• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Dit Vaticaans Concilie kent aan de menselijke persoon het recht toe op godsdienstvrijheid. Deze vrijheid bestaat hierin, dat alle mensen vrij moeten zijn van dwang, zowel van de kant van individuen als van sociale groepen en van welke menselijke macht ook, en wel zo, dat niemand inzake godsdienst gedwongen wordt om te handelen tegen zijn geweten of verhinderd wordt om, binnen de juiste grenzen, te handelen volgens zijn geweten, hetzij privé of publiek, hetzij individueel of samen met anderen. Het verklaart bovendien, dat het recht op godsdienstvrijheid werkelijk steunt op de waardigheid van de menselijke persoon, zoals wij die kennen uit het geopenbaarde woord Gods en uit de rede zelf. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 14 Vgl. Paus Pius XII, Radiotoespraak, Kerstboodschap 1942, Con sempre (24 dec 1942), 31 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, De Katholieke Kerk in het Duitse Rijk, Mit brennender Sorge (14 mrt 1937), 50 Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de menselijke vrijheid, Libertas praestantissimum (20 juni 1888), 43-45 Dit recht van de menselijke persoon op godsdienstvrijheid moet in de juridische ordening van de maatschappij zulk een erkenning krijgen, dat het burgerrecht wordt.

Op grond van hun waardigheid hebben alle mensen, als zijnde personen, d.w.z. begaafd met verstand en vrije wil en daarom dragers van persoonlijke verantwoordelijkheid, de natuurlijke drang en de zedelijke verplichting, de waarheid te zoeken, vooral met betrekking tot de godsdienst. Zij zijn ook verplicht, de waarheid, eenmaal gekend, te aanvaarden en heel hun leven in te richten volgens de eisen van de waarheid. Aan deze verplichting kunnen de mensen onmogelijk voldoen op een wijze, die beantwoordt aan hun natuur, als zij geen psychologische vrijheid bezitten en als zij niet vrij zijn van uiterlijke dwang. Het recht op godsdienstvrijheid steunt dus niet op een subjectieve gesteldheid van de persoon, maar op haar natuur zelf. Daarom blijft dit recht op deze vrijheid bestaan ook bij hen, die hun verplichting om de waarheid te zoeken en te aanvaarden, niet nakomen; en de uitoefening van dit recht mag niet worden belemmerd, zolang de rechtvaardige publieke orde niet wordt verstoord.

Dit alles wordt nog duidelijker, als men in aanmerking neemt, dat de hoogste norm van het menselijk leven de goddelijke wet zelf is, de eeuwige, objectieve en universele wet, waardoor God volgens het plan van zijn wijsheid en liefde de gehele wereld en de weg van de mensengemeenschap regelt, leidt en bestuurt. Aan deze wet heeft God de mens deelachtig willen maken, opdat hij onder de liefdevolle leiding van de goddelijke voorzienigheid de onveranderlijke waarheid steeds beter zou kunnen kennen. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 91, a. 1 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 93, a. 1-2 Daarom heeft iedereen de plicht en bijgevolg ook het recht, de waarheid te zoeken inzake godsdienst om zich zo met behulp van de geschikte middelen op een verstandige manier een juist en waar gewetensoordeel te kunnen vormen.

Men moet echter de waarheid zoeken op de wijze, die eigen is aan de waardigheid van de menselijke persoon en aan haar sociale natuur, nl. door een vrij onderzoek, door middel van onderricht of vorming, van uitwisseling van ideeën en dialoog, waardoor men aan elkaar de waarheid uiteenzet, die men heeft gevonden of meent te hebben gevonden, om zo elkaar te helpen bij het zoeken naar de waarheid. Is men eenmaal tot de kennis van de waarheid gekomen, dan moet men deze standvastig aanvaarden met een persoonlijke instemming.

De voorschriften nu van de goddelijke wet verneemt en kent de mens door middel van zijn geweten, dat hij trouw moet volgen in het geheel van zijn activiteit om zo te komen tot zijn einddoel, God. Men mag hem daarom niet dwingen om tegen zijn geweten te handelen. Maar men mag hem evenmin beletten om volgens zijn geweten te handelen, vooral waar het gaat over de godsdienst. Want de uitoefening van de godsdienst bestaat krachtens zijn aard zelf op de eerste plaats in vrijwillige en vrije innerlijke daden, waardoor de mens zich rechtstreeks richt op God. Dergelijke daden kunnen door een louter menselijke macht niet worden opgelegd en evenmin worden verboden Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 18 Vgl. H. Paus Paulus VI, Radiotoespraak, Kerstboodschap 1964, La Ricorrenza (22 dec 1964), 22-24 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 91, a. 4c. De sociale natuur van de mens vraagt echter, dat de mens de innerlijke akten van godsdienstigheid naar buiten tot uitdrukking brengt, dat hij op godsdienstig gebied contact zoekt met anderen en dat hij zijn godsdienst in gemeenschap belijdt.

Het is dus een aantasting van de menselijke persoon en van de orde zelf, die God voor de mensen heeft vastgesteld, als men de mens het recht ontzegt op vrije uitoefening van de godsdienst in de samenleving, verondersteld, dat de rechtvaardige publieke orde wordt geëerbiedigd.

Bovendien gaan de godsdienstige akten, waardoor de mensen zich privé en publiek, op grond van een persoonlijke beslissing richten op God, krachtens hun natuur de aardse en tijdelijke orde te boven. Het burgerlijk gezag, dat als eigen doel heeft, het algemeen tijdelijk welzijn te behartigen, moet dus weliswaar het godsdienstig leven van de burgers erkennen en bevorderen, maar het gaat zijn bevoegdheid te buiten, wanneer het zich het recht aanmatigt, godsdienstige handelingen te regelen of te belemmeren.

De vrijheid of het vrij zijn van dwang in godsdienstige aangelegenheden, waarop de individuele personen recht hebben, moet hun ook gegeven worden, wanneer zij in gemeenschap optreden. Want godsdienstige gemeenschappen zijn een postulaat zowel van de sociale natuur van de mens als van de godsdienst zelf.

Zolang dus de rechtmatige eisen van de publieke orde niet worden aangetast, hebben deze gemeenschappen het recht, vrij te zijn van iedere dwang om zo zichzelf volgens eigen normen te kunnen besturen, de Godheid door een publieke eredienst te huldigen, hun leden te helpen in het beleven van hun godsdienst en hen door onderricht te steunen, alsmede allerlei instellingen in het leven te roepen, waarin de leden kunnen samenwerken om hun eigen leven in te richten volgens hun godsdienstige beginselen. De godsdienstige gemeenschappen hebben eveneens het recht om niet door wetten of door administratieve maatregelen van de burgerlijke overheid belemmerd te worden in de keuze, de opleiding, het benoemen en het verplaatsen van hun bedienaren, in het contact met godsdienstige autoriteiten en gemeenschappen elders ter wereld, in het zetten van gebouwen voor de godsdienst, en in het verwerven en genieten van de goederen, die ze nodig hebben.

De godsdienstige gemeenschappen hebben ook het recht om niet gehinderd te worden, publiek hun geloof te onderwijzen en te manifesteren, hetzij mondeling of schriftelijk. Maar bij de verbreiding van het geloof en de invoering van bepaalde godsdienstige praktijken, dient men zich altijd te onthouden van ieder optreden, dat zou kunnen lijken op dwang of op een ongepaste of minder juiste propaganda, vooral waar men te doen heeft met minder ontwikkelden of minder bedeelden. Zulk een handelwijze moet beschouwd worden als een misbruik maken van het eigen recht en als een inbreuk op het recht van anderen.

Verder vraagt de godsdienstvrijheid nog, dat men de godsdienstige gemeenschappen niets in de weg legt, wanneer ze de bijzondere kwaliteiten van hun leer willen tonen voor de organisatie van de samenleving en de inspiratie van heel de menselijke activiteit. Tenslotte: op de sociale natuur van de mens en op de aard zelf van de godsdienst is het recht van de mensen gebaseerd om overeenkomstig hun godsdienstige overtuiging vrij bijeenkomsten te houden of verenigingen te stichten op opvoedkundig, cultureel, charitatief en sociaal gebied.

Elk gezin, als zijnde een gemeenschap met een eigen en oorspronkelijk recht, heeft het recht om vrij zijn godsdienstig gezinsleven te regelen onder leiding van de ouders. En aan de ouders komt het recht toe om overeenkomstig hun eigen godsdienstige overtuiging te beslissen over de aard van de godsdienstige opvoeding, die hun kinderen zullen ontvangen. De burgerlijke overheid behoort dus het recht te erkennen van de ouders om met werkelijke vrijheid scholen of andere opvoedingsmiddelen te kiezen, en men mag hun vanwege deze vrijheid van keuze noch rechtstreeks noch zijdelings onrechtvaardige lasten opleggen. Bovendien is het een inbreuk op de rechten van de ouders, als hun kinderen gedwongen worden, lessen te volgen, die niet beantwoorden aan de godsdienstige overtuiging van de ouders of als er één enkel opvoedingssysteem wordt opgelegd, waarin iedere religieuze vorming is uitgesloten.

Het algemeen welzijn van de samenleving, d.w.z. het complex van maatschappelijke factoren, die de mensen in staat stellen, hun persoonlijke vervolmaking vollediger en gemakkelijker te verwezenlijken, bestaat eerst en vooral in het handhaven van de rechten en plichten van de menselijke persoon Vgl. H. Paus Paulus VI, Homilie, In de Basiliek "Maria Boodschap" te Nazareth, Ter ere van de H. Maagd (5 jan 1964), 65 Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 58. Daarom rust de zorg voor het recht op godsdienstvrijheid zowel op de burgers als op de sociale groepen, de burgerlijke autoriteiten, de Kerk en de andere godsdienstige gemeenschappen, op ieder volgens zijn eigen wijze, overeenkomstig zijn plicht voor het algemeen welzijn.

Elk burgerlijk gezag heeft de wezenlijke plicht, de onschendbare rechten van de mens te beschermen en te bevorderen H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 60 Vgl. Paus Pius XII, Radiotoespraak, Op het Hoogfeest van Pinksteren ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Rerum Novarum, La Solennità (1 juni 1941), 16. De burgerlijke macht moet zich dus door rechtvaardige wetten en andere geschikte middelen daadwerkelijk de beschermster tonen van de godsdienstvrijheid van alle burgers, en zij moet gunstige voorwaarden scheppen voor de ontplooiing van het godsdienstig leven, zodat de burgers werkelijk hun godsdienstige rechten kunnen uitoefenen en hun godsdienstplichten kunnen vervullen, en de samenleving zelf de weldaden van de rechtvaardigheid en vrede kan genieten, die de vruchten zijn van de trouw van de mensen jegens God en zijn heilige wil. Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Het onvergankelijk werk van den barmhartigen God - Over de christelijke staatsinrichting, Immortale Dei (1 nov 1885), 12-13

Wanneer vanwege de bijzondere omstandigheden van een of ander volk in de juridische ordening van de staat aan één bepaalde godsdienstige gemeenschap een bijzondere civiele erkenning wordt gegeven, dan moet tevens aan alle burgers en godsdienstige gemeenschappen het recht op vrijheid in godsdienstzaken worden toegekend, en dit recht moet ook geëerbiedigd worden.

Tenslotte moet de burgerlijke overheid ervoor zorgen, dat de juridische gelijkheid van de burgers, die zelf een element is van het algemeen welzijn van de maatschappij, nooit, hetzij openlijk hetzij bedekt, wordt aangetast om godsdienstige redenen en dat elke discriminatie onder hen wordt geweerd.

Hieruit volgt, dat de publieke overheid de burgers niet door geweld, vreesaanjaging of andere middelen mag dwingen tot het belijden of verwerpen van welke godsdienst ook, en dat zij niemand mag beletten, lid te worden van een godsdienstige gemeenschap of het lidmaatschap ervan op te geven. Nog meer handelt men in strijd met de wil van God en met de heilige rechten van de persoon en de volkengemeenschap, wanneer men hoe dan ook met geweld de godsdienst tracht uit te roeien of te onderdrukken, hetzij in heel het mensdom of in een bepaalde streek of groep.

Omdat het recht op vrijheid in godsdienstzaken wordt uitgeoefend binnen de menselijke samenleving, is het gebruik van dit recht gebonden aan bepaalde beperkende normen.

Bij het gebruikmaken van alle soorten vrijheden moet men het morele beginsel van de persoonlijke en sociale verantwoordelijkheid in acht nemen: iedere mens en elke sociale groep heeft de morele plicht om bij het uitoefenen van zijn rechten rekening te houden met de rechten van anderen, met zijn eigen plichten tegenover anderen en met het algemeen welzijn van allen. Jegens allen moet men met rechtvaardigheid en menselijkheid handelen.

Bovendien heeft de burgerlijke maatschappij het recht, zich te beschermen tegen misbruiken, die zouden kunnen ontstaan onder het voorwendsel van godsdienstvrijheid, en daarom heeft vooral de burgerlijke overheid de taak, voor deze bescherming te zorgen. Dit mag echter niet met willekeur geschieden of met een onbillijke bevoordeling van één bepaalde partij, maar het moet gebeuren volgens juridische normen, die in overeenstemming zijn met de objectieve morele orde en die nodig zijn voor een doeltreffende bescherming van de rechten van alle burgers en voor een harmonisch samengaan van deze rechten, verder voor een behoorlijke zorg voor de waardige publieke vrede, die bestaat in een geordend samen leven op basis van echte rechtvaardigheid, tenslotte voor de noodzakelijke bescherming van de openbare zedelijkheid. Dit alles vormt een fundamenteel onderdeel van het algemeen welzijn en valt onder het begrip "publieke orde". Overigens moet men de regel volgen van een volledige vrijheid in de samenleving, die vraagt, dat men aan de mens een zo groot mogelijke vrijheid laat en deze alleen maar beperkt, wanneer en in zover dat noodzakelijk is.

De mens van onze tijd is blootgesteld aan allerlei pressie en loopt gevaar, zijn vrij persoonlijk oordeel te verliezen. Van de andere kant zijn velen geneigd om, onder het mom van vrijheid, alle onderwerping af te schudden en niet veel waarde te hechten aan de verschuldigde gehoorzaamheid.

Daarom richt dit Vaticaans Concilie tot allen, vooral tot hen, die belast zijn met de opvoeding, de aansporing om mensen te vormen, die in eerbied voor de morele orde weten te gehoorzamen aan het wettig gezag, en de echte vrijheid liefhebben; mensen namelijk die in het licht van de waarheid zich een persoonlijk oordeel weten te vormen, zich in heel hun handelen laten leiden door een besef van verantwoordelijkheid en streven naar al wat waar en rechtvaardig is, in volle bereidheid om met anderen samen te werken.

Daarom moet een van de vruchten en doeleinden van de godsdienstvrijheid zijn: de mensen te helpen om met groter verantwoordelijkheidsbesef hun plichten in het sociale leven te vervullen.

Document

Naam: DIGNITATIS HUMANAE
Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Verklaring
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1966, Ecclesia Docens 0747, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 3 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam