• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het Tweede Vaticaans Concilie zegt: “Dit alvast is voor gelovigen een vaste overtuiging, namelijk dat de individuele en gezamenlijke activiteiten van de mensen, anders gezegd, die grootste onderneming waarin de mensen in de loop der eeuwen moeite doen om hun levensvoorwaarden te verbeteren, in zichzelf beschouwd met de bedoeling van God corresponderen. Want de mens is naar het beeld van God geschapen en heeft de opdracht gekregen om, door de aarde met alles wat zij in zich bevat aan zich te onderwerpen, de wereld in rechtvaardigheid en heiligheid te besturen en om, God als de Schepper van alles erkennend, zichzelf en de totaliteit van de dingen naar Hem terug te voeren, zodat na de onderwerping van alles aan de mens de naam van God over de gehele wereld te bewonderen zal zijn”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 34

In de woorden van de goddelijke openbaring ligt volkomen deze waarheid vervat: dat de mens, naar het beeld van God gemaakt, door zijn arbeid deelneemt aan het werk van de Schepper en naar de mate van zijn eigen mogelijkheden in zekere zin doorgaat dit werk uit te voeren en te voltooien, terwijl hij de rijkdom en de goederen die in de hele schepping opgesloten liggen steeds meer doorgrondt. Dit vinden wij al helemaal in het begin van de heilige Schrift, namelijk in het boek Genesis, waar de hele scheppingsactiviteit getoond wordt als een “arbeid” van God, die in “zes dagen” Vgl. Gen. 2, 2 Vgl. Ex. 20, 8.11 Vgl. Deut. 5, 12 voltooid wordt, opdat Hij op de zevende dag “zou rusten”. Vgl. Gen. 2, 3 Maar ook in het laatste boek van de heilige Schrift weerklinkt diezelfde eerbied voor de werken die God verricht heeft door zijn “arbeid” als Schepper, als de uitroep gehoord wordt: “Groot en wonderbaar zijn uw daden, Heer, God, Albeheerser”, (Openb. 15, 3) precies zoals het boek Genesis, dat het verhaal van de schepping van iedere dag met deze woorden besluit: “En God zag dat het goed was”. (Gen. 1, 4.10.12.18.21.25.31)

Deze beschrijving van de schepping, die wij al in het eerste hoofdstuk van het boek Genesis vinden, is in zekere zin het eerste “evangelie van de arbeid”. Want zij laat zien waarin de waardigheid van de arbeid bestaat: ze leert immers dat de mens door te arbeiden God moet navolgen als zijn Schepper, omdat hij alleen in zich die bijzondere gelijkenis met Hem vertoont. De mens moet God navolgen zowel door te arbeiden als door te rusten, aangezien God zelf zijn eigen scheppingsactiviteit heeft willen tonen in de vorm van arbeid en rust. Deze arbeid van God zet zich altijd in de wereld voort, zoals de woorden van Christus getuigen: “Mijn Vader is tot op de dag van vandaag voortdurend aan het werk...” (Joh. 5, 17): Hij werkt door zijn scheppingskracht bij het in stand houden van de wereld die Hij uit het niets heeft geschapen; Hij werkt door zijn heilskracht in de geesten van de mensen, die Hij van het begin af aan heeft voorbestemd tot “rust” (Hebr. 4, 1.9-10) samen met Hem “in het huis van de Vader”. (Joh. 14, 2) Daarom ook eist de menselijke arbeid niet alleen de rust “op de zevende dag” (Deut. 5, 12)(Ex. 20, 8-12); hij kan ook niet en zelfs nog veel minder alleen maar bestaan in de uitoefening van menselijke kracht in uiterlijke daden; want hij moet als ware een innerlijke ruimte laten waarin de mens zich, om vollediger te worden wat God wil dat hij wordt, op die “rust” voorbereidt, die de Heer voor zijn dienaren en vrienden reserveert. Vgl. Mt. 15, 21

Daarom is het nodig dat dit bewustzijn – dat de menselijke arbeid een deelname aan het werk van God is – ook doordringt – zoals het concilie voorhoudt – tot “de echt dagelijkse werkzaamheden. Want de mannen en vrouwen die in hun zorg voor het levensonderhoud van zichzelf en hun gezin een dergelijke activiteit aan de dag leggen, dat zij de maatschappij een reële dienst bewijzen, kunnen terecht menen, dat zij door hun werkzaamheid het werk van de Schepper verder uitbouwen, de belangen van hun medemensen behartigen en door hun persoonlijke toeleg het hunne bijdragen tot de vervulling van het goddelijke plan in de geschiedenis”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 34

Deze christelijke spiritualiteit van de arbeid moet daarom als het ware een erfdeel worden waaraan allen kunnen deelnemen; vooral in deze tijd dient de spiritualiteit van de arbeid die rijpheid te tonen die de bezorgdheid en benauwenis van alle geesten en harten vereisen: “Verre van te menen, dat de werken die de mensen door hun natuurlijke talenten en werkkracht presteren aan de macht van God tegengesteld zijn en dat het redelijk schepsel een soort concurrent van de Schepper wordt, zijn de christenen er derhalve van overtuigd, dat de overwinningen van de mensheid veeleer een teken zijn van de grootheid van God en de vrucht van zijn onuitsprekelijk raadsbesluit. Naarmate nu de macht van de mensen groeit, des te verder verbreidt zich hun verantwoordelijkheid, zowel van de enkeling als van de gemeenschap. En dus blijkt wel, dat door de christelijke boodschap de mensen niet worden afgehouden van de uitbouw van de wereld, noch worden gedreven tot verwaarlozing van het welzijn van hun gelijken, maar eerder het metterdaad als een dwingender plicht beschouwen om dit werk te verrichten.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 34

Bovendien vormt dit bewustzijn – dat de mens door zijn arbeid deelneemt aan het scheppingswerk – het grootste motief om deze arbeid in allerlei sectoren te ondernemen. In de constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
lezen wij: “De gelovigen moeten dus de binnenste wezenskern van heel de schepping, haar waarde en haar gerichtheid naar de lof van God erkennen en ook door hun werkzaamheid op het vlak van de wereld elkaar tot heiliger leven behulpzaam zijn, zodat de wereld, met de Geest van Christus doordrenkt, in gerechtigheid, liefde en vrede haar einddoel doelmatiger zou bereiken... Door hun bekwaamheid in de profane vakken en door hun activiteit, die dank zij de genade van Christus inwendig veredeld wordt, dragen zij er krachtig toe bij om de geschapen waarden volgens de beschikking van de Schepper en in het licht van zijn woord te ontwikkelen, door hun menselijke arbeid, hun technische vaardigheid, hun hoofse cultuur...”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 36

Deze waarheid, dat de mens door zijn arbeid deelneemt aan het werk van God zelf, zijn Schepper, is door Jezus Christus op buitengewone wijze uitgedragen, door die Jezus namelijk waarover zich vele van zijn eerste toehoorders in de stad Nazareth verwonderden met de woorden: “Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is?... Is dat niet de timmerman?” (Mc. 6, 2.3) In waarheid heeft Jezus de “blijde boodschap” die Hem toevertrouwd was, de woorden van de eeuwige Wijsheid, niet alleen gepreekt maar vooral door zijn daden in vervulling doen gaan. Daarom was het ook een “evangelie van de arbeid”, omdat Degene die het verkondigde zelf een arbeider was, een timmerman zoals Jozef van Nazareth. Vgl. Mt. 13, 55 En hoewel wij in zijn woorden geen speciale opdracht vinden om te werken – maar eerder een keer een verbod om zich te veel zorgen te maken over arbeid en levensonderhoud Vgl. Mt. 6, 25-34 – toch is die welsprekendheid van het leven van Christus volkomen ondubbelzinnig: Hij hoort bij de arbeiderswereld en toont eerbied en hoogachting voor de menselijke arbeid; men kan zelfs nog meer zeggen: Hij beziet deze arbeid en de verschillende vormen ervan met liefde, omdat Hij in iedere vorm een variant in de gelijkenis van de mens met God, de Schepper en Vader, ziet. Heeft Hijzelf niet gezegd: “Mijn Vader is de wijnbouwer”, (Joh. 15, 1) en heeft Hij niet op allerlei manieren die primaire waarheid over de arbeid in zijn leer overgenomen, die reeds in de hele traditie van het Oude Testament vanaf het boek Genesis verkondigd wordt?

In de boeken van het Oude Testament komen veel verwijzingen voor naar de menselijke arbeid en de afzonderlijke beroepen die door de mens worden beoefend: zoals bijvoorbeeld de dokter, Vgl. Sir. 38, 1 de apotheker, Vgl. Sir. 38, 4-8 de timmerman en kunstenaar, Vgl. Ex. 31, 1-5 Vgl. Sir. 38, 27 de smid, Vgl. Gen. 4, 22 Vgl. Jes. 44, 12 de pottenbakker Vgl. Jer. 18, 3-4 Vgl. Sir. 38, 29-30 – de laatste twee beroepen kan men tegenwoordig toepassen op de arbeiders in de ijzer- en staalindustrie -, de landbouwer, Vgl. Gen. 9, 20 Vgl. Jes. 5, 1-2 de geleerde, Vgl. Pred. 12, 9-12 Vgl. Sir. 39, 1-8 de zeeman, Vgl. Ps. 107, 23-30 Vgl. Wijsh. 14, 2-3a de architect, Vgl. Gen. 11, 3 Vgl. 2 Kon. 12, 12-13 Vgl. 2 Kon. 22, 5-6 de musicus, Vgl. Gen. 4, 21 de herder, Vgl. Gen. 4, 2 Vgl. Gen. 37, 3 Vgl. Ex. 3, 1 Vgl. 1 Sam. 16, 11 en de visser. Vgl. Ez. 47, 10 Bekend zijn ook de mooie uitspraken over de arbeid van de vrouw. Vgl. Spr. 31, 15-27 Verder noemt Jezus Christus in zijn parabels over het Rijk Gods voortdurend de menselijke arbeid: van de herder, Vgl. Joh. 10, 1-16 de landbouwer, Vgl. Mc. 12, 1-12 de dokter, Vgl. Lc. 4, 23 de zaaier, Vgl. Mc. 4, 1-9 de huisvader, Vgl. Mt. 13, 52 de knecht, Vgl. Mt. 24, 45 Vgl. Lc. 12, 42-48 de rentmeester, Vgl. Lc. 16, 1-8 de visser, Vgl. Mt. 13, 47-50 de koopman, Vgl. Mt. 13, 45-46 de arbeider. Vgl. Mt. 20, 1-16 Hij spreekt ook over de verschillende taken van de vrouwen. Vgl. Mt. 13, 33 Vgl. Lc. 15, 8-9 Het apostolaat illustreert Hij met de gelijkenis van de handenarbeid van de maaiers Vgl. Mt. 9, 37 Vgl. Joh. 4, 35-38 of de vissers. Vgl. Mt. 4, 19 Tenslotte vermeldt Hij ook de geleerden. Vgl. Mt. 13, 52

Deze leer van Christus over de arbeid, die steunt op het voorbeeld van zijn eigen leven in de stad Nazareth, wordt op uitstekende wijze als door een echo herhaald in de leer van de apostel Paulus. Want hij beroemde zich erop dat hij in zijn beroep werkte (waarschijnlijk was hij tentenmaker Vgl. Hand. 18, 3 ) en dat hij daarom zelfs als apostel door zijn eigen arbeid in zijn levensonderhoud kon voorzien. Vgl. Hand. 20, 34-35 “Wij hebben... niemands brood om niets gegeten. Dag en nacht hebben wij gearbeid, met veel inspanning en moeite, om niemand van u tot last te zijn.” (2 Tess. 3, 7-8, (St. Paulus erkent dat de predikers van het Evangelie recht hebben om aan te nemen wat voor hun levensonderhoud noodzakelijk is)) Vgl. 1 Kor. 9, 6-14 Vgl. Gal. 6, 6 Vgl. 2 Tess. 3, 9 Vgl. Lc. 10, 7 Hieruit vloeien zijn instructies voort met betrekking tot de kwestie van de arbeid, die het karakter van een aansporing en een bevel hebben. Aan de Tessalonicenzen schrijft hij: “In de naam van de Heer Jezus Christus gebieden en vermanen wij zulke mensen, dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen.” (2 Tess. 3, 12) Als de apostel opmerkt “dat sommigen... werkeloos rondhangen”, (2 Tess. 3, 11) aarzelt hij niet in dezelfde context te zeggen: “Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten” (2 Tess. 3, 10). Maar op een andere plaats vermaant hij eerder: “Verricht uw werk welgemoed voor de Heer, niet voor de mensen, in de overtuiging dat gij van de Heer als beloning het erfdeel zult ontvangen” (Kol. 3, 23-24).

Zoals duidelijk is, hebben de instructies van de apostel van de heidenen het grootste gewicht en als het ware een sleutelbetekenis voor de moraalleer en spiritualiteit van de menselijke arbeid. Ze zijn immers een uitstekende aanvulling van dat grote, zij het eenvoudige en bescheiden, “evangelie van de arbeid”, dat wij in het leven en de parabels van Christus tegenkomen, in wat Christus namelijk zelf “gedaan en geleerd heeft”. (Hand. 1, 1)

In de geest van deze schitterende en lichtende voorbeelden, die uit de Bron zelf voortvloeien, heeft de Kerk altijd geleerd wat wij in moderne bewoordingen in de leerstellingen van het Tweede Vaticaans Concilie terugvinden: “Zoals nu de menselijke activiteit uit de mens voortkomt, zo wordt ze ook geordend op de mens. Want de mens verandert bij zijn werk niet alleen de dingen en de samenleving, maar hij vervolmaakt ook zichzelf. Veel leert hij, zijn mogelijkheden ontwikkelt hij, buiten en boven zichzelf maakt hij voortgang. Als men een dergelijke uitgroei goed verstaat, is ze van meer waarde dan het bijeen garen van materiële rijkdom...

En daarom is de norm voor de menselijke activiteiten, dat zij naar het plan van God en volgens zijn wil overeenstemmen met het authentieke welzijn van de mensheid en de mens de mogelijkheden bieden, privé zowel als in de gemeenschap, zijn volledige roeping te behartigen en haar voluit te realiseren.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 35

Binnen een dergelijke visie op de waarde van de menselijke arbeid, d.w.z. binnen een dergelijke spiritualiteit van de arbeid, wordt volkomen duidelijk wat men op dezelfde plaats in de pastorale constitutie van het concilie kan lezen over de kwestie van de juiste betekenis van de vooruitgang: “De mens is meer waard om wat hij is, dan om wat hij heeft. Zo heeft eveneens alles wat de mensen ondernemen om een grotere rechtvaardigheid, een betere medemenselijkheid en een meer humane ordening in de sociale verhouding te bereiken meer waarde dan technische vooruitgang. Want deze vooruitgang kan wel als het ware het materiaal verschaffen voor de menselijke ontwikkeling, maar alleen op zichzelf kan ze deze volstrekt niet realiseren.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 35
Deze leer over de kwestie van de vooruitgang en ontwikkeling – een probleem dat de gedachten van de mensen van onze tijd zozeer in beslag neemt – kan alleen maar begrepen worden als het resultaat van een beproefde spiritualiteit van de menselijke arbeid en kan slechts via een dergelijke spiritualiteit gerealiseerd en in praktijk gebracht worden. Bovendien is het een leer en gedragslijn die volkomen in het “evangelie van de arbeid” geworteld is.

Er is nog een ander aspect van de menselijke arbeid, dat tevens zijn wezenlijke dimensie betekent, en dat diep doordrongen is van de spiritualiteit die op het Evangelie steunt. Alle arbeid – zowel handen- als geestesarbeid – is wezenlijk verbonden met afmatting. Het boek Genesis drukt dit op zeer indringende manier uit, als het de oorspronkelijke zegening van de arbeid, die reeds opgesloten ligt in het mysterie van de schepping en die samenhangt met de verheffing van de mens als beeld van God, tegenover de vervloeking stelt die de zonde met zich heeft meegebracht: door die zonde “zal de grond vervloekt zijn omwille van u! Zwoegend zult gij van hem eten, alle dagen van uw leven”. (Gen. 3, 17) Deze arbeid en smart wijzen de weg aan die het menselijk leven op aarde zal gaan en bevatten de boodschap van de dood: “In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt genomen...” (Gen. 3, 19) Als een echo herhaalt de schrijver van één van de Wijsheidsboeken deze woorden: “Maar toen ik terugzag op alles wat ik gepresteerd had en op al de moeite die mij dat gekost had, stelde ik vast: het is allemaal ijdel en grijpen naar de wind.” (Pred. 2, 11) Er is werkelijk geen mens op aarde die deze woorden niet op zichzelf kan toepassen.

In zekere zin spreekt het Evangelie zich ook hierover uit als zijn laatste woord in het Paasmysterie van Jezus Christus. Ook hier kan men een antwoord vinden op deze zo ernstige vragen over de spiritualiteit van de menselijke arbeid. Want in het Paasmysterie vindt men het kruis van Christus, zijn gehoorzaamheid tot de dood, die de apostel Paulus stelt tegenover de ongehoorzaamheid die van het begin af aan de geschiedenis van de mens op aarde tot een last heeft gemaakt. Vgl. Rom. 5, 19 Dit mysterie omvat ook de verheffing van Christus, die via de dood aan het kruis bij de verrijzenis naar zijn leerlingen terugkeert met de macht van de heilige Geest.

Het zweet en de afmatting die de arbeid wezenlijk met zich meebrengt in de huidige situatie waarin de mens zich bevindt, geven aan de christen en zelfs aan ieder mens die geroepen is om Christus te volgen, de mogelijkheid om door de liefde deel te nemen aan het werk dat Christus is komen verrichten. Vgl. Joh. 17, 4 Dit heilswerk komt tot stand door middel van het lijden en de dood aan het kruis. Daarom werkt de mens die de afmatting van de arbeid samen met de voor ons aan het kruis genagelde Christus draagt, in zekere zin met de Zoon van God mee aan de verlossing van het menselijk geslacht. Hij toont zich bovendien een ware leerling van Jezus in het dagelijks dragen van zijn kruis Vgl. Lc. 9, 23 in de werkzaamheden die hij volgens zijn bestemming moet verrichten.

Christus onderging “voor ons allen, zondaars,... de dood en door zijn voorbeeld leert Hij, dat men ook het kruis moet dragen dat het vlees en de wereld op de schouders leggen van hen die vrede en rechtvaardigheid zoeken”. Maar tegelijkertijd is Hij “door zijn verrijzenis... Heer geworden, de Christus, aan wie alle macht is gegeven in de hemel en op aarde. Door de invloed van zijn Geest werkt Hij nu in de harten van de mensen en... bezielt, zuivert en versterkt Hij ook die edelmoedige gesteldheid waarin de mensheid poogt haar eigen bestaan nog meer menselijk te maken en de gehele wereld aan dit doel ondergeschikt te maken”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 38

In de menselijke arbeid vindt de christen een deeltje van het kruis van Christus en aanvaardt hij dit in dezelfde geest waarin Christus zijn kruis voor ons heeft aanvaard. Dank zij het licht dat uit de verrijzenis van Christus tot ons doordringt, nemen wij altijd een licht waar van het nieuwe leven, van nieuwe waarden, dat als het ware “nieuwe hemelen en een nieuwe aarde” (2 Pt. 3, 13) aankondigt, waaraan de mens en de wereld via de afmatting van de arbeid deelhebben: dóór deze afmatting en nooit zonder haar. Aan de ene kant bevestigt dit de noodzaak van het kruis in de spiritualiteit van de menselijke arbeid, aan de andere kant ontspringt in dit kruis en deze afmatting een nieuwe waarde, die haar oorsprong vindt in de arbeid zelf: in de arbeid die totaal en in al zijn aspecten doorschouwd is, maar nooit zonder deze arbeid.

Is deze nieuwe waarde – vrucht van de menselijke arbeid – al niet een klein deeltje van die “nieuwe aarde”, waar gerechtigheid woont? Vgl. 2 Pt. 3, 13 Maar wat is de band met de verrijzenis van Christus, als het waar is dat de veelvuldige afmatting van de menselijke arbeid een deeltje is van het kruis van Christus? Ook op deze vraag probeert het concilie een antwoord te geven in het licht van de bronnen zelf van het geopenbaarde woord: “Wel worden wij vermaand, dat het de mens niets baat, als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest. Vgl. Lc. 9, 25 Toch moet de verwachting van een nieuwe aarde de bezorgdheid om deze aarde uit te bouwen niet afzwakken, maar eerder aanwakkeren; want hier groeit dat lichaam van de nieuwe mensenfamilie dat al in staat is om enigermate een voorafschaduwing van het eindrijk te geven. Al moet de aardse vooruitgang dus zorgvuldig worden onderscheiden van de groei van het rijk van Christus, toch is hij in het rijk van God ten zeerste betrokken, in zoverre hij kan bijdragen tot een betere ordening van de mensengemeenschap.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 39

In deze beschouwingen over de menselijke arbeid heb ik geprobeerd alles naar voren te brengen wat noodzakelijk lijkt, omdat door de arbeid niet alleen de “vruchten van... onze inspanning” op aarde verdubbeld moet worden, maar ook de menselijke waardigheid, de broederlijkheid en de vrijheid. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 39 Het is nodig dat iedere christen die het woord van de levende God hoort en die arbeid met gebed verenigt, weet welke plaats zijn arbeid uiteindelijk inneemt, niet alleen in de aardse vooruitgang, maar ook in de groei van het rijk van God, waartoe wij allen geroepen worden door de kracht van de heilige Geest en de woorden van het Evangelie.

Nu ik deze beschouwing afsluit, verleen ik graag en met al mijn liefde mijn apostolische zegen, de voorbode van hemelse gaven en hulp, aan u, eerbiedwaardige broeders, en beminde zonen en dochters.

Deze encycliek, die volgens mijn bedoeling op 15 mei jl. gepubliceerd had moeten worden, bij de negentigste verjaardag van de encycliek Paus Leo XIII - Encycliek
Rerum Novarum
Over kapitaal en arbeid
(15 mei 1891)
, heb ik pas na mijn vertrek uit het ziekenhuis de definitieve eindredactie kunnen geven.

Gegeven te Castel Gandolfo, 14 september, op het feest van de Kruisverheffing, in het jaar 1981, het derde van mijn pontificaat.

JOHANNES PAULUS II

Document

Naam: LABOREM EXERCENS
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1981
Copyrights: © 1985, Stg. Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 4 december 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam