• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Wat dit Vaticaans Concilie verklaart omtrent het recht van de mens op godsdienstvrijheid, is gebaseerd op de waardigheid van de persoon; en het menselijk verstand heeft de eisen, die deze waardigheid stelt, steeds duidelijker leren inzien door een eeuwenlange ervaring. Meer nog, deze leer heeft haar wortels in de goddelijke Openbaring, en dit is voor de christenen een reden te meer om haar nauwgezet te onderhouden. Want ofschoon de Openbaring zich niet uitdrukkelijk uitspreekt over het recht tot vrijheid van uiterlijke dwang in godsdienstige aangelegenheden, laat ze ons toch de waardigheid van de menselijke persoon zien in heel haar omvang; ze toont, hoezeer Christus de vrijheid van de mens eerbiedigde in de vervulling van de plicht om te geloven aan het woord Gods, en ze leert ons, welke geest de leerlingen van zulk een Meester zich moeten eigen maken en moeten volgen bij hun handelen. Dit alles werpt een helder licht op de algemene beginselen, die ten grondslag liggen aan de leer van deze Verklaring over de godsdienstvrijheid. Vooral ook is de godsdienstvrijheid in de samenleving volledig in overeenstemming met de vrijheid van de christelijke geloofsdaad.

Een uiterst belangrijk punt van de katholieke leer, dat vervat ligt in het woord Gods en door de Vaders voortdurend wordt voorgehouden Vgl. Lactantius, Divinae Institutiones (1 jan 311). Lib. V, 19: CSEL 19, pp. 463-464, 465; P.L. 614 en 616 (cap. 20) Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Epistulae. Ad Valentianum imp., Ep. 21: P.L. 16, 1005 Vgl. H. Augustinus, Antwoord op de brief van Petilianus, Contra litteras Petiliani. Lib. II, cap. 83: CSEL 52, p. 112: P.L. 43, 315 Vgl. H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 23: P.L. 33, 98 Vgl. H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 34: P.L. 33, 132 Vgl. H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 35; P.L. 33, 135 Vgl. H. Paus Gregorius de Grote, Epistolae. Ad Virgilium et Theodorum Episcopos Massiliae Galliarum, Registrum Epistolarum I, 45: M.G.H. Ep. 1, p. 72; P.L. 77, 510-511 (lib. I, ep. 47) Vgl. H. Paus Gregorius de Grote, Epistolae. Ad Iohannem Episcopum Constant., Registrum Epistolarum III, 52: M.G.H.: Ep. 1, p. 210; P.L. 77, 649 (lib. III, ep. 53) Vgl. 4e Concilie van Toledo, Canones (5 dec 633), 57. c. 57: Mansi X, 633 Vgl. Paus Clemens III, X.. V, 6, 9: ed. Frieberg, col. 774 Vgl. Paus Innocentius III, Brief, Epistola ad Arelatensem Archiepiscopum. X, III, 42, 3: ed. Frieberg, col. 646, is het volgende: de mens moet vrijwillig zijn geloofsantwoord geven aan God; bijgevolg mag niemand gedwongen worden, tegen zijn wil het geloof te aanvaarden Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 1351 Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Tot de Romeinse Rota, Ecco che giĆ  (6 okt 1946), 7 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 105. Want de geloofsact is krachtens zijn aard een vrijwillige act, omdat de mens, verlost door Christus, onze Redder, en geroepen tot het Kindschap Gods door Jezus Christus Vgl. Ef. 1, 5 , zich niet kan overgeven aan de zich openbarende God, indien de Vader hem niet trekt Vgl. Joh. 6, 44 en indien hij niet een redelijke en vrije geloofsgehoorzaamheid schenkt aan God. Het is dus geheel in overeenstemming met de aard van het geloof, dat er in godsdienstige aangelegenheden geen enkele soort van dwang wordt uitgeoefend van de kant van de mensen. Daarom is het systeem van godsdienstvrijheid een sterke factor voor het scheppen van een situatie, waarin de mensen gemakkelijk de uitnodiging kunnen vernemen tot het christelijk geloof, dit spontaan kunnen aanvaarden en het in heel hun levensgedrag met elan kunnen belijden.

God roept de mensen om Hem in geest en waarheid te dienen; deze roeping legt hun daarom een gewetensplicht op, maar dwingt hen niet. Want God houdt rekening met de waardigheid van de menselijke persoon, die Hij heeft geschapen, en die zich moet laten leiden door eigen oordeel en in vrijheid moet handelen. Dit is in de hoogste mate duidelijk geworden in Christus Jezus, in wie God zichzelf en zijn wegen ten volle heeft geopenbaard. Christus immers, onze Leraar en Heer Vgl. Joh. 13, 13 , zachtmoedig en nederig van hart Vgl. Mt. 11, 29 , heeft met geduld zijn leerlingen uitgenodigd en tot zich getrokken. Vgl. Mt. 11, 28-30 Vgl. Joh. 6, 67-68 Zeker, Hij heeft zijn prediking door wonderen bekrachtigd en bevestigd, maar Hij deed dit om het geloof van zijn toehoorders te wekken en te versterken, niet om dwang op hen uit te oefenen. Vgl. Mt. 9, 28-29 Vgl. Mc. 9, 23-24 Vgl. Mc. 6, 5-6 Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de Kerk, Ecclesiam Suam (6 aug 1964), 77 Hij heeft weliswaar zijn toehoorders hun ongeloof verweten, maar de straf hiervoor aan God overgelaten tot de dag van het oordeel. Vgl. Mt. 11, 20-24 Vgl. Rom. 12, 19-20 Vgl. 2 Tess. 1, 8 Hij zond zijn apostelen uit in de wereld met de woorden: "Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden; maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden" (Mc. 16, 16). Toch wist Hij, dat met de tarwe ook onkruid was gezaaid, en Hij beval, beide te laten groeien tot aan de oogst, die zal plaats hebben op het einde van de tijden. Vgl. Mt. 13, 30.40-52 Hij wilde geen politieke Messias zijn, die regeerde met geweld, Vgl. Mt. 4, 8-10 Vgl. Joh. 6, 15 maar Hij noemde zich liever de Mensenzoon, die gekomen was "om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mc. 10, 45). Hij toonde zich de volmaakte Dienaar van God Vgl. Jes. 42, 1-4 , die "een geknakt riet niet zal breken en een smeulende vlaspit niet zal doven" (Mt.12, 20). Hij erkende het burgerlijk gezag en zijn rechten en beval, belasting te betalen aan de keizer, maar Hij wees er uitdrukkelijk op, dat men de hogere rechten van God moet eerbiedigen: "Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt" (Mt. 22, 21). Hij bekroonde tenslotte zijn openbaring door aan het kruis het verlossingswerk te voltooien, om daardoor voor de mensen het heil en de ware vrijheid te verwerven. Hij heeft getuigenis afgelegd van de waarheid Vgl. Joh. 18, 37 , maar heeft haar niet met geweld willen opdringen aan zijn tegenstanders. Zijn rijk immers wordt niet door het zwaard verdedigd Vgl. Mt. 26, 51-53 Vgl. Joh. 18, 36 , maar het wordt gesticht door het getuigen en het aanhoren van de waarheid, en het breidt zich uit door de liefde, waardoor Christus, omhooggeheven aan het kruis, de mensen tot zich trekt. Vgl. Joh. 12, 32

De apostelen hebben, onderricht door het woord en het voorbeeld van Christus, dezelfde weg gevolgd. Vanaf het eerste begin van de Kerk hebben de leerlingen van Christus met alle kracht ernaar gestreefd om de mensen te brengen tot de erkenning van Christus als Heer, en dit niet door dwang of met methoden, die het Evangelie onwaardig waren, maar eerst en vooral door de kracht van het woord Gods. Vgl. 1 Kor. 2, 3-5 Vgl. 1 Tess. 2, 3-5 Met moed verkondigden zij aan allen het heilsplan van God, onze Redder, "die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis der waarheid komen" (1 Tim. 2, 4). Tevens respecteerden zij de zwakken, ook als dezen in dwaling verkeerden; en zo toonden zij, hoe "ieder van ons aan God rekenschap zal moeten afleggen voor zichzelf" (Rom. 14, 12) Vgl. Rom. 14, 1-23 Vgl. 1 Kor. 8, 9-13 Vgl. 1 Kor. 10, 23-33 en in zoverre verplicht is, zijn eigen geweten te volgen. Evenals Christus waren ook de apostelen er voortdurend op bedacht, getuigenis af te leggen van Gods waarheid, vol durf om voor het volk en de overheden "vrijmoedig het woord Gods" te verkondigen." (Hand. 4, 31) Vgl. Ef. 6, 19-20 Zij hadden immers het vaste geloof, dat het Evangelie werkelijk een goddelijke kracht is tot heil van ieder, die erin gelooft. Vgl. Rom. 1, 16 Zonder iets te geven om "aardse wapens" Vgl. 2 Kor. 10, 4 Vgl. 1 Tess. 5, 8-9 en het voorbeeld van Christus' zachtmoedigheid en mildheid volgend, verkondigden zij het woord Gods, in het volle vertrouwen, dat dit woord door zijn goddelijke kracht in staat is om de Godvijandige machten te vernietigen Vgl. Ef. 6, 11-17 en de mensen te brengen tot het geloof en de gehoorzaamheid aan Christus. Vgl. 2 Kor. 10, 3-5 Zoals de Meester erkenden ook de Apostelen het wettig burgerlijk gezag: "Want er is geen gezag dan van God", zo leert de Apostel, en daarom beveelt hij: "Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers, die boven hem staan... Wie zich tegen het gezag verzet, verzet zich tegen Gods verordening." (Rom. 13, 1-2) Vgl. 1 Pt. 2, 13-17 Maar tegelijkertijd aarzelden zij niet, zich te verzetten tegen het publieke gezag, toen dit in strijd kwam met Gods heilige wil: "Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen." (Hand. 5, 29) Vgl. Hand. 4, 19-20 Deze weg hebben ontelbare martelaren en gelovigen gevolgd, door alle tijden heen en over de gehele wereld.

Getrouw aan de waarheid van het evangelie volgt de Kerk daarom de weg van Christus en de Apostelen, wanneer zij het beginsel van de godsdienstvrijheid erkent als beantwoordend aan de waardigheid van de mens en aan Gods openbaring en wanneer zij de godsdienstvrijheid aanmoedigt. De leer, die zij van haar Meester en van de Apostelen heeft ontvangen, heeft zij in de loop van de tijden bewaard en doorgegeven. Ofschoon er in het leven van Gods volk, op zijn weg door de wisselvalligheden van de menselijke geschiedenis, soms een manier van optreden is geweest, die minder in overeenstemming en zelfs in strijd was met de geest van het Evangelie, toch bleef het altijd de leer van de Kerk, dat niemand tot het geloof mag worden gedwongen.

Zo bleef het zuurdeeg van het Evangelie lang doorwerken in de geest van de mensen, en het is voor een groot deel daaraan te danken, dat de erkenning van de waardigheid van de menselijke persoon in de loop van de tijden steeds meer veld won en geleidelijk de overtuiging groeide, dat de menselijke persoon in de burgerlijke samenleving vrij moet blijven van iedere menselijke dwang waar het godsdienstzaken betreft.

Onder de waarden, die betrekking hebben op het welzijn van de Kerk en zelfs van de aardse Stad, en die altijd en overal bewaard moeten blijven en verdedigd tegen elke aantasting, is deze zeker de voornaamste: dat de Kerk heel de vrijheid van handelen geniet, die zij nodig heeft om het heil van de mensen te kunnen behartigen Vgl. Paus Leo XIII, Brief, Officio sanctissimo (22 dec 1887), 40 Vgl. Paus Leo XIII, Brief, Ex Litteris (7 apr 1887). Want dit is de heilige vrijheid, waarmee de Eniggeboren Zoon van God de Kerk heeft verrijkt, die Hij door zijn Bloed verworven heeft. Ze is zó zeer eigen aan de Kerk, dat degenen, die ze bestrijden, handelen tegen de wil van God. De vrijheid van de Kerk is een grondbeginsel in de betrekkingen van de Kerk met de burgerlijke macht en heel de burgerlijke orde.

In de menselijke samenleving en tegenover iedere publieke macht eist de Kerk vrijheid voor zich op, omdat zij een geestelijk gezag is, door Christus de Heer ingesteld en van Godswege belast met de opdracht, uit te gaan over de gehele wereld en het Evangelie te verkondigen aan heel de schepping. Vgl. Mc. 16, 15 Vgl. Mt. 28, 18-20 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de eenheid van de menselijke maatschappij, Summi Pontificatus (20 okt 1939), 76-79 De Kerk maakt eveneens aanspraak op vrijheid, omdat zij ook een gemeenschap van mensen is, die het recht bezitten om in de burgerlijke maatschappij te leven volgens de voorschriften van het christelijk geloof. Vgl. Paus Pius XI, Brief, Aan bisschoppen van Mexico, Firmissimam Constantiam (28 mrt 1937)

Welnu, alleen in een regiem van godsdienstvrijheid dat niet alleen verkondigd wordt met woorden en niet alleen wettelijk is vastgelegd, maar ook eerlijk in de praktijk wordt doorgevoerd, zal de Kerk, rechtens en in feite, een duurzame mogelijkheid bezitten voor de noodzakelijke onafhankelijkheid bij het vervullen van haar goddelijke zending, een onafhankelijkheid, die de kerkelijke gezagsdragers voor zich in de maatschappij met steeds meer klem hebben opgeëist. Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Over de staatsgemeenschappen en de volken over godsdienstvrijheid - tot het 5de nationaal Italiaans congres van de vereniging van katholieke juristen, Ci riesce (6 dec 1953) Tevens genieten de christenen, gelijk ook de overige mensen, het burgerlijk recht om onbelemmerd hun leven in te richten volgens hun geweten. Er bestaat dus een nauwe band tussen de vrijheid van de Kerk en de godsdienstvrijheid, die moet worden erkend als een recht van alle mensen en gemeenschappen en die juridisch moet worden vastgelegd.

Wil de Kerk gehoorzamen aan het goddelijk bevel: "Maakt alle volkeren tot mijn leerlingen" (Mt. 28, 19), dan moet zij zich met alle kracht ervoor inzetten "dat het Woord des Heren zijn luisterrijke loop mag volbrengen" (2 Tess. 3, 1). De Kerk vraagt dus met aandrang aan haar kinderen vóór alles "gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen ... Dit is goed en welgevallig aan God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen gered worden en tot de kennis der waarheid komen" (1 Tim. 2, 1-4). De gelovigen moeten bij de vorming van hun geweten nauwgezet de heilige en zekere leer van de Kerk voor ogen houden Vgl. Paus Pius XII, Radiotoespraak, Bij gelegenheid van de dag van de Familie: "Het gezin is de bakermat", La Famiglia - Over de vorming van het christelijk geweten bij de jeugd (23 mrt 1952). Want krachtens de wil van Christus is de katholieke Kerk de lerares van de waarheid; het is haar taak, de Waarheid, die Christus is, te verkondigen en gezagvol uiteen te zetten en tevens de beginselen van de morele orde, die uit de natuur zelf van de mens voortvloeien, met haar gezag te verklaren en te bevestigen. Bovendien moeten de christenen met wijsheid de buitenstaanders tegemoet treden, en "in een geest van heiligheid en ongeveinsde liefde, met het woord der waarheid" (2 Kor. 6, 6-7), het licht van het leven met alle vrijmoedigheid Vgl. Hand. 4, 29 en apostolische moed trachten te verbreiden, zelfs ten koste van hun leven. De leerling immers heeft jegens Christus, zijn Meester, de ernstige plicht om de waarheid, die hij van Hem heeft ontvangen, altijd vollediger te leren kennen, getrouw te verkondigen en met kracht te verdedigen, zonder ooit middelen aan te wenden, die in strijd zijn met de geest van het Evangelie. Tevens echter wordt hij door de liefde van Christus gedrongen om liefdevol, verstandig en geduldig hen tegemoet te treden, die in dwaling of in onwetendheid verkeren aangaande het geloof. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 157-158 Men moet dus rekening houden én met de plichten tegenover Christus, het levengevend Woord, dat men moet prediken, én met de rechten van de menselijke persoon én met de maat van genade die God, door Christus, heeft geschonken aan de mens, die wordt uitgenodigd om het geloof vrijwillig te aanvaarden en te belijden.

Document

Naam: DIGNITATIS HUMANAE
Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Verklaring
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1966, Ecclesia Docens 0747, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 3 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam