van de maatschappij en het gezin, is het niet juist als de moeder gedwongen wordt deze plichten op te geven voor loonarbeid buitenshuis, wanneer dit in strijd is met deze doelstellingen van de moederlijke taak of deze bemoeilijkt. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 67

In deze context moet ik er de nadruk op leggen dat op een meer algemeen niveau het hele arbeidsproces zo geordend en aangepast moet worden dat de behoeften van de persoon en zijn levenswijze gerespecteerd worden, in de eerste plaats zijn huiselijk leven, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd en sekse van ieder. Het is immers een feit dat in veel landen de vrouwen in bijna iedere levenssector werken. Maar zij moeten volledig hun taken kunnen vervullen die in overeenstemming zijn met hun eigen aard, zonder gediscrimineerd te worden en zonder uitgesloten te worden van banen waarvoor zij geschikt zijn; niet verwaarloosd mag echter worden het respect voor hun verlangen om in het gezin te werken en voor de speciale rol die hun toekomst om samen met hun echtgenoten hun bijdrage te leveren voor het welzijn van de maatschappij. De echte emancipatie van de vrouw eist dat de arbeid zo verdeeld wordt dat zij hun emancipatie niet hoeven te compenseren door hun eigen bijzondere aard te verloochenen, ten koste van het gezin waarin zij als moeder een uiterst noodzakelijke rol spelen.

Behalve het loon komen hier ook allerlei sociale weldaden in het geding, die als doel hebben het leven en welzijn van de arbeiders en hun gezinnen veilig te stellen. De kosten die besteed moeten worden aan de gezondheidszorg, vooral voor ongevallen bij het werk, vereisen dat de arbeider gemakkelijk toegang heeft tot medische bijstand, en wel zoveel mogelijk voor een kleine premie of zelfs gratis. Een andere sector met betrekking tot deze weldaden heeft te maken met het recht op rust: het betreft hier vooral de gewone wekelijkse rusttijd, minstens met inbegrip van de zondag, en bovendien de langere rust, d.w.z. de zogenaamde jaarlijkse vakantie of die vakanties welke mogelijkerwijze meerdere keren per jaar in kortere perioden gehouden worden. Het betreft tenslotte ook het recht op pensioen, op verzekering voor de oude dag en voor ongevallen in verband met het werk. Binnen de context van deze primaire hoofdrechten geldt een geheel van bijzondere rechten, die samen met de beloning voor de arbeid de juiste verhoudingen scheppen tussen de arbeider en de werkgever. Tot deze rechten moet altijd het recht gerekend worden om de arbeid te verrichten in omstandigheden van werk en plaats en in een werkmethode die niet schadelijk zijn voor de lichamelijke gezondheid van de arbeiders en hun morele integriteit niet benadelen.

Document

Naam: LABOREM EXERCENS
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1981
Copyrights: © 1985, Stg. Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 22 februari 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam