• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De Kerk, gezonden door Christus

De Heer Jezus heeft reeds vanaf het begin "tot zich geroepen, die Hij zelf wilde, en er twaalf aangesteld om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken" (Mc. 3, 13-14) Vgl. Mt. 10, 1-42 . Zo werden de apostelen de kiem van het nieuwe Israël en tevens de oorsprong van de heilige Hiërarchie. Toen vervolgens de Heer door zijn dood en verrijzenis eenmaal in zichzelf de geheimen van ons heil en van het algeheel herstel had voltrokken en bekleed was met alle macht in de hemel en op aarde Vgl. Mt. 28, 18 , heeft Hij, vóór zijn hemelvaart Vgl. Hand. 1, 4-8 zijn Kerk gesticht als het heilssacrament, en de apostelen uitgezonden over de gehele wereld, zoals Hij zelf gezonden was door de Vader Vgl. Joh. 20, 21 . Hij gaf hun de opdracht: "Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en leert hen te onderhouden alles, wat Ik u bevolen heb" (Mt. 28, 19 v.). "Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het Evangelie aan heel de schepping. Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden; maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden" (Mc. 16, 15, v.). Daarom rust op de Kerk de plicht, het geloof en het heil van Christus te verbreiden, zowel op grond van het uitdrukkelijk bevel, dat van de apostelen is overgegaan op de orde der bisschoppen, bijgestaan door de priesters, in eenheid met de opvolger van Petrus, die de opperherder is van de Kerk, alsook op grond van het leven, dat Christus aan zijn ledematen meedeelt: "van Hem uit voltrekt, samengevoegd en samen gehouden door allerlei stuttende geledingen, d.i. door de werking, die ieder deel is toegemeten, het gehele Lichaam de lichaamsgroei tot opbouw van zichzelf in liefde" (Ef. 4, 16). De zending van de Kerk wordt dus volvoerd door de activiteit, waardoor zij, in gehoorzaamheid aan Christus' bevel en gestuwd door de genade en de liefde van de Heilige Geest, ten volle tegenwoordig komt bij alle mensen of volken om hen door het voorbeeld van haar leven en door haar prediking, door de Sacramenten en de andere genademiddelen te brengen tot het geloof, de vrijheid en de vrede van Christus, en hun zo een onbelemmerde en veilige toegang te geven tot de volledige deelname aan het Christusmysterie.

Omdat deze zending de voortzetting is en de ontplooiing, door de geschiedenis heen, van de zending van Christus zelf, die gezonden werd om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen, moet de Kerk onder de stuwing van de Geest van Christus ook de weg van Christus gaan, de weg nl. van armoede, gehoorzaamheid, dienstbaarheid en zelfopoffering tot aan de dood, die Hij door zijn verrijzenis heeft overwonnen. Want in deze hoop zijn alle apostelen hun weg gegaan; zij hebben door veel offers en lijden aangevuld, wat aan de kwellingen van de Christus ontbreekt ten bate van zijn Lichaam, dat de Kerk is Vgl. Kol. 1, 24 . Dikwijls ook was het bloed van de Christenen een zaad Tertullianus, Apologeticum. 50, 13 (P.L. 1, 534; CChr. 1, 171).

De missieactiviteit

Deze taak, die moet worden vervuld door de orde der bisschoppen, met de opvolger van Petrus aan het hoofd, en wel door het gebed en de medewerking der gehele Kerk, is altijd dezelfde, overal en in iedere situatie, al kan de uitvoering ervan naar gelang van de omstandigheden verschillend zijn. De verschillen, die men in deze activiteit van de Kerk bespeurt, vloeien dus niet voort uit de innerlijke aard van haar zending, maar uit de omstandigheden, waarin deze wordt uitgeoefend.

Deze omstandigheden nu hangen af van de Kerk of van de volken, de groeperingen of de mensen, naar wie de zending uitgaat. Want al bezit de Kerk uiteraard alle heilsmiddelen in hun volheid, toch handelt zij niet altijd en niet terstond overeenkomstig deze middelen, en zij kan dit ook niet, maar haar activiteit, die gericht is op de verwezenlijking van Gods plan, kent beginstadia en ontwikkelingsgraden; soms heeft de Kerk zelfs na een gelukkig aanvangssucces een teruggang te betreuren, of blijft zij halverwege staan in een toestand van ontoereikendheid. En wat betreft de mensen, de groeperingen en de volken, de Kerk kan hen slechts geleidelijk aan bereiken en doordringen en hen zo tenslotte opnemen in de katholieke volheid. Natuurlijk moeten aan iedere situatie of toestand geëigende activiteiten en aangepaste hulpmiddelen beantwoorden.

De bijzondere initiatieven, waarmee de Kerk haar evangeliepredikers belast, wanneer dezen uitgaan over de gehele wereld en de opdracht uitvoeren om het Evangelie te prediken en de Kerk te planten te midden van de volken of groeperingen, die nog niet in Christus geloven, worden gewoonlijk "missies" genoemd. Deze worden uitgeoefend door de missieactiviteit, en meestal in bepaalde gebieden, die door de heilige Stoel zijn erkend. Het specifieke doel van deze missieactiviteit is de evangelieprediking en het planten van de Kerk onder de volken of groeperingen, waar zij nog geen wortel heeft geschoten Reeds S. Thomas van Aquino spreekt van de apostolische taak om de Kerk te vestigen: H. Thomas van Aquino, Sententia Libri Ethicorum. I, dist. 16, q. 1, a. 2 ad 2 en ad 4; a. 3 sol H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, q. 43, a. 7, ad 6 H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 106, a. 4, ad 4 Vgl. Paus Benedictus XV, Apostolische Brief, Over de verkondiging van het geloof over de gehele wereld, Maximum Illud (30 nov 1919), 16.30 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de Katholieke Missie, Rerum Ecclesiae (28 feb 1926), 74 Paus Pius XII, Toespraak, Tot de directeuren van de Pauselijke missiegenootschappen (30 apr 1939) Paus Pius XII, Toespraak, Tot de directeuren van de Pauselijke missiegenootschappen (24 juni 1944). A.A.S. 36 (1944) 210 Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Tot de landeigen geestelijkheid (29 juni 1948). A.A.S. 40 (1948) 374 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de bevordering van de Christelijke missie, Evangelii Praecones (2 juni 1951), 22-24 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei donum (21 apr 1957), 15 Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, De Opperherder - over de missionerende taak van de Kerk bij de 40e verjaardag van de Apostolische Brief Maximum Illud van Paus Benedictus XV, Princeps Pastorum (28 nov 1959), 4-5 Vgl. H. Paus Paulus VI, Homilie, "Wie zijn dat?" - bij de Heiligverklaring van de Martelaren van Oeganda, "Hi, qui amicti" (18 okt 1964) Zowel de Pausen als de Vaders en de schrijvers van de scholastiek spreken dikwijls over de uitbreiding van de Kerk: H. Thomas van Aquino, In expositio in Evangelii Mattheus. 16, 28 Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de missiecongregaties, Sancta Dei Civitas (3 dec 1880), 1 Vgl. Paus Benedictus XV, Apostolische Brief, Over de verkondiging van het geloof over de gehele wereld, Maximum Illud (30 nov 1919), 9 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de Katholieke Missie, Rerum Ecclesiae (28 feb 1926), 65. Zo moeten als vrucht van het woord Gods overal ter wereld voldoende landeigen particuliere Kerken worden gevestigd, die met eigen krachten zijn uitgerust en tot volle rijpheid komen. Deze moeten een eigen hiërarchie bezitten, één met het gelovige volk, en voorzien zijn van aan die volken aangepaste middelen voor het leiden van een volledig christelijk leven, en zo moeten zij hun bijdrage leveren tot het welzijn der gehele Kerk. Het voornaamste middel voor deze vestiging is de prediking van het Evangelie van Jezus Christus, waartoe de Heer zijn leerlingen heeft uitgezonden over de gehele wereld, opdat de mensen, herboren door het woord van God Vgl. 1 Pt. 1, 23 , door het Doopsel zouden worden opgenomen in de Kerk, die als het lichaam van het mensgeworden Woord gevoed wordt en leeft door het woord Gods en het eucharistisch Brood Vgl. Hand. 2, 42 .

Deze missieactiviteit van de Kerk kent verschillende stadia, die elkaar soms kruisen: vooreerst het begin of de vestiging, daarna het nieuwe leven of de groeiperiode. Hiermee echter is de missieactiviteit van de Kerk niet ten einde; maar de reeds gevestigde particuliere kerken houden de taak, deze activiteit voort te zetten en het Evangelie te verkondigen aan ieder, die nog buiten de Kerk staat.

Bovendien ondergaan de groeperingen, waaronder de Kerk leeft, ten gevolge van verschillende oorzaken niet zelden diepgaande veranderingen, waaruit geheel nieuwe situaties kunnen ontstaan. De Kerk moet zich dan de vraag stellen, of deze situaties haar missieactiviteit opnieuw vereisen. Verder zijn de omstandigheden soms van die aard, dat ze de rechtstreekse en spoedige prediking van het Evangelie een tijdlang onmogelijk maken. In dit geval kunnen en moeten de missionarissen met geduld, met tact en tevens met groot vertrouwen minstens door liefde en goedheid getuigen voor Christus en zo de weg voor de Heer bereiden en Hem enigermate tegenwoordig doen zijn.

Hieruit blijkt, dat de missieactiviteit in diepste wezen uit de aard zelf van de Kerk voortvloeit. Ze verbreidt het heilbrengend geloof van de Kerk, ze verbreedt en vervolmaakt haar katholieke eenheid, ze wordt gesteund door haar apostoliciteit, ze is een verwezenlijking van de collegiale geest van de Hiërarchie, ze legt getuigenis af van de heiligheid van de Kerk, verbreidt en stimuleert die. De missieactiviteit onder de heidenen is dus iets anders dan de pastorale werkzaamheid onder de gelovigen en dan het werk tot hereniging van de christenen. Toch hangen deze beide heel nauw samen met de missiearbeid van de Kerk Onder het begrip "missieactiviteit" vallen zakelijk, zoals blijkt, ook die delen van Latijns-Amerika, waarin geen eigen hiërarchie, geen volwassen christelijk leven en geen voldoende evangelieprediking bestaat. Of deze gebieden door de H. Stoel in feite als missiegebieden worden beschouwd, is geen zaak van het Concilie. Daarom wordt omtrent het verband tussen het begrip missieactiviteit en bepaalde gebieden met opzet gezegd, dat deze activiteit "meestal" wordt uitgeoefend in bepaalde door de H. Stoel erkende gebieden; want de verdeeldheid van de christenen doet afbreuk aan de heilige zaak van de evangelieprediking aan alle mensen 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 1 en belemmert velen het toetreden tot het geloof. Zo zijn ten gevolge van de noodzakelijkheid van de missie alle gedoopten geroepen, zich aan een te sluiten tot één kudde om zo eensgezind tegenover de heidenen getuigenis te kunnen afleggen voor Christus, hun Heer. En zolang zij nog niet ten volle kunnen getuigen van hun eenheid in het geloof, moeten zij tenminste bezield zijn van een wederzijdse hoogachting en liefde.

De missieplicht van de bisschoppen
Alle bisschoppen, als zijnde leden van het bisschoppencollege, dat de opvolger is van het college van de apostelen, zijn gewijd niet alleen voor een bepaald diocees, maar voor het heil van heel de wereld. De opdracht van Christus om het Evangelie te verkondigen aan heel de schepping Vgl. Mc. 16,15 , gaat allereerst en onmiddellijk hén aan samen met Petrus en onder leiding van Petrus. Daaruit ontstaat die gemeenschap en samenwerking van de Kerken, die tegenwoordig zo noodzakelijk is om het werk van de evangelisatie voort te zetten. Krachtens deze gemeenschap hebben de afzonderlijke Kerken de zorg voor alle andere, maken de Kerken elkaar haar noden bekend, delen zij elkaar mee van haar goederen; de uitbreiding immers van het Lichaam van Christus is de taak van het gehele bisschoppencollege. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 23-24.

De bisschop stelt, wanneer hij in zijn diocees, waarmee hij één geheel vormt, het missiewerk op gang brengt, stimuleert en leidt, de missiegeest en de missie-ijver van het volk Gods tegenwoordig en maakt die als het ware zichtbaar, zodat heel het diocees missionair wordt.

Het is de taak van de bisschop, onder zijn volk, vooral onder de zieken en lijdenden, mensen te vinden, die edelmoedig hun gebed en boete aan God opdragen voor de evangelisatie van de wereld; hij zal de roepingen van jonge mensen en clerici tot de missie-instituten van harte aanmoedigen en dankbaar zijn, als God sommigen uitkiest voor het missiewerk van de Kerk. Hij zal de diocesane congregaties aansporen en helpen om een eigen aandeel in het missiewerk te aanvaarden. Hij zal de werken van de missie-instituten onder zijn gelovigen steunen, vooral echter de Pauselijke missiewerken. Want aan de laatstgenoemde moet terecht de eerste plaats worden gegeven, omdat ze het middel zijn om de katholieken vanaf hun jeugd te bezielen met een echt universele en missionaire geest en om op doelmatige wijze de financiële steun te stimuleren ten bate van alle missies, overeenkomstig de noden van elke missie. Vgl. Paus Benedictus XV, Apostolische Brief, Over de verkondiging van het geloof over de gehele wereld, Maximum Illud (30 nov 1919), 34-38 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de Katholieke Missie, Rerum Ecclesiae (28 feb 1926), 71-73 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de bevordering van de Christelijke missie, Evangelii Praecones (2 juni 1951), 65 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei donum (21 apr 1957), 28.

Omdat echter de behoefte aan arbeiders in de wijngaard des Heren met de dag toeneemt en ook de diocesane priesters steeds meer verlangen, deel te nemen aan de evangelisatie van de wereld, wenst de heilige Synode, dat de bisschoppen met het oog op het enorme priestergebrek, waardoor de evangelisatie van talrijke gebieden wordt belemmerd, enkele van hun beste priesters, die zich voor het missiewerk aanbieden, na een behoorlijke voorbereiding uitzenden naar priesterarme diocesen om daar, tenminste voor een zekere tijd, in een geest van dienstbaarheid een missietaak te vervullen.Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei donum (21 apr 1957), 30.

Voor een beter resultaat van de missieactiviteit van de bisschoppen ten bate van de gehele Kerk, is het gewenst, dat de bisschoppenconferenties leidend optreden in alles wat betrekking heeft op een geordende samenwerking in hun eigen gebied. In hun conferenties zullen de bisschoppen spreken over

  • het bestemmen van priesters uit de diocesane geestelijkheid voor de evangelieprediking onder de volken;
  • over een vaste bijdrage, die elk diocees naar verhouding van zijn inkomsten jaarlijks moet geven voor het missiewerk Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 6;
  • over de regeling en de organisatie van de methoden en middelen, die een rechtstreekse steun aan de missie tot doel hebben;
  • over de hulp aan de missie-instituten en aan de seminaries van de diocesane geestelijkheid voor de missies en zo nodig;
  • over de oprichting ervan;
  • over een nauwer contact tussen dergelijke instituten en de diocesen.

Het is eveneens de taak van bisschoppenconferenties, werken te stichten en te bevorderen, waardoor mensen, die om redenen van arbeid en studie uit de missielanden overkomen, broederlijk worden opgenomen en een passende pastorale begeleiding ontvangen. Door hen immers komen de verre volken als het ware nabij en krijgen de vanouds christelijke gemeenschappen een prachtige gelegenheid, een dialoog aan te gaan met de volken, die het Evangelie nog niet hebben vernomen, en door een dienst van liefde en hulp hun het ware gelaat van Christus te tonen. Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei donum (21 apr 1957), 29.

Document

Naam: AD GENTES DIVINITUS
Over de missie-activiteit van de Kerk
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0798, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: Dr. M.H. Mulders C.ss.R. en Dr. J. Kahmann C.ss.R.
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam