• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Als de arbeid – in de vele betekenissen van dit woord – een taak of plicht is, is hij tegelijkertijd ook de bron van de rechten van de arbeider zelf. Deze rechten moeten nu onderzocht worden in de brede context van de mensenrechten, die de mens van nature eigen zijn en waarvan er vele reeds in allerlei internationale instanties zijn afgekondigd en door afzonderlijke staten steeds meer voor de eigen burgers gegarandeerd worden. Het in acht nemen van dit grote geheel van mensenrechten vormt de eerste voorwaarden voor de vrede in de moderne wereld: voor de vrede, zeg ik, zowel binnen de afzonderlijke naties en gemeenschappen als in de internationale betrekkingen, precies zoals herhaaldelijk door het leergezag van de Kerk is opgemerkt, vooral sinds het verschijnen van de encycliek H. Paus Johannes XXIII - Encycliek
Pacem in Terris
Vrede op aarde
(11 april 1963)
. De mensenrechten die uit de arbeid voortvloeien, vormen een onderdeel van het grotere geheel van deze primaire rechten van de persoon.

In dit grote geheel hebben die rechten een bijzonder karakter welke beantwoorden aan de hierboven beschreven eigen aard van de menselijke arbeid; daarom moet men ze volgens deze hun eigen aard bezien. Zoals gezegd is de arbeid een taak, namelijk een plicht van de mens in de vele betekenissen van dit woord. De mens moet arbeiden, zowel omdat dit hem door de Schepper is voorgeschreven als omwille van zijn eigen menszijn, dat voor zijn onderhoud en vooruitgang arbeid eist. De mens moet werken voor zijn evenmens, met name voor zijn gezin, maar ook voor de maatschappij waartoe hij behoort, voor zijn volk waarvan hij een zoon of dochter is, voor het hele menselijke geslacht waarvan hij lid is, omdat hij tegelijk erfgenaam is van de arbeid van vroegere generaties en medebouwer aan de toekomst van degenen die in de loop van de menselijke geschiedenis na hem geboren zullen worden. Dit alle vormt een morele verplichting tot werken, in de meest brede zin van het woord. Terwijl ik dus de morele rechten van ieder mens moet beschouwen met het oog op zijn arbeid, omdat rechten met deze verplichting tot arbeid corresponderen, moet ik steeds die grote context van situaties en reële omstandigheden voor ogen houden, waarin de arbeid van iedere werkende mens naar buiten blijkt.

Als ik spreek over de plicht tot arbeid en de rechten van de arbeider die met deze taak gepaard gaan, denk ik in de eerste plaats aan de relatie tussen de directe of indirecte werkgever en de arbeider zelf.

Het onderscheid tussen directe en indirecte werkgever is van zeer groot belang, hetzij men let op de juiste organisatie van het werk of op de mogelijkheid dat rechtvaardige of onrechtvaardige verhoudingen op het gebied van de arbeid kunnen voorkomen. Onder directe werkgever verstaat men die mens of dat instituut waarmee de arbeider rechtstreeks onder bepaalde voorwaarden een arbeidscontract sluit; onder indirecte werkgever verstaat men allerlei andere aparte factoren buiten de directe werkgever, die een zekere invloed hebben op de manier waarop het arbeidscontract wordt opgesteld of min of meer rechtvaardige voorwaarden worden aangebracht, die van invloed zijn op het gebied van de arbeid.

Document

Naam: LABOREM EXERCENS
Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 september 1981
Copyrights: © 1985, Stg. Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 12 maart 2018

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam