• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De priesters, uit de mensen genomen en voor de mensen aangesteld ten behoeve van hun verhouding tot God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden Vgl. Hebr. 5, 1 , leven met de andere mensen als met hun broeders. Zo heeft ook de Heer Jezus, Gods Zoon, door de Vader als mens gezonden tot de mensen , onder ons gewoond en in alles aan zijn broeders gelijk willen worden, behalve wat betreft de zonde. Vgl. Hebr. 2, 17 Vgl. Hebr. 4, 15 Zijn voorbeeld is reeds gevolgd door de heilige apostelen; en de leraar der heidenen, de heilige Paulus, “bestemd om het Evangelie van God te verkondigen” (Rom. 1, 1), getuigt, dat hij alles voor allen is geworden om allen te reden. Vgl. 1 Kor. 9, 19-23. vv De priesters van het nieuwe Verbond worden weliswaar door hun roeping en wijding in zekere zin binnen het Volk Gods afgezonderd, maar niet om van dit volk of van andere mensen gescheiden te worden, integendeel om zich helemaal te kunnen wijden aan het werk, waartoe de Heer hen roept. Vgl. Hand. 13, 2 Zij kunnen slechts dienaren van Christus zijn door getuigen en uitdelers te zijn van een ander leven, dat uitgaar boven het aardse leven, maar zij kunnen de mensen niet dienen, wanneer zij buiten hun leven en levensomstandigheden zouden blijven. Vgl. Z. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de Kerk, Ecclesiam Suam (6 aug 1964), 42.62-63 Hun dienstwerk zelf eist op een bijzondere titel, dat zij zich niet laten leiden door deze wereld Vgl. Rom. 12, 2 ; maar het eist tevens, dat zij in deze wereld leven onder de mensen, dat zij als goede herders hun schapen leren kennen en ook die, welke niet tot deze schaapsstal behoren, trachten te winnen, opdat ook zij luisteren naar de stem van Christus en het mag worden: één kudde, één herder. Vgl. Joh. 10, 14-16 Voor dit doel zijn van grote waarde de deugden, die in de menselijke samenleving hoog worden aangeslagen, zoals goedheid, eerlijkheid, sterkte van karakter en standvastigheid, voortdurende zorg voor rechtvaardigheid, beleefdheid en andere deugde, die de apostel Paulus aanbeveelt met de woorden: “Houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient”. (Fil. 4, 8) Vgl. H. Polycarpus van Smyrna, Brief aan de Filippenzen, Epist. ad Philippenses. VI, 1: “Ook de priesters moeten goedertieren zijn barmhartig jegens allen, terugvoeren wat is afgedwaald, alle zieken bezoeken, geen weduwe of wees of behoeftige onverzorgd laten, maar steeds bedacht zijn op hetgeen goed is in het oog van God, en de mensen, zich onthouden van alle toorn, menselijk opzicht, onrechtvaardig oordeel, verre blijven van alle hebzucht, niet te gauw iets van iemand geloven, niet te streng in het oordelen, indachtig, dat wij allen onze tol aan de zonde betalen(Ed. X. Funk, Patres Apostolici, I, p. 303. Vertaling: Dr. D. Franses O.F.M., De Apostolische Vaders, Hilversum 1949, blz. 147).

Door de taak van Christus, Hoofd en herder, uit te oefenen overeenkomstig de mate van het hun verleende gezag, brengen de priesters in naam van de bisschop het gezin van God bijeen als een broederlijke gemeenschap, bezield door één geest, en leiden deze tot God, de Vader door Christus in de Geest. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 Voor het uitoefenen van deze bediening evenals voor hun andere taken wordt aan de priesters een geestelijke macht verleend, die hun gegeven wordt om op te bouwen. Vgl. 2 Kor. 10, 8 Vgl. 2 Kor. 13, 10 Bij het opbouwen echter van de Kerk moeten de priesters naar het voorbeeld van de Heer met iedereen omgaan in grote menselijkheid. En zij moeten zich hierbij niet laten leiden door de opvattingen van de mensen Vgl. Gal. 1, 10 , maat door de eisen van de christelijke leer en het christelijk leven, en hen onderrichten en vermanen als hun dierbare kinderen Vgl. 1 Kor. 4, 14 , volgens het woord van de apostel: “Dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in één woord, geef onderricht met groot geduld.” (2 Tim. 4, 2) Vgl. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. II, 34, 3; II, 46, 6; II, 47, 1; Constitutiones Apostolorum, II 47, 1 (ed. F. X. Funk, Didascalia et Constitutiones, I, blz. 116, 142. 143)

Daarom moeten de priesters, als opvoeders in het geloof, ervoor zorgen hetzij persoonlijk hetzij door anderen, dat elk van hun gelovigen door de kracht van de Heilige Geest zijn eigen roeping volgens het Evangelie dieper gaat beleven en komt tot een oprechte en actieve liefde en tot de vrijheid, die Christus ons geschonken heeft. Vgl. Gal. 4, 3 Vgl. Gal. 5, 1.13 De mooiste plechtigheden en de meest bloeiende verenigingen zullen weinig baten, als ze niet de mensen trachten te vormen tot christelijke rijpheid. [[1052|58, 7: “Wat voor nut heeft het dat de muren schitteren van edelstenen, als Christus in den arme van honger dreigt om te komen”: P.L. 22, 584]] Tot dit doel kunnen priesters hen helpen om bij alle gebeurlijkheden, grote en kleine, duidelijk in te zien, wat de omstandigheden van hen vragen en wat de wil van God is. Ook moeten de christenen leren om niet alleen voor zich zelf te leven maar om volgens de eisen van de nieuwe wet der liefde elkaar te dienen met de gaven, zoals ieder die heeft ontvangen Vgl. 1 Petr. 4, 10 , zodat allen hun plichten in de mensengemeenschap op christelijke wijze vervullen.

Ofschoon de priesters ten dienste moeten staan van iedereen, worden hun toch in het bijzonder de armen en de zwakken aanbevolen, omdat de Heer zelf zich zo nauw met hen verbonden toonde Vgl. Mt. 25 34-35 en omdat de evangelieprediking aan deze mensen een teken van het werk van de Messias wordt genoemd. Vgl. Lc. 4, 18 Een bijzondere zorg zullen zij ook besteden aan de jongeren en eveneens aan de gehuwden en aan de vaders en moeders. Het zou goed zijn, dat dezen vriendenclubs vormen, waardoor zij elkaar kunnen helpen om in hun vaak zo moeilijk bestaan gemakkelijker en vollediger als christen te kunnen leven. Laten de priesters eraan denken, dat alle religieuzen, mannen en vrouwen, die in het huis van de Heer een zo uitgelezen groep vormen, een bijzondere aandacht verdienen met het oog op hun geestelijke vooruitgang, tot welzijn van de gehele Kerk. Bovenal zullen zij zorg dragen voor de zieken en de stervenden, door hen te bezoeken en hen in de Heer te sterken. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965). Men zou nog andere categorieën kunnen opnoemen, zoals immigranten, nomaden enz. Over dezen wordt gesproken in dit decreet

De taak van herder beperkt zich echter niet tot de zorg voor de afzonderlijke gelovigen, maar strekt zich uiteraard ook uit tot de opbouw van een echte christelijke gemeenschap. Wil men echter de gemeenschapsgeest naar behoren bevorderen, dan moet deze niet alleen gericht zijn op de plaatselijke Kerk, maar ook op de universele Kerk. De plaatselijke gemeenschap nu mag zich niet alleen bezig houden met haar eigen gelovigen, maar moet zich ook door de missieijver gedrongen voelen om voor alle mensen de weg te openen, die voert naar Christus. In het bijzonder moeten haar de katechumenen en pasgedoopten ter harte gaan, die geleidelijk in de kennis en de praktijk van het christelijk leven moeten worden ingeleid.

De opbouw van een christelijke gemeenschap is echter niet mogelijk zonder dat ze haar oorsprong en middelpunt vindt in de viering van de heilige Eucharistie, die dus het uitgangspunt moet zijn van elke vorming tot gemeenschapsgeest. Vgl. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. II, 59, 1-3: “Bij uw onderricht moet gij het volk bevelen en aansporen de samenkomst geregeld te bezoeken en nooit afwezig te blijven, maar altijd bijeen te komen en de groep niet te verkleinen door weg te blijven en het Lichaam van Christus niet te beroven van een lidmaat... Als ledematen van Christus moogt gij u zelf dus niet aan de samenkomst onttrekken door weg te blijven. Want gij hebt Christus als hoofd die volgens zijn belofte bij u aanwezig is en zich aan u meedeelt; daarom moogt gij u zelf geen schade berokkenen en de Verlosser aan zijn ledematen onttrekken, en zijn Lichaam niet scheuren of verdelen...”(Ed. F.X. Funk, I blz 170) Vgl. Z. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot de deelnemers aan de dertiende week voor pastorale aanpassing, gehouden te Orvieto (6 sept 1963) Wil deze viering oprecht en volledig zinvol zijn, dan moet ze als vrucht hebben allerlei werken van charitas en wederzijds hulpbetoon, missionaire activiteit en verschillende vormen van een christelijk getuigenis.

Bovendien vervult de kerkelijke gemeenschap door haar liefde, gebed voorbeeld en werken van boetvaardigheid de moederlijke taak, de zielen tot Christus te brengen. Want zij is een krachtdadig middel om hun die nog niet geloven, de weg te wijzen naar Christus en zijn Kerk of deze weg te effenen; en voor hen die reeds geloven is zij een stimulans, een voedsel en een steun in de geestelijke strijd.

Bij de opbouw nu van de christengemeenschap staan de priesters nooit in dienst van de een of andere ideologie of menselijke partij, maar als predikers van het Evangelie en als herders van de Kerk zetten zij zich geheel en al in voor de geestelijke groei van het Lichaam van Christus.

De geestelijke gave, die de priesters bij hun wijding hebben ontvangen, bereidt hen niet slechts voor op een beperkte en begrensde zending, maar op een alomvattende en universele heilszending “tot het uiteinde der aarde” (Hand. 1, 8) ; want elke priesterlijke bediening deelt in de universele omvang van dezelfde zending, die Christus aan de apostelen heeft toevertrouwd. Het priesterschap van Christus immers, waaraan de priesters werkelijk deelachtig zijn geworden, is uiteraard gericht op alle volken en alle tijden en kent geen beperking van ras, volk of tijd, zoals reeds door de figuur van Melchisedek op mysterievolle wijze wordt voorafgebeeld. Vgl. Hebr. 7, 3 De priesters mogen dus niet vergeten, dat hun de zorg voor alle kerken ter harte moet gaan. Daarom moeten de priesters van diocesen met een groter aantal roepingen graag bereid zijn om met toestemming of op aansporing van hun ordinaris hun bediening te gaan uitoefenen in landen, missiegebieden of voor werken, die te kampen hebben met gebrek aan priesters.

Derhalve zullen de regels voor incardinatie en excardinatie zó worden herzien, dat dit instituut, hoewel van kracht blijvend, beter beantwoordt aan de pastorale noden van de moderne tijd. En waar redenen van apostolaat dit vorderen, moet niet alleen een aangepaste spreiding van de priesters worden vergemakkelijkt, maar moet men ook een vlotte organisatie bevorderen van bijzondere pastorale werken ten bate van verschillende sociale groeperingen, die tot stand moeten worden gebracht in een bepaalde streek of land over heel de wereld. Tot dit doel kan men gevoeglijk enkele internationale seminaries, speciale bisdommen of persoonlijke prelaturen en andere dergelijke instellingen in het leven roepen, waaraan priesters verbonden of waarin zij geïncardineerd kunnen worden voor het algemeen nut van de gehele Kerk, en dit alles op een wijze, die voor iedere instelling moet worden vastgelegd en steeds met behoud van de rechten der plaatselijke ordinarissen.

Voor zover het mogelijk is, moeten priesters, die naar een nieuw gebied worden gezonden, niet alléén gaan, vooral als zij de taal en de zeden daarvan nog niet voldoende kennen, het is beter, dat zij gaan in groepen van minstens twee of drie, zoals de leerlingen van Christus Vgl. Lc. 10, 1 , zodat zij elkaar tot steun kunnen zijn. Het is ook van belang, grote aandacht te besteden aan hun geestelijk leven en aan hun geestelijke en lichamelijke gezondheid, en men zoeke zoveel mogelijk voor hen een arbeidsterrein en arbeidsomstandigheden, die zijn aangepast aan ieders persoonlijke conditie. Het is insgelijks van groot belang, dat zij die onder een nieuw volk gaan werken, een behoorlijke kennis opdoen niet allen van de taal van dat land, maar ook van het bijzonder psychologisch en sociaal karakter van het volk, waaraan zij nederig dienstbaar willen zijn door zich daarin zo volledig mogelijk in te leven, naar het voorbeeld van de apostel Paulus, die van zichzelf kon zeggen: “Van allen onafhankelijk, heb ik mij aller slaaf gemaakt, om er zoveel mogelijk voor Christus te winnen. Met de joden ben ik jood geworden om de joden te winnen...” (1 Kor. 9, 19-20)

Door het Wijdingssacrament worden de priesters gelijkvormig aan Christus-Priester, als dienaars van het Hoofd, om heel zijn Lichaam, de Kerk te vestigen en uit te bouwen, als medewerkers van het episcopaat. Weliswaar hebben zij reeds zoals alle gelovigen, de wijding van het doopsel ontvangen, waarin hun het teken en de gave is geschonken van een roeping en een genade zó groot, dat zij zelfs in hun menselijke zwakheid Vgl. 2 Kor. 12, 9 naar de volmaaktheid kunnen en moeten streven, volgens het woord van de Heer: “Weest dus volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt is” (Mt. 5, 48). De priesters echten zij op een bijzonder titel verplicht, deze volmaaktheid te verwerven, want zij zijn bij het ontvangen van de wijding op een nieuwe wijze aan God toegewijd en daardoor levende werktuigen geworden van Christus, de eeuwige priester, om zijn wonderbaar werk, dat met goddelijke kracht de gehele mensheid heeft hersteld, door de tijd heen te kunnen voortzetten. Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (20 dec 1935), 15. Omdat dus iedere priester op zijn eigen wijze optreedt in de naam van Christus zelf, ontvangt hij ook een bijzondere genade om bij zijn dienst aan de hem toevertrouwde gelovigen en aan heel het volk Gods, beter de volmaaktheid te kunnen benaderen van Hem, wiens vertegenwoordiger hij is; en door deze genade wordt tevens de zwakheid van het mens-zijn genezen door de heiligheid van Hem, die voor ons is geworden een “heilige, schuldeloze, onbesmette Hogepriester, gescheiden van de zondaars” (Hebr. 7, 26).

Christus die door de Vader is geheiligd of gewijd en in de wereld is gezonden Vgl. Joh. 10, 36 , “heeft zich voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en zichzelf een volk te verwerven, gereinigd en ijverig in goede werken” (Tit. 2, 14), en zó is Hij door zijn lijden in zijn heerlijkheid binnengegaan. Vgl. Lc. 24, 26 Zo ook versterven de priesters gewijd door de zalving van de Heilige Geest en door Christus gezonden, in zich de werken van de zelfzucht en wijden zij zich volledig aan de dienst van de mensen. Langs deze weg kunnen zij uitgroeien tot de volle mannenmaat Vgl. Ef. 4, 13 in de heiligheid waarmee Christus hen heeft verrijkt.

Zij worden derhalve door de uitoefening van de bediening van de Geest en van de gerechtigheid Vgl. 2 Kor. 3, 8-9 versterkt in het leven van de geest, als zij tenminste openstaan voor de Geest van Christus, die hun bezieling en leiding schenkt. Want de heilige handelingen van iedere dag en heel hun bediening die hun bezieling en leiding schenkt. Want de heilige handelingen van iedere dag en heel hun bediening die zij in gemeenschap met de bisschop en de andere priesters uitoefenen, stuwen hen in de richting van een volmaakt leven. Van de andere kant draagt de heiligheid van de priester veel bij tot de vruchtbaarheid van hun bediening. Want, al kan Gods genade ook door onwaardige bedienaars het heilswerk voltrekken, toch geeft God er gewoonlijk de voorkeur aan, zijn wonderwerken te tonen door hen, die meer openstaan voor de stuwing en de leiding van de Heilige Geest en die vanwege hun innige vereniging met Christus en hun heilig leven met de apostel kunnen zeggen: ”Niet ík leef meer, maar Christus is het, die leeft in mij” (Gal. 2, 20).

Daarom wil deze heilige Synode met het oog op de verwezenlijking van haar pastorale doelstellingen: de innerlijke vernieuwing van de Kerk, de verbreiding van het Evangelie over de gehele wereld en de dialoog met de moderne wereld, alle priesters dringend aansporen om met de middelen, door de Kerk aanbevolen Vgl. H. Paus Pius X, Apostolische Exhortatie, Over de heiligheid van de priesters, Haerent animo - Ad Clerum (4 aug 1908) Vgl. Paus Pius XII, Apostolische Exhortatie, Aan geheel de geestelijkheid in vrede de na te streven heiligheid van het priesterlijk leven, Menti Nostrae (23 sept 1950) Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (20 dec 1935) Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Bij gelegenheid van de 100e sterfdag van de H. Pastoor van Ars, Sacerdotii Nostri primordia (1 aug 1959), altijd te blijven streven naar grotere heiligheid om zo steeds meer geschikte werktuigen te worden in dienst van het gehele volk Gods.

Document

Naam: PRESBYTERORUM ORDINIS
Over het leven en dienst van de priester
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0797, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 29 augustus 2016

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam