• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Nog steeds met aandacht voor de mens als subject van de arbeid moet ik minstens in beknopte bewoordingen enkele kwesties aanraken waardoor de waardigheid van de menselijke arbeid nauwkeuriger bepaald wordt, omdat ze mij de mogelijkheid geven de bijzondere morele waarde ervan op nog subtielere wijze te beschrijven. Dit moet ik doen met de Bijbelse oproep voor ogen dat “de aarde onderworpen moet worden” Vgl. Gen. 1, 28 , waarin de wil van de Schepper geopenbaard wordt dat de mens door zijn arbeid in staat is die “heerschappij” te verwerven die hem in de zichtbare wereld toekomt.

De voornaamste en allereerste bedoeling van God met de mens, die Hij “naar zijn beeld en gelijkenis gemaakt heeft” Vgl. Gen. 1, 26-27 , is zelfs niet herroepen toen de mens, na de verbreking van het oorspronkelijke verbond dat hij met God was aangegaan, de woorden hoorde: “In het zweet zult ge werken voor uw brood”. (Gen. 3, 19) Deze woorden verwijzen naar de soms zeer zware krachtinspanning die sindsdien met de menselijke arbeid gepaard gaat; maar ze doen niets af aan de waarheid dat de arbeid zelf de weg is waarlangs de mens die hem toekomende “heerschappij” uitoefent over de zichtbare wereld door de aarde “te onderwerpen”. Deze krachtsinspanning is alle mensen bekend, omdat allen ze ervaren. Dit weten wel degelijk de mensen die soms in de moeilijkste omstandigheden handenarbeid verrichten; dit weten niet alleen de landbouwers die lange dagen besteden aan het bewerken van de aarde die soms “distels en doornen” voortbrengt (Hebr. 6, 8) Vgl. Gen. 3, 18 , maar ook de arbeiders in mijnen en steengroeven, de arbeiders in de staal- en metaalbedrijven en hoogovens, degenen die in de bouwondernemingen of op het veelvormige gebied van de constructiewerkplaatsen vaak hun leven op het spel zetten of het gevaar lopen ziek te worden. Dit weten ook de mensen die zich bezighouden met intellectueel werk; dit weten degenen die zich aan de natuurwetenschap wijden; dit weten de mensen die de zware taak hebben gewichtige beslissingen te nemen op sociaal terrein; dit weten de doktoren en het verplegend personeel, die dag en nacht waken bij zieken; dit weten de vrouwen die, soms zonder de juiste erkenning van de kant van de maatschappij en van hun eigen gezinsleden, de dagelijkse last dragen en de verantwoordelijkheid hebben hun huis en de opvoeding van de kinderen te verzorgen; kortom dit weten allen die arbeid verrichten, en omdat het vaststaat dat allen geroepen zijn om te arbeiden, hebben alle mensen deze ervaring.

En toch, ondanks al deze krachtsinspanning – en misschien in zekere zin om deze krachtsinspanning – is de arbeid een goed voor de mens. Zelfs al is eigen aan en kenmerkend voor de arbeid dat hij een “bonum arduum”, een “moeilijk te verwerven goed” is, zoals St. Thomas van Aquino zegt, Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 40 a. 1c Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 34, a. 2, ad 1 dat verhindert niet dat hij, als zodanig, een goed voor de mens is; en ik noem het niet alleen een “nuttig” of “te genieten” goed, maar een “waardig” goed, d.w.z. een goed dat overeenstemt met de waardigheid van de mens, waardoor deze waardigheid wordt uitgedrukt en vergroot. Als men dus de ethische betekenis van de arbeid nauwkeuriger wil beschrijven, moet men hierop het meest letten. Arbeid is een goed voor de mens – en wel een goed van zijn menszijn -, omdat de mens door de arbeid niet alleen de natuur omvormt door ze aan zijn behoeften aan te passen, maar ook zichzelf als mens vervolmaakt, zelfs in zekere zin “meer mens wordt”.

Zonder deze beschouwing kan de betekenis van de deugd van werklust niet begrepen worden, kan men er vooral geen idee van hebben waarom werklust een deugd zou zijn: want in werkelijkheid is de deugd, als een morele gewoonte, datgene in de mens waardoor hij als mens goed wordt. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 40, a. 1c Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 34, ad 1 Dit neemt evenwel geenszins de bezorgdheid weg, waaronder ik terecht gebukt ga, dat bij de arbeid waardoor de materie verheerlijkt wordt, de mens zelf wat zijn waardigheid betreft waardelozer wordt. Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de aanpassing van de sociale orde, Quadragesimo Anno (15 mei 1931), 23 Het is immers bekend dat de arbeid op veelvuldige wijze tegen de mens zelf gebruikt kan worden, dat de mens met dwangarbeid in concentratiekampen gestraft kan worden, dat de arbeid een instrument kan worden om de mens te onderdrukken, en tenslotte dat de menselijke arbeid, d.w.z. de arbeidende mens op vele manieren kan worden uitgebuit. Dit alles pleit voor de morele verplichting om de werklust als deugd in verband te brengen met een sociale arbeidsordening, waardoor de mens in de uitoefening van zijn arbeid “meer mens” wordt en niet om zijn arbeid gedegradeerd wordt, niet alleen door het slijten van zijn lichamelijke krachten (wat tenminste tot op zekere hoogte niet te vermijden is), maar ook en vooral door het verminderen van de hem toekomende waardigheid en persoonlijkheid.

Document

Naam: LABOREM EXERCENS
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1981
Copyrights: © 1985, Stg. Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 22 februari 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam