• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Deze waarheid, dat de mens door zijn arbeid deelneemt aan het werk van God zelf, zijn Schepper, is door Jezus Christus op buitengewone wijze uitgedragen, door die Jezus namelijk waarover zich vele van zijn eerste toehoorders in de stad Nazareth verwonderden met de woorden: “Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is?... Is dat niet de timmerman?” (Mc. 6, 2.3) In waarheid heeft Jezus de “blijde boodschap” die Hem toevertrouwd was, de woorden van de eeuwige Wijsheid, niet alleen gepreekt maar vooral door zijn daden in vervulling doen gaan. Daarom was het ook een “evangelie van de arbeid”, omdat Degene die het verkondigde zelf een arbeider was, een timmerman zoals Jozef van Nazareth. Vgl. Mt. 13, 55 En hoewel wij in zijn woorden geen speciale opdracht vinden om te werken – maar eerder een keer een verbod om zich te veel zorgen te maken over arbeid en levensonderhoud Vgl. Mt. 6, 25-34 – toch is die welsprekendheid van het leven van Christus volkomen ondubbelzinnig: Hij hoort bij de arbeiderswereld en toont eerbied en hoogachting voor de menselijke arbeid; men kan zelfs nog meer zeggen: Hij beziet deze arbeid en de verschillende vormen ervan met liefde, omdat Hij in iedere vorm een variant in de gelijkenis van de mens met God, de Schepper en Vader, ziet. Heeft Hijzelf niet gezegd: “Mijn Vader is de wijnbouwer”, (Joh. 15, 1) en heeft Hij niet op allerlei manieren die primaire waarheid over de arbeid in zijn leer overgenomen, die reeds in de hele traditie van het Oude Testament vanaf het boek Genesis verkondigd wordt?

In de boeken van het Oude Testament komen veel verwijzingen voor naar de menselijke arbeid en de afzonderlijke beroepen die door de mens worden beoefend: zoals bijvoorbeeld de dokter, Vgl. Sir. 38, 1 de apotheker, Vgl. Sir. 38, 4-8 de timmerman en kunstenaar, Vgl. Ex. 31, 1-5 Vgl. Sir. 38, 27 de smid, Vgl. Gen. 4, 22 Vgl. Jes. 44, 12 de pottenbakker Vgl. Jer. 18, 3-4 Vgl. Sir. 38, 29-30 – de laatste twee beroepen kan men tegenwoordig toepassen op de arbeiders in de ijzer- en staalindustrie -, de landbouwer, Vgl. Gen. 9, 20 Vgl. Jes. 5, 1-2 de geleerde, Vgl. Pred. 12, 9-12 Vgl. Sir. 39, 1-8 de zeeman, Vgl. Ps. 107, 23-30 Vgl. Wijsh. 14, 2-3a de architect, Vgl. Gen. 11, 3 Vgl. 2 Kon. 12, 12-13 Vgl. 2 Kon. 22, 5-6 de musicus, Vgl. Gen. 4, 21 de herder, Vgl. Gen. 4, 2 Vgl. Gen. 37, 3 Vgl. Ex. 3, 1 Vgl. 1 Sam. 16, 11 en de visser. Vgl. Ez. 47, 10 Bekend zijn ook de mooie uitspraken over de arbeid van de vrouw. Vgl. Spr. 31, 15-27 Verder noemt Jezus Christus in zijn parabels over het Rijk Gods voortdurend de menselijke arbeid: van de herder, Vgl. Joh. 10, 1-16 de landbouwer, Vgl. Mc. 12, 1-12 de dokter, Vgl. Lc. 4, 23 de zaaier, Vgl. Mc. 4, 1-9 de huisvader, Vgl. Mt. 13, 52 de knecht, Vgl. Mt. 24, 45 Vgl. Lc. 12, 42-48 de rentmeester, Vgl. Lc. 16, 1-8 de visser, Vgl. Mt. 13, 47-50 de koopman, Vgl. Mt. 13, 45-46 de arbeider. Vgl. Mt. 20, 1-16 Hij spreekt ook over de verschillende taken van de vrouwen. Vgl. Mt. 13, 33 Vgl. Lc. 15, 8-9 Het apostolaat illustreert Hij met de gelijkenis van de handenarbeid van de maaiers Vgl. Mt. 9, 37 Vgl. Joh. 4, 35-38 of de vissers. Vgl. Mt. 4, 19 Tenslotte vermeldt Hij ook de geleerden. Vgl. Mt. 13, 52

Deze leer van Christus over de arbeid, die steunt op het voorbeeld van zijn eigen leven in de stad Nazareth, wordt op uitstekende wijze als door een echo herhaald in de leer van de apostel Paulus. Want hij beroemde zich erop dat hij in zijn beroep werkte (waarschijnlijk was hij tentenmaker Vgl. Hand. 18, 3 ) en dat hij daarom zelfs als apostel door zijn eigen arbeid in zijn levensonderhoud kon voorzien. Vgl. Hand. 20, 34-35 “Wij hebben... niemands brood om niets gegeten. Dag en nacht hebben wij gearbeid, met veel inspanning en moeite, om niemand van u tot last te zijn.” (2 Tess. 3, 7-8 (St. Paulus erkent dat de predikers van het Evangelie recht hebben om aan te nemen wat voor hun levensonderhoud noodzakelijk is)) Vgl. 1 Kor. 9, 6-14 Vgl. Gal. 6, 6 Vgl. 2 Tess. 3, 9 Vgl. Lc. 10, 7 Hieruit vloeien zijn instructies voort met betrekking tot de kwestie van de arbeid, die het karakter van een aansporing en een bevel hebben. Aan de Tessalonicenzen schrijft hij: “In de naam van de Heer Jezus Christus gebieden en vermanen wij zulke mensen, dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen.” (2 Tess. 3, 12) Als de apostel opmerkt “dat sommigen... werkeloos rondhangen”, (2 Tess. 3, 11) aarzelt hij niet in dezelfde context te zeggen: “Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten.” (2 Tess. 3, 10) Maar op een andere plaats vermaant hij eerder: “Verricht uw werk welgemoed voor de Heer, niet voor de mensen, in de overtuiging dat gij van de Heer als beloning het erfdeel zult ontvangen.” (Kol. 3, 23-24)

Zoals duidelijk is, hebben de instructies van de apostel van de heidenen het grootste gewicht en als het ware een sleutelbetekenis voor de moraalleer en spiritualiteit van de menselijke arbeid. Ze zijn immers een uitstekende aanvulling van dat grote, zij het eenvoudige en bescheiden, “evangelie van de arbeid”, dat wij in het leven en de parabels van Christus tegenkomen, in wat Christus namelijk zelf “gedaan en geleerd heeft”. (Hand. 1, 1)

In de geest van deze schitterende en lichtende voorbeelden, die uit de Bron zelf voortvloeien, heeft de Kerk altijd geleerd wat wij in moderne bewoordingen in de leerstellingen van het Tweede Vaticaans Concilie terugvinden: “Zoals nu de menselijke activiteit uit de mens voortkomt, zo wordt ze ook geordend op de mens. Want de mens verandert bij zijn werk niet alleen de dingen en de samenleving, maar hij vervolmaakt ook zichzelf. Veel leert hij, zijn mogelijkheden ontwikkelt hij, buiten en boven zichzelf maakt hij voortgang. Als men een dergelijke uitgroei goed verstaat, is ze van meer waarde dan het bijeen garen van materiële rijkdom...

En daarom is de norm voor de menselijke activiteiten, dat zij naar het plan van God en volgens zijn wil overeenstemmen met het authentieke welzijn van de mensheid en de mens de mogelijkheden bieden, privé zowel als in de gemeenschap, zijn volledige roeping te behartigen en haar voluit te realiseren.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 35

Binnen een dergelijke visie op de waarde van de menselijke arbeid, d.w.z. binnen een dergelijke spiritualiteit van de arbeid, wordt volkomen duidelijk wat men op dezelfde plaats in de pastorale constitutie van het concilie kan lezen over de kwestie van de juiste betekenis van de vooruitgang: “De mens is meer waard om wat hij is, dan om wat hij heeft. Zo heeft eveneens alles wat de mensen ondernemen om een grotere rechtvaardigheid, een betere medemenselijkheid en een meer humane ordening in de sociale verhouding te bereiken meer waarde dan technische vooruitgang. Want deze vooruitgang kan wel als het ware het materiaal verschaffen voor de menselijke ontwikkeling, maar alleen op zichzelf kan ze deze volstrekt niet realiseren.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 35
Deze leer over de kwestie van de vooruitgang en ontwikkeling – een probleem dat de gedachten van de mensen van onze tijd zozeer in beslag neemt – kan alleen maar begrepen worden als het resultaat van een beproefde spiritualiteit van de menselijke arbeid en kan slechts via een dergelijke spiritualiteit gerealiseerd en in praktijk gebracht worden. Bovendien is het een leer en gedragslijn die volkomen in het “evangelie van de arbeid” geworteld is.

Document

Naam: LABOREM EXERCENS
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1981
Copyrights: © 1985, Stg. Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam