• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Door het Wijdingssacrament worden de priesters gelijkvormig aan Christus-Priester, als dienaars van het Hoofd, om heel zijn Lichaam, de Kerk te vestigen en uit te bouwen, als medewerkers van het episcopaat. Weliswaar hebben zij reeds zoals alle gelovigen, de wijding van het doopsel ontvangen, waarin hun het teken en de gave is geschonken van een roeping en een genade zó groot, dat zij zelfs in hun menselijke zwakheid Vgl. 2 Kor. 12, 9 naar de volmaaktheid kunnen en moeten streven, volgens het woord van de Heer: “Weest dus volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt is” (Mt. 5, 48). De priesters echten zij op een bijzonder titel verplicht, deze volmaaktheid te verwerven, want zij zijn bij het ontvangen van de wijding op een nieuwe wijze aan God toegewijd en daardoor levende werktuigen geworden van Christus, de eeuwige priester, om zijn wonderbaar werk, dat met goddelijke kracht de gehele mensheid heeft hersteld, door de tijd heen te kunnen voortzetten. Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (20 dec 1935), 15. Omdat dus iedere priester op zijn eigen wijze optreedt in de naam van Christus zelf, ontvangt hij ook een bijzondere genade om bij zijn dienst aan de hem toevertrouwde gelovigen en aan heel het volk Gods, beter de volmaaktheid te kunnen benaderen van Hem, wiens vertegenwoordiger hij is; en door deze genade wordt tevens de zwakheid van het mens-zijn genezen door de heiligheid van Hem, die voor ons is geworden een “heilige, schuldeloze, onbesmette Hogepriester, gescheiden van de zondaars” (Hebr. 7, 26).

Christus die door de Vader is geheiligd of gewijd en in de wereld is gezonden Vgl. Joh. 10, 36 , “heeft zich voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en zichzelf een volk te verwerven, gereinigd en ijverig in goede werken” (Tit. 2, 14), en zó is Hij door zijn lijden in zijn heerlijkheid binnengegaan. Vgl. Lc. 24, 26 Zo ook versterven de priesters gewijd door de zalving van de Heilige Geest en door Christus gezonden, in zich de werken van de zelfzucht en wijden zij zich volledig aan de dienst van de mensen. Langs deze weg kunnen zij uitgroeien tot de volle mannenmaat Vgl. Ef. 4, 13 in de heiligheid waarmee Christus hen heeft verrijkt.

Zij worden derhalve door de uitoefening van de bediening van de Geest en van de gerechtigheid Vgl. 2 Kor. 3, 8-9 versterkt in het leven van de geest, als zij tenminste openstaan voor de Geest van Christus, die hun bezieling en leiding schenkt. Want de heilige handelingen van iedere dag en heel hun bediening die hun bezieling en leiding schenkt. Want de heilige handelingen van iedere dag en heel hun bediening die zij in gemeenschap met de bisschop en de andere priesters uitoefenen, stuwen hen in de richting van een volmaakt leven. Van de andere kant draagt de heiligheid van de priester veel bij tot de vruchtbaarheid van hun bediening. Want, al kan Gods genade ook door onwaardige bedienaars het heilswerk voltrekken, toch geeft God er gewoonlijk de voorkeur aan, zijn wonderwerken te tonen door hen, die meer openstaan voor de stuwing en de leiding van de Heilige Geest en die vanwege hun innige vereniging met Christus en hun heilig leven met de apostel kunnen zeggen: ”Niet ík leef meer, maar Christus is het, die leeft in mij” (Gal. 2, 20).

Daarom wil deze heilige Synode met het oog op de verwezenlijking van haar pastorale doelstellingen: de innerlijke vernieuwing van de Kerk, de verbreiding van het Evangelie over de gehele wereld en de dialoog met de moderne wereld, alle priesters dringend aansporen om met de middelen, door de Kerk aanbevolen Vgl. H. Paus Pius X, Apostolische Exhortatie, Over de heiligheid van de priesters, Haerent animo - Ad Clerum (4 aug 1908) Vgl. Paus Pius XII, Apostolische Exhortatie, Aan geheel de geestelijkheid in vrede de na te streven heiligheid van het priesterlijk leven, Menti Nostrae (23 sept 1950) Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (20 dec 1935) Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Bij gelegenheid van de 100e sterfdag van de H. Pastoor van Ars, Sacerdotii Nostri primordia (1 aug 1959), altijd te blijven streven naar grotere heiligheid om zo steeds meer geschikte werktuigen te worden in dienst van het gehele volk Gods.

De eigen weg voor de priesters om de heiligheid te bereiken is hierin gelegen, dat zij hun verschillende taken loyaal en zonder zich te sparen vervullen in de Geest van Christus.

Als bedienaars van Gods woord lezen en horen zij iedere dag dit woord van God, dat zij aan anderen moeten leren; en als zij het tevens in zichzelf trachten op te nemen, zullen zij steeds volmaaktere leerlingen worden van de Heer, volgens het woord van de apostel Paulus aan Timoteüs: “Neem dit alles ter harte, ga er geheel in op, dan zullen uw vorderingen voor allen zichtbaar zijn. Blijf voortdurend zorg besteden aan u zelf en aan uw onderricht. Zodoende redt gij uzelf en hen, die naar u luisteren” (1 Tim. 4, 15-16). Want zoekende, hoe zij de vrucht van hun overweging beter aan de andere kunnen doorgaven Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II. q. 188, a.7, zullen zij een dieper inzicht krijgen in “de ondoorgrondelijke rijkdom van de Christus” (Ef. 3, 8) en in de veelvoudige wijsheid Gods. Vgl. Ef. 3, 9-10 Wanneer zij voor ogen houden, dat de Heer de harten ontvankelijk maakt Vgl. Hand. 16, 14 en dat de grote kracht niet van hen zelf komt, maar van God [[2 Kor. 4, 7]], zullen zij juist door het verkondigen van het woord nauwer verenigd worden met Christus-Leraar en geleid worden door zijn Geest. Door aldus in gemeenschap te treden met Christus krijgen zij deel aan de liefde van God, waarvan het geheim, dat voor de eeuwen verborgen was Vgl. Ef. 3, 9 , in Christus is geopenbaard.

Als bedienaars van het heilige, vooral bij het offer van de Mis, treden de priesters op bijzondere wijze op in naam van Christus, die zichzelf als slachtoffer heeft gegeven voor de heiliging van de mensen. Dit is voor hen een aansporing om na te volgen wat zij verrichten, om n.l. waar zij het geheim vieren van de dood des Heren, in zich de ondeugden en begeerten te doen sterven. Vgl. Congregatie voor de Riten, C√¶remoniale Episcoporum (17 aug 1886). De priesterwijding. In het geheim van het eucharistische offer, waarin de priesters hun voornaamste taak vervullen, wordt het werk van onze verlossing telkens opnieuw werkelijkheid Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). Gebed over de offergaven, op de negende zondag na Pinksteren., en daarom wordt dringend de dagelijkse viering ervan aanbevolen, die immers een act is van Christus en de Kerk, ook wanneer de gelovigen er niet bij tegenwoordig kunnen zijn. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie, Mysterium Fidei (3 sept 1965), 32-33. “Want iedere Mis, ook al wordt ze privé door de priester gecelebreerd, is toch geen privé-zaak, maar een akt van Christus en de Kerk. De Kerk immers heeft geleerd om in het offer, dat zij opdraagt, zichzelf als een universeel offer op te dragen, en zij past daarin de unieke en oneindige verlossingskracht van het kruisoffer toe op de gehele wereld, tot heil van enkele, maar ook voor dat van de gehele wereld... Daarom sporen wij de priesters, die heel bijzonder onze vreugde en onze kroon uitmaken in de Heer, vaderlijk en dringend aan om... dagelijks waardig en met godsvrucht de Mis te vieren" Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 26-27 Door zich te verenigen met de daad van Christus-Priester offeren de priesters zich zo iedere dag geheel op aan God, en door zich te voeden met het Lichaam van Christus krijgen zij innig deel aan de liefde van Hem, die zich aan de gelovigen als spijs geeft. Eveneens verenigen zij zich bij het toedienen van de sacramenten met de bedoeling en de liefde van Christus. Dit geldt bijzonder voor het sacrament van boetvaardigheid, wanneer zij zich daarvoor altijd en graag beschikbaar stellen, telkens als de gelovigen hiertoe een redelijk verlangen te kennen geven. Bij het bidden van het Goddelijk Officie vertolken zij de stem van de Kerk, die in naam van de gehele mensheid volhardt in het gebed, samen met Christus, die “altijd leeft om hun voorspraak te zijn” (Hebr. 7, 25)

Bij het besturen en leiden van het volk Gods vinden zij in de liefde van de Goede Herder een stimulans om hun leven te geven voor hun schapen Vgl. Joh. 10, 11 en zijn zij ook tot het hoogste offer bereid, op het voorbeeld van de priesters, die ook in onze tijd niet geaarzeld hebben hun leven te geven. Als leermeesters in het geloof, met “de blijde zekerheid... het heiligdom te mogen binnengaan in Jezus’ Bloed” (Hebr. 10, 19), naderen zij tot God “met een oprecht hart en een vast geloof” (Hebr. 10, 22). Zij zijn voor hun gelovigen de getuigen van een vaste hoop Vgl. 2 Kor. 1, 7 om hen in al hun noden te kunnen troosten met de troost, die zij zelf van God ontvangen. Vgl. 2 Kor. 1, 4 Als leiders van de gemeenschap beoefenen zij de ascese, die eigen is aan de zielzorger, door n.l. niet uit te zijn op eigen voordeel en niet hun eigen belang te zoeken, maar dat van de gemeenschap, opdat allen gered worden Vgl. 1 Kor. 10, 33 , en door een voortdurend streven naar de vervolmaking van hun pastoraal werk en hun bereidheid om, zo nodig, nieuwe pastorale methoden ter hand te nemen, onder de leiding van de Geest van liefde, die waait, waar Hij wil. (Joh. 3, 8)

De volmaakte en blijvende onthouding omwille van het koninkrijk der hemelen, die door Christus de Heer is aanbevolen Vgl. Mt. 19, 12 , is in de loop der tijden en ook in onze dagen door vele gelovigen met liefde aanvaard en eervol onderhouden en is door de Kerk vooral voor het priesterleven altijd zeer hoog gewaardeerd. Want ze is een teken van en tevens een prikkel tot de herderlijke liefde en een bijzonder bron van geestelijke vruchtbaarheid in de wereld. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 42 Ze wordt weliswaar niet door het wezen zelf van het priesterschap vereist, zoals blijkt uit de praktijk van de oude Kerk Vgl. 1 Tim. 3, 2-5 Vgl. Tit. 1, 6 en uit de traditie van de oosterse Kerken, waar naast degenen, die evenals alle bisschoppen door een geschenk van Gods genade het celibaat kiezen, ook uitstekende gehuwde priesters zijn. Wanneer dus deze heilige Synode het kerkelijke celibaat aanbeveelt, wil zij geenszins een wijziging aanbrengen in die andere praktijk die in de oosterse Kerken wettig in gebruik is; en zij spoort al degenen, die als gehuwden het priesterschap hebben ontvangen, vol liefde aan, in hun heilige roeping te volharden en hun leven volledig en edelmoedig te blijven besteden aan de hun toevertrouwde gelovigen. Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (20 dec 1935), 56

Het celibaat past echter om velerlei redenen bij het priesterschap. Want de zending van de priester is geheel gewijd aan de dienst van de nieuwe mensheid, die Christus, de overwinnaar van de dood, door zijn Geest in de wereld verwekt en die haar oorsprong heeft “niet uit bloed, noch uit begeerte van het vlees, of de wil van een man, maar uit God” (Joh. 1, 13). Door de maagdelijkheid nu of het celibaat omwille van het koninkrijk de hemelen Vgl. Mt. 19, 12 wijden de priesters zich op een nieuwe en verheven wijze toe aan Christus en blijven zij gemakkelijk met een onverdeeld hart aan Hem gebonden Vgl. 1 Kor. 7, 32-34 , kunnen zij zich in Hem en door Hem vrijer wijden aan de dienst van God en de mensen, zijn zij meer onbelemmerd in hun dienst aan zijn koninkrijk en zijn werk van goddelijke wedergeboorte, en zijn zij aldus beter in staat om in ruimere mate het vaderschap in Christus te ontvangen. Op deze manier zijn zij voor de mensen een getuigenis, dat zij zich onverdeeld willen wijden aan hun ambt, n.l. de gelovigen aan één man te verbinden en hen als een ongerepte maagd tot Christus te voeren. Vgl. 2 Kor. 11, 2 Zo wijzen zij op dat geheimnisvolle huwelijk van de Kerk met haar enige Bruidegom Christus, dat door God in het leven is geroepen en eens ten volle geopenbaard zal worden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 42-44 Vgl. Paus Benedictus XVI, Homilie, Hoogfeest van Maria Tenhemeldopneming - San Tommaso da Villanova, Castel Gandolfo, De aanwezigheid van God in Maria (15 aug 2011), 12 Bovendien worden zij een levend teken van de toekomstige wereld, die reeds aanwezig is door het geloof en de liefde en waarin zij, die verrezen zijn, niet huwen en niet ten huwelijk worden gegeven. Vgl. Lc. 20, 35-36 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (20 dec 1935), 50-56 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over gelofte van de maagdelijkheid, Sacra virginitas (25 mrt 1954), 12-18

Om deze redenen, die een grondslag vinden in het geheim van Christus en in zijn zending, is het celibaat, dat aanvankelijk aan de priesters werd aanbevolen, later in de Latijnse Kerk voor allen, die een heilige wijding willen ontvangen, door een wet verplichtend gesteld. Deze wet wordt voor degenen die voor het priesterschap worden bestemd, door deze heilige Synode opnieuw goedgekeurd en bevestigd, en ze durft in de Geest te vertrouwen, dat de gave van het celibaat, zo passend bij het priesterschap van het nieuwe Verbond, in ruime mate door de Vader zal worden gegeven, als tenminste zij, die door het Wijdingssacrament deel hebben aan het priesterschap van Christus, en ook de gehele Kerk deze gave nederig en vurig afsmeken. Verder spoort deze heilige Synode alle priesters, die in vertrouwen op Gods genade het celibaat vrijwillig hebben aanvaard volgens het voorbeeld van Christus, dringend aan, om er zich edelmoedig en met heel hun hart aan te geven en in deze staat getrouw te volharden. Laten zij een grote waardering hebben voor deze kostbare gave, die hun door de Vader werd geschonken en die door de Heer zo duidelijk wordt geprezen Vgl. Mt. 19, 11 , en laten zij de grote geheimen, die daarin worden uitgedrukt en verwezenlijkt, voor ogen houden. En nu in de wereld van onze tijd zo velen de volmaakte onthouding als iets onmogelijks beschouwen, zullen de priesters met nog grotere nederigheid en volharding samen met de Kerk bidden om de genade, trouw te mogen zijn, een genade, die God nooit weigert aan wie erom vraagt. Tevens zullen zij gebruik maken van alle bovennatuurlijke en natuurlijke middelen, die iedereen ter beschikking staan. Vooral zullen zij niet nalaten, de regels van de ascese in acht te nemen, die steunen op de beproefde ervaring van de Kerk en die in de moderne wereld nog even noodzakelijk zijn als vroeger. Deze heilige Synode vraagt daarom de priesters en niet alleen hen, maar ook alle gelovigen, om grote waarde te hechten aan deze kostbare gave van het priesterlijk celibaat. Laten zij allen God bidden, dat Hij deze gave in overvloed aan zijn Kerk mag blijven schenken.

In een vriendschappelijke en broederlijke omgang met elkaar en met de andere mensen kunnen de priesters leren de menselijke waarden te cultiveren en het geschapene als een gave Gods te waarderen. Levend in de wereld moeten zij echter steeds voor ogen houden dat zij volgens het woord van de Heer, onze Leraar, niet van de wereld zijn. (Joh. 17, 14-16) Door met het aardse om te gaan zonder er in op te gaan Vgl. 1 Kor. 7, 31 , zullen zij de vrijheid verwerven, die hen bevrijdt van alle ongeregelde zorg en hen ontvankelijk maakt voor het beluisteren van Gods stem in het dagelijks leven. Uit deze vrijheid en ontvankelijkheid groeit een geestelijk onderscheidingsvermogen, dat hen de juiste houding doet vinden tegenover de wereld en de aardse werkelijkheden. Deze houding is voor de priesters uiterste belangrijk, omdat immers de zending van de Kerk uitgeoefend wordt te midden van de wereld en omdat de geschapen dingen volstrekt noodzakelijk zijn voor de persoonlijke ontwikkeling van de mens. Laten zij dus dankbaar zijn voor alles wat de hemelse Vader hun schenkt om hun leven behoorlijk te kunnen inrichten. In het licht van het geloof echter moeten zij alles kritisch beschouwen wat zij in hun leven ontmoeten, om een juist gebruik te kunnen maken van de dingen overeenkomstig de wil van God en alles te kunnen afwijzen wat schadelijk is voor hun zending.

Want de priesters, wier “aandeel en erfdeel” (Num. 18, 20) de Heer is, mogen de tijdelijke goederen alleen gebruiken voor die doeleinden, waarvoor men ze volgens de leer van Christus, de Heer, en de bepalingen van de Kerk, mag aanwenden.

De kerkelijke goederen in strikte zin moeten de priesters uiteraard overeenkomstig de kerkelijke wetten beheren, zo mogelijk met de hulp van experts uit de leken; en zij moeten deze goederen altijd besteden voor de doeleinden, waarvoor het de Kerk is toegestaan tijdelijke goederen te bezitten n.l. voor de inrichting van de goddelijke eredienst, een passend levensonderhoud van de geestelijkheid en werken van apostolaat en charitas, speciaal voor de armen. Zie Concilie van Antiochië, can. 25: Mansi 2, 1328 Vgl. Gratianus, Decretum Gratiani - Concordia discordantium Canonum. c. 23, C. 12, q. 1 (ed. Friedberg I, 684-685). De goederen echter die de priesters krijgen bij de uitoefening van een of andere kerkelijke functie, moeten zij, behoudens het particuliere recht Dit doelt vooral op de rechten en gewoonten van de oosterse Kerken., evengoed als de bisschoppen, gebruiken vooral voor hun levensonderhoud en voor het vervullen van de plichten van hun staat; wat overblijft zullen zijgraag besteden ten bate van de Kerk en voor liefdewerken. Zij mogen dus het kerkelijk ambt niet zien als een middel om zich te verrijken en zij mogen de inkomsten van dit ambt niet besteden voor de uitbreiding van hun familiebezit. Concilie van Parijs van 829, can. 15: MGH..., Sect III, Concilia, t. 2. Pars 6, 622; Concilie van Trente, Sess. XXV, De reformatione, cap. I Laten daarom de priesters niet uit zijn op rijkdom Vgl. Ps. 62 ,11 , steeds alle hebzucht vermijden en zich volstrekt onthouden van alle soort handel.

Zij worden zelfs aangespoord tot vrijwillige armoede, om hierdoor duidelijker aan Christus gelijkvormig te worden en met meer innerlijke vrijheid hun heilige bediening te kunnen uitoefenen. Want Christus is om onzentwille arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. Vgl. 2 Kor. 8, 9 De apostelen van hun kant hebben door hun voorbeeld bewezen dat de gave Gods, die om niet geschonken wordt, ook om niet gegeven moet worden Vgl. Hand. 8, 18-25 ; zij wisten armoede te lijden en overvloed te hebben. Vgl. Fil. 4, 12 Maar ook een zeker gemeenschappelijk gebruik van de dingen naar het voorbeeld van de gemeenschap van goederen, die zo geprezen wordt in de geschiedenis van de oude Kerk Vgl. Hand. 2, 42-47 , is een uitstekend middel om de herderlijke liefde te beoefenen. En door deze manier van leven kunnen de priesters de geest van armoede die door Christus wordt aanbevolen, heel geschikt in praktijk brengen.

Geleid door de Geest van de Heer, die onze Verlosser heeft gezalfd en gezonden om aan armen de blijde Boodschap te brengen Vgl. Lc. 4, 18 , moeten de priesters evenals de bisschoppen, alles vermijden wat de armen, hoe dan ook, zou kunnen afstoten, en nog meer dan de andere leerlingen van Christus moeten zij in hun levenswijze alle schijn van ijdelheid vluchten. Laten zij hun woning zo inrichten, dat niemand erdoor wordt afgeschrikt en dat nooit iemand, hoe eenvoudig ook, zich daar niet op zijn gemak voelt.

Document

Naam: PRESBYTERORUM ORDINIS
Over het leven en dienst van de priester
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0797, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 13 februari 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam