• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Inleiding
Omdat de gehele Kerk missionair is en het werk van de evangelisatie een fundamentele plicht van het volk Gods, nodigt de heilige Synode alle gelovigen uit, zich innerlijk diepgaand te vernieuwen, om dan in een levendig bewustzijn van hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor de verbreiding van het Evangelie ook hun eigen aandeel te aanvaarden in het missiewerk onder de volken.
De missieplicht van het gehele Volk Gods
De gelovigen, als ledematen van de levende Christus, bij wie zij zijn ingelijfd en aan wie zij gelijkvormig zijn geworden door het Doopsel, het Vormsel en de Eucharistie, zijn allen verplicht, mee te werken aan de uitbereiding en groei van zijn Lichaam om dit zo spoedig mogelijk tot zijn volheid te brengen Vgl. Ef. 4, 13 .

Daarom moeten alle kinderen van de Kerk een levendig besef hebben van hun verantwoordelijkheid jegens de wereld, zich een echt katholieke geest eigen maken en zich inspannen voor het werk van de evangelisatie. Maar allen moeten voor ogen houden, dat hun eerste en voornaamste plicht met het oog op de uitbreiding van het geloof bestaat in hun leiden van een diep christelijk leven. Want door hun ijver in de dienst van God en door hun liefde jegens anderen zullen zij een nieuwe geestelijke bezieling schenken aan de gehele Kerk, die dan zal verschijnen als een teken, opgeheven onder de volken Vgl. Is. 11, 12 , als "het licht der wereld" (Mt. 5, 14) en "het zout der aarde" (Mt. 5, 13). Dit levensgetuigenis zal gemakkelijker zijn uitwerking hebben, als zij dit afleggen in vereniging met de andere christelijke groeperingen overeenkomstig de normen van het Decreet over het oecumenisme Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 12.

Deze geestelijke vernieuwing zal vanzelf leiden tot spontane gebeden en werken van boetvaardigheid voor het verkrijgen van Gods bevruchtende genade voor het werk van de missionarissen; ze zal missieroepingen doen ontslaan en de hulpmiddelen verschaffen, die de missies nodig hebben. Willen echter alle gelovigen, ook persoonlijk, goed op de hoogte zijn van de huidige situatie van de Kerk in de wereld en de stem horen van al die massa 's die roepen: "Help ons" Vgl. Hand. 16, 9 , dan moet er, ook langs de weg van de moderne publiciteitsmiddelen, een degelijke informatie over de missies worden verstrekt; hierdoor zullen zij de missieactiviteit gaan aanvoelen als een persoonlijke zaak, hun hart openen voor die enorme en diepe nood van zoveel mensen, en in staat zijn hun hulp te bieden.

Vereist is ook een coördinatie van deze berichtgeving en samenwerking met de nationale en internationale organen.

De missplicht van de Christelijke gemeenschappen
Omdat het volk Gods leeft in gemeenschappen, vooral in die van diocees en parochie, en daarin in zekere zin zijn zichtbare uitdrukking vindt, behoren ook deze gemeenschappen getuigenis af te leggen voor Christus ten overstaan van de volken.

De genade van de vernieuwing kan in de gemeenschappen niet groeien, als niet elk van deze gemeenschappen de actieradius van haar liefde uitbreidt tot de grenzen der aarde en evenveel zorg heeft voor hen, die veraf zijn, als voor hen, die haar eigen leden zijn.

Op deze wijze bidt de gehele gemeenschap, werkt zij mee en oefent zij haar activiteit onder de volken uit door middel van haar zonen, die God uitkiest voor deze verheven taak.

Als maar niet tekort gedaan wordt aan het algemene missiewerk, zal het zeer nuttig zijn, contact te onderhouden met de missionarissen, die uit de gemeenschap zelf afkomstig zijn, of met de een of andere parochie of een diocees in de missies, om zo de verbondenheid tussen de gemeenschappen zichtbaar te maken, tot wederzijds geestelijk voordeel.

De missieplicht van de bisschoppen
Alle bisschoppen, als zijnde leden van het bisschoppencollege, dat de opvolger is van het college van de apostelen, zijn gewijd niet alleen voor een bepaald diocees, maar voor het heil van heel de wereld. De opdracht van Christus om het Evangelie te verkondigen aan heel de schepping Vgl. Mc. 16,15 , gaat allereerst en onmiddellijk hén aan samen met Petrus en onder leiding van Petrus. Daaruit ontstaat die gemeenschap en samenwerking van de Kerken, die tegenwoordig zo noodzakelijk is om het werk van de evangelisatie voort te zetten. Krachtens deze gemeenschap hebben de afzonderlijke Kerken de zorg voor alle andere, maken de Kerken elkaar haar noden bekend, delen zij elkaar mee van haar goederen; de uitbreiding immers van het Lichaam van Christus is de taak van het gehele bisschoppencollege. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 23-24.

De bisschop stelt, wanneer hij in zijn diocees, waarmee hij één geheel vormt, het missiewerk op gang brengt, stimuleert en leidt, de missiegeest en de missie-ijver van het volk Gods tegenwoordig en maakt die als het ware zichtbaar, zodat heel het diocees missionair wordt.

Het is de taak van de bisschop, onder zijn volk, vooral onder de zieken en lijdenden, mensen te vinden, die edelmoedig hun gebed en boete aan God opdragen voor de evangelisatie van de wereld; hij zal de roepingen van jonge mensen en clerici tot de missie-instituten van harte aanmoedigen en dankbaar zijn, als God sommigen uitkiest voor het missiewerk van de Kerk. Hij zal de diocesane congregaties aansporen en helpen om een eigen aandeel in het missiewerk te aanvaarden. Hij zal de werken van de missie-instituten onder zijn gelovigen steunen, vooral echter de Pauselijke missiewerken. Want aan de laatstgenoemde moet terecht de eerste plaats worden gegeven, omdat ze het middel zijn om de katholieken vanaf hun jeugd te bezielen met een echt universele en missionaire geest en om op doelmatige wijze de financiële steun te stimuleren ten bate van alle missies, overeenkomstig de noden van elke missie. Vgl. Paus Benedictus XV, Apostolische Brief, Over de verkondiging van het geloof over de gehele wereld, Maximum Illud (30 nov 1919), 34-38 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de Katholieke Missie, Rerum Ecclesiae (28 feb 1926), 71-73 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de bevordering van de Christelijke missie, Evangelii Praecones (2 juni 1951), 65 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei donum (21 apr 1957), 28.

Omdat echter de behoefte aan arbeiders in de wijngaard des Heren met de dag toeneemt en ook de diocesane priesters steeds meer verlangen, deel te nemen aan de evangelisatie van de wereld, wenst de heilige Synode, dat de bisschoppen met het oog op het enorme priestergebrek, waardoor de evangelisatie van talrijke gebieden wordt belemmerd, enkele van hun beste priesters, die zich voor het missiewerk aanbieden, na een behoorlijke voorbereiding uitzenden naar priesterarme diocesen om daar, tenminste voor een zekere tijd, in een geest van dienstbaarheid een missietaak te vervullen.Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei donum (21 apr 1957), 30.

Voor een beter resultaat van de missieactiviteit van de bisschoppen ten bate van de gehele Kerk, is het gewenst, dat de bisschoppenconferenties leidend optreden in alles wat betrekking heeft op een geordende samenwerking in hun eigen gebied. In hun conferenties zullen de bisschoppen spreken over

  • het bestemmen van priesters uit de diocesane geestelijkheid voor de evangelieprediking onder de volken;
  • over een vaste bijdrage, die elk diocees naar verhouding van zijn inkomsten jaarlijks moet geven voor het missiewerk Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 6;
  • over de regeling en de organisatie van de methoden en middelen, die een rechtstreekse steun aan de missie tot doel hebben;
  • over de hulp aan de missie-instituten en aan de seminaries van de diocesane geestelijkheid voor de missies en zo nodig;
  • over de oprichting ervan;
  • over een nauwer contact tussen dergelijke instituten en de diocesen.

Het is eveneens de taak van bisschoppenconferenties, werken te stichten en te bevorderen, waardoor mensen, die om redenen van arbeid en studie uit de missielanden overkomen, broederlijk worden opgenomen en een passende pastorale begeleiding ontvangen. Door hen immers komen de verre volken als het ware nabij en krijgen de vanouds christelijke gemeenschappen een prachtige gelegenheid, een dialoog aan te gaan met de volken, die het Evangelie nog niet hebben vernomen, en door een dienst van liefde en hulp hun het ware gelaat van Christus te tonen. Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei donum (21 apr 1957), 29.

De missieplicht van de priesters
De priesters zijn de vertegenwoordigers van Christus en de medewerkers van het episcopaat in het drievoudig heilig ambt, dat krachtens zijn aard gericht is op de zending van de Kerk Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28. Zij moeten er dus diep van overtuigd zijn, dat door de wijding hun leven ook voor de missies is bestemd. Zij treden door hun dienstwerk, dat zich concentreert in de Eucharistie, die de Kerk tot volmaaktheid brengt, in gemeenschap met Christus, het hoofd, en brengen de anderen tot deze gemeenschap. Daarom mag het hen niet onverschillig laten, dat er nog zoveel ontbreekt aan de volheid van het Lichaam en dat er daarom nog zoveel gedaan moet worden om het steeds meer te doen groeien. Zij zullen derhalve hun werk als zielzorgers zó inrichten, dat het de uitbreiding van het Evangelie onder de niet-christenen ten goede komt.

De priesters moeten in hun zielzorg de ijver voor de evangelisatie van de wereld bij de gelovigen opwekken en in stand houden. Zij zullen dit doen door hen in hun catechese en prediking te onderrichten over de taak, die de Kerk heeft, Christus te prediken aan de volken, door de christelijke gezinnen er op te wijzen, hoe noodzakelijk en hoe eervol het is om onder hun zonen en dochters missieroepingen aan te kweken; door bij de jonge mensen op de scholen en in de katholieke verenigingen de missieijver aan te wakkeren, zodat uit hun midden toekomstige missionarissen voortkomen. Zij zullen de gelovigen leren, voor de missies te bidden en zich niet schamen, hen om stoffelijke bijdragen te vragen en zo als het ware bedelaars te worden voor Christus en het heil van de zielen. Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de Katholieke Missie, Rerum Ecclesiae (28 feb 1926), 72.

De professoren van seminaries en universiteiten zullen de jonge mensen inlichten omtrent de ware situatie van de wereld en de Kerk, om hen de noodzakelijkheid te doen inzien van een grotere intensivering van de evangelisatie onder de niet-christenen en om hun ijver te verhogen. Bij het onderricht in de dogmatiek, de H. Schrift, de moraal en de geschiedenis zullen zij de missionaire elementen, die in deze vakken liggen vervat, belichten om hierdoor in de toekomstige priesters een missiebewustzijn te vormen.

De missieplicht van de Instituten van volmaaktheid
De religieuze instituten, contemplatieve en actieve, hadden tot nu toe en hebben nog steeds het grootste aandeel in de evangelisatie van de wereld. De heilige Synode erkent graag hun verdiensten en dankt God voor de vele offers, die zij hebben gebracht voor de eer van God en de dienst aan de mensen; en zij spoort hen aan, het ondernomen werk onvermoeid voort te zetten in het besef, dat de deugd van liefde, die zij krachtens hun roeping op een meer volmaakte wijze moeten beoefenen, hen stuwt en verplicht tot een echt katholieke geest en arbeid`. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 44.

De instituten met contemplatief leven zijn door hun gebeden, boetedoeningen en lijden van de grootste betekenis voor de bekering van de mensen; want het is God, die, als men Hem erom vraagt, arbeiders zendt om te oogsten Vgl. Mt. 9, 38 , die de harten van de niet-christenen ontvankelijk maakt voor de boodschap van het Evangelie Vgl. Hand.16,14, en die het woord van het heil in hun harten wasdom geeft Vgl. 1 Kor. 3, 7 . Deze instituten worden zelfs uitgenodigd, huizen te stichten in de missiegebieden, gelijk verschillende reeds hebben gedaan, om daar te leven op een wijze, die is aangepast aan de echt godsdienstige tradities van die volken en zó te midden van de niet-christenen een prachtig getuigenis te zijn van de majesteit en de liefde van God en van de eenheid, die tot stand komt in Christus.

De instituten met actief leven, of zij nu een strikt missionair doel hebben of niet, dienen zich ernstig voor God af te vragen, of zij hun activiteit voor de uitbreiding van het Koninkrijk Gods onder de volken niet zouden kunnen intensiveren; of zij sommige taken niet aan anderen zouden kunnen overlaten, zodat zij hun eigen krachten aan de missies kunnen wijden; of zij een arbeid in de missies zouden kunnen beginnen door een aanpassing, zo nodig, van hun constituties, altijd natuurlijk in de geest van hun stichter. Zij moeten overwegen, of hun leden werkelijk zich met al hun krachten inzetten voor het missiewerk en of hun levenswijze een getuigenis is voor het Evangelie, een getuigenis, dat aangepast is aan de aard en de situatie van het volk.

Omdat tenslotte onder de werking van de Heilige Geest de seculiere instituten in de Kerk steeds toenemen, kunnen deze onder het gezag van de bisschop op velerlei wijze vruchtbaar werken in de missies, als een teken van de volledige toewijding aan de evangelisatie van de wereld.

De missieplicht van de leken
De leken werken mee aan het evangelisatiewerk van de Kerk en hebben als getuigen en tegelijk als levende instrumenten deel aan haar heilbrengende zending Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 33.35, vooral wanneer zij door God voor dit werk worden geroepen en door de bisschoppen daarvoor worden bestemd.

In de landen, die reeds christelijk zijn, bestaat de medewerking van de leken aan de evangelisatiearbeid hierin, dat zij bij zichzelf en bij anderen de kennis omtrent de missies en de liefde voor de missies bevorderen, dat zij in hun eigen gezin, in de katholieke verenigingen en op de scholen roepingen weten te wekken en op allerlei wijze de missies steunen door stoffelijke bijdragen, om zó anderen deelachtig te maken aan de gave van het geloof, die zij zelf uit louter genade hebben ontvangen.

In de missiegebieden daarentegen moeten de leken, hetzij vreemdelingen of mensen uit eigen land, onderricht geven op de scholen, de administratie voeren van de materiele zaken, hun medewerking verlenen aan de activiteit van de parochies en het diocees, diverse vormen van lekenapostolaat in het leven roepen en tot ontwikkeling brengen, zodat de gelovigen van de jonge Kerken zo spoedig mogelijk hun eigen plaats kunnen innemen in het leven van de Kerk. Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de bevordering van de Christelijke missie, Evangelii Praecones (2 juni 1951), 30-39 Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, De Opperherder - over de missionerende taak van de Kerk bij de 40e verjaardag van de Apostolische Brief Maximum Illud van Paus Benedictus XV, Princeps Pastorum (28 nov 1959), 24-26.

De leken moeten tenslotte graag hun medewerking verlenen op sociaal-economisch gebied aan de volken in de ontwikkelingslanden. Deze medewerking is des te verdienstelijker naarmate ze meer de vestiging van instellingen beoogt, die betrekking hebben op de basisstructuren van het sociale leven of gericht zijn op de vorming van mensen, die politieke verantwoordelijkheid dragen.

Bijzondere lof verdienen de leken, die aan universiteiten of wetenschappelijke instituten door hun studies op het gebied van de geschiedenis of godsdienstwetenschap de kennis van volken en godsdiensten vooruit brengen en zo de missionarissen helpen en de weg banen voor de dialoog met de niet-christenen.

Zij zullen streven naar een broederlijke samenwerking met de andere christenen, met de niet-christenen en in het bijzonder met de leden van internationale organisaties, waarbij zij steeds dit doel voor ogen moeten houden: dat "de opbouw van de aardse stad rust op de Heer als fundament en op Hem gericht blijft". Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 46.

Voor het vervullen van al deze taken kunnen de leken niet buiten de zo noodzakelijke technische en geestelijke voorbereiding, de zij moeten ontvangen in gespecialiseerde instituten, opdat hun leven een getuigenis voor Christus wordt onder de niet-christenen volgens het woord van de apostel: "Geeft geen aanstoot, noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan Gods Kerk; ook ik tracht in alles allen ter wille te zijn, en zoek niet mijn eigen voordeel, maar dat van de gemeenschap, opdat allen gered worden" (1 Kor.10, 32-33).

Document

Naam: AD GENTES DIVINITUS
Over de missie-activiteit van de Kerk
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0798, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: Dr. M.H. Mulders C.ss.R. en Dr. J. Kahmann C.ss.R.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam