• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

NIEUWJAARSTOESPRAAK TOT HET CORPS DIPLOMATIQUE (1967)

Geachte deken, excellenties, mijne heren,

Het gezamenlijk eerbewijs van het corps diplomatique op de drempel van een nieuw jaar heeft het karakter van een bewogen plechtigheid waarvoor Wij altijd zeer gevoelig zijn.

Al hebben bijzondere omstandigheden ons op het Kerstfeest beroofd van de vreugde om u te betrekken in de viering van onze nachtmis, toch willen wij, dat ons eerste woord vandaag de uiting zal zijn van onze dankbaarheid voor de welwillendheid waarmee gij hebt willen afzien van wat uw deken zojuist uw 'traditioneel voorrecht' heeft genoemd ten gunste van een beproefde stad. In plaats van de stilte en de duisternis van de Kerstnacht, schijnt derhalve het grote licht van de Epifanie bij de ontmoeting van de paus. met de vertegenwoordigers van de naties. Waarom zouden wij niet de aandacht vestigen op bepaalde suggesties die dit samenvallen meebrengt: waren de wijzen die gekomen zijn om het Kind van de kribbe te eren niet een voorafbeelding van de gezamenlijke volken die tot het geloof geroepen zijn? 'Wij hebben zijn ster in het oosten gezien - zeggen deze geheimzinnige personen - en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen' (Mt. 2, 2).

Het licht dat op de dag van de geboorte van het goddelijk Kind is opgegaan boven de wereld, schittert niet alleen voor een bepaald bevoorrecht volk: evenals het licht van de zon moet het de gehele aarde van de mensen verlichten en herscheppen. Het evangelie, de 'goede boodschap' van het heil, is krachtens zijn natuur een universeel goed dat bestemd is voor allen zonder uitzondering.

De Kerk, die van Christus het erfdeel heeft ontvangen en de zending om in de wereld zijn licht te verspreiden, is zich bewust van de noodzaak maar ook van de moeilijkheden van deze taak. Zij moet in de loop van de eeuwen ongeschonden de onveranderlijke boodschap bewaren die haar is toevertrouwd en tegelijkertijd moet zij haar doorgeven aan de opeenvolgende generaties in een wereld die voortdurend verandert en zich ontwikkelt. En wat te zeggen, als deze veranderingen zo radicaal en zo snel zijn als in onze tijd? Wat gaat de houding van de Kerk zijn ten overstaan van deze wereld in ontwikkeling? Men kan zich meerdere hypothesen voorstellen, die sommigen niet aarzelen aan het leergezag van de Kerk voor te stellen als de enig aanvaardbare richtlijnen van haar werking in de hedendaagse wereld.

Sommigen denken dat de trouw aan het erfgoed dat de Kerk heeft ontvangen haar een gereserveerde of zelfs een weigerachtige houding ten opzichte van de moderne wereld moet doen aannemen. Is de Kerk in feite niet geheel gericht op een andere wereld, die geheel verschilt van deze: de wereld van het hiernamaals, de hemel, waar Christus met zijn heiligen en zijn engelen, de wereld van de geesten en van de geestelijke werkelijkheden in glorie regeert? Wat voor belang zou men kunnen hechten aan deze technische vooruitgang die de trots is van de hedendaagse mens, aan zijn pogingen om de kosmos te verkennen, om gebruik te maken van de krachten, verborgen in het geheim van het atoom, om de structuren van de samenleving te wijzigen? Dit alles is het 'tijdelijke', dat het voorwerp is van de onderzoekingen en van de twisten van de mensenkinderen. Als de Kerk dit alles niet veroordeelt en afwijst, laat zij zich er dan tenminste niet voor interesseren: laat zij zich ervan losmaken, zoals men tegenwoordig zegt, laat zij op haar eigen terrein blijven, die van het geestelijke, het 'zuiver geestelijke'.

Daarentegen zouden anderen wensen, dat de Kerk niet alleen een sympathieke houding aannam ten opzichte van de moderne wereld, maar zich volledig op tijdelijk terrein begaf, zowel sociaal als politiek en economisch, en niet zou aarzelen om, zo nodig, hen te steunen die de rechtvaardigheid in de maatschappij willen doen heersen door haar met geweld te veranderen. Volgens hun mening zouden de Christenen van deze eeuw moeten 'handelen als revolutionairen tot welzijn van de mens'.

De Kerk kan zich geen van beide extreme houdingen eigen maken. Zij kan het tijdelijke haar belangstelling niet onthouden: want het tijdelijke is de activiteit van de mensen, en alles wat de mens raakt, raakt ook de Kerk. Een onstoffelijke Kerk, afgesneden van de wereld, teruggetrokken in de woestijn, zou niet meer de Kerk van Jezus Christus zijn, 'de Kerk van het vlees geworden Woord'. Zij stelt daarentegen van zeer nabij belang in iedere edelmoedige poging die de mensheid wil vooruitbrengen, niet alleen op haar weg naar de hemel, maar ook in haar streven naar het welzijn, de rechtvaardigheid, de vrede en het geluk op aarde.

Van de andere kant kan zij ook niet hen goedkeuren die beweren dit zo edel en zo gewettigd doel te bereiken door de gewelddadige omverwerping van het recht en van de sociale orde. Zij is er zich zeker van bewust door haar leer een 'revolutie' teweeg te brengen, als men hieronder een verandering van de mentaliteit verstaat, een diepgaande wijziging in de hiërarchie van de waarden. Zij ontkent ook niet de aantrekkingskracht welke de idee 'revolutie' - in de zin van plotselinge gewelddadige verandering - altijd uitoefent op zekere geesten die van radicale oplossingen houden: een snelle, energieke en doeltreffende oplossing, menen zij, van het sociale probleem; zij zouden dit niets liever zien dan als 'de enige weg die naar de rechtvaardigheid leidt'.

In werkelijkheid is de revolutionaire actie gewoonlijk de oorzaak van een gehele reeks onrechtvaardigheden en lijden, want, als het geweld eenmaal is losgebroken, is het moeilijk onder controle te houden en vergrijpt het zich zowel aan de mensen als aan de structuren. In de ogen van de Kerk is dit dan ook niet de geschikte oplossing om de rampen voor de maatschappij de wereld uit te helpen.

Derhalve geen onverschilligheid ten opzichte van het concrete leven van de hedendaagse mens en ook niet een zich begeven op de weg van de revolutionaire actie. Op gelijke afstand van deze beide extreme oplossingen staat de houding van de Kerk tegenover de moderne wereld, zoals het Tweede Vaticaanse Concilie in de loop van de jaren van overdenking die wij zojuist onder onze ogen hebben beleefd, heeft vastgesteld; een houding die in twee woorden kan worden samengevat: liefde en dienstbaarheid.

De Kerk stelt zich uit liefde in dienst van de mensen. Zij ziet hen betrokken in moeilijke en opwindende taken om de stof te overheersen, de rijkdommen van de schepping te benutten, de techniek te ontwikkelen, .de menselijke persoonlijkheid waardevoller te maken, de maatschappij een rechtvaardiger aanzien te geven en in haar de eensgezindheid te bevorderen. Zij verheugt zich erover en - volgens de eigen woorden van de pastorale constitutie '2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
' - 'zij waardeert ten zeerste de dynamiek van het huidige levensgetij". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 41 Maar zij weet ook, dat haar de hogere princiepen zijn toevertrouwd die op een bijzondere wijze de geschiedenis van de mensheid kunnen belichten. Zij is zich ervan bewust de gedragsregels en de bronnen van geestelijke energie in handen te houden welke, als ze worden aangewend, aan het maatschappelijk leven van de mensen de veiligheid, de stabiliteit en de vrede kunnen verzekeren: zij biedt de mensen deze schatten aan.

Door zo te handelen, streeft de Kerk geen enkel eigenbelang, geen enkele overheersing na: zij staat in dienst van de maatschappij, waarin haar princiepen als een gist werken.

Als men dit gist vrij zijn inwerking laat uitoefenen, is het resultaat ervan, dat steeds meer een geest van rechtvaardigheid en liefde in de maatschappij binnendringt Het gezin ontvangt van dat ogenblik af een overmaat van stabiliteit, de deelneming van al de burgers aan de taken en aan de verantwoordelijkheden van het gemeenschappelijk leven wordt meer bewust en organisch, de vooruitgang van de moraal en van het beroepsbewustzijn neemt op alle gebied toe.

De structuren van de maatschappij, die door een plotselinge en radicale omwenteling op ruwe en gevaarlijke wijze zouden worden geschokt, worden nu langzamerhand doordrongen van de rechtvaardigheid en de vrijheid. Bovendien doet deze zelfde invloed van het Evangelie liefdadige activiteiten ontstaan waarvan iedereen profiteert: werken van opvoeding, van hulpverlening, van liefdadigheid in dienst van iedereen en in het bijzonder van de zwakkeren, de meest kwetsbaren: kinderen en ouden van dagen, armen en zieken, geëmigreerden en ontheemden: de beste zonen van de Kerk brengen aan allen het geheim van de liefde dat hen bezielt. Niet de gewelddadige revolutie die omverwerpt en verwoest, maar het ware gelaat van de liefde, dat medelijden heeft, verlicht, troost en opwekt.

Deze beginselen en deze activiteit van de Kerk hebben een weldadige invloed - en daarmee zouden wij willen besluiten - op het grote en dramatische probleem van de vrede in de wereld. Zij begunstigen inderdaad een mentaliteit van vrede, zij brengen de geesten ertoe om gewelddadige oplossingen opzij te zetten en de weg van onderhandeling en overeenstemming te bewandelen. En ook daardoor meent de Kerk een niet te verwaarlozen bijdrage te leveren aan de mensheid van onze tijd.

Gij weet beter dan wie ook, dat wij niet ophouden naar ons vermogen mee te werken aan een rechtvaardige en duurzame vrede. Staat ons toe deze gelegenheid aan te grijpen om u te bedanken voor de welwillendheid waarmee u onze initiatieven ontvangt en voor de weerklank die zij, bij uw regeringen vinden.

Geve God, excellenties, mijne heren, dat de verantwoordelijke regeringsleiders en alle mensen van goede wil hiermee op hun beurt zullen instemmen. Zo zal het jaar dat begint langzamerhand die 'opmars naar de vrede' zien waarover uw deken zojuist heeft gesproken. Dit is de wens die wij aan het begin van het jaar uit het diepst van ons hart voor alle volkeren van de wereld formuleren, terwijl wij over u persoonlijk, over uw gezinnen en over de landen die gij zo waardig bij ons vertegenwoordigt de overvloedige zegeningen van de almachtige God afroepen.

Document

Naam: NIEUWJAARSTOESPRAAK TOT HET CORPS DIPLOMATIQUE (1967)
Soort: H. Paus Paulus VI - Toespraak
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 7 januari 1967
Copyrights: © 1967, Katholiek Archief 22e jrg nr 9 p. 233-239
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 20 november 2018

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam