• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De Kerk die het getuigenis van de apostelen over de verrijzenis van Jezus Christus erft en voortzet, verkondigt het mysterie van de verrijzenis en van Pinksteren en leeft daaruit. Zij getuigt voortdurend van deze overwinning op de dood, die de kracht van de Heilige Geest geopenbaard en zijn nieuwe komst bepaald heeft, zijn nieuwe aanwezigheid in de mensen en de wereld. In de verrijzenis van Christus heeft de Heilige Geest zich immers vooral geopenbaard als degene die het leven geeft: “Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, zal ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft” (Rom. 8, 11). In naam van de verrijzenis van Christus verkondigt de Kerk het leven dat verschenen is over de grens van de dood heen, het leven dat sterker is dan de dood. Zij verkondigt tegelijk degene die dit leven geeft: de levendmakende Geest; zij verkondigt Hem en werkt met Hem samen om het leven te geven. Want al is “het lichaam...dood door de zonde, de geest leeft dank zij de gerechtigheid” (Rom. 8, 10), die bewerkt is door de gekruisigde en verrezen Christus. En in naam van de verrijzenis van Christus dient de Kerk het leven dat van God zelf komt, in nauwe vereniging met en in nederige dienst van de Geest.

Juist door deze dienst wordt de mens op steeds nieuwe wijze de “weg van de Kerk”, zoals ik reeds gezegd heb in de encycliek over Christus, de Verlosser Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 14 en nu in deze encycliek herhaal. Verenigd met de Geest is de Kerk zich bovenal bewust van de werkelijkheid van de innerlijke mens, van wat in de mens het meest diep en wezenlijk is omdat het geestelijk en onvergankelijk is. Hierin plant de Geest “die het leven geeft”, de wortel der onsterfelijkheid” Vgl. Wijsh. 15, 3 , waaruit het nieuwe leven opkomt: het leven van de mens in God dat als vrucht van de heilbrengende zelfmededeling van God in de Heilige Geest zich alleen ontwikkelen en versterken kan onder zijn werking. Daarom wendt de apostel zich tot God ten gunste van de gelovigen tegenover wie hij verklaart: “Ik buig mijn knieën voor de Vader...Moge Hij u...geven dat uw diepste wezen machtig door zijn Geest wordt gesterkt” Vgl. Ef. 3, 14-16 .

Onder de invloed van de Heilige Geest wordt dit diepste wezen van de mens, de “geestelijke” mens, rijp en sterk. Dank zij de goddelijke zelfmededeling ontmoet de menselijke geest die “de geheimen van de mens” kent, die “Geest die de diepste geheimen van God doorgrondt” Vgl. 1 Kor. 2, 10s. . In deze Geest die de eeuwige gave is, opent de drie-ene God zich voor de mens, voor de menselijke geest. De verborgen inspiratie van de goddelijke Geest maakt dat de menselijke geest op zijn beurt zich openstelt voor God die heil brengt en heilig maakt. Door de gave van de genade die van de Geest komt, treedt de mens binnen in “een nieuw leven”, wordt hij binnengeleid in de bovennatuurlijke werkelijkheid van het goddelijke leven en wordt hij “verblijf van de Heilige Geest”, “levende tempel van God” Vgl. Rom. 8, 9 Vgl. 1 Kor. 6, 19 . Want door de Heilige Geest komen de Vader en de Zoon tot hem en nemen Zij verblijf bij hem. Vgl. Joh. 14, 23 H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. V, 6, 1: SC 153, 72-80 H. Hilarius van Poitiers, Over de Drie-eenheid, De Trinitate. VIII, 19, 21: PL 10, 250.252 H. Ambrosius van Milaan, De Spiritu Sancto. I, 6, 8: PL 16, 752s. H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. XLIX, 2: CCL 38, 575s. H. Cyrillus van Alexandrië, Commentaar op het Evangelie volgens Johannes, Commentarium in Joannis Evangelium. lib. I; II: PG 73, 154-158; 246; lib. IX: PG 74, 262 H. Athanasius van Alexandrië, Redevoeringen tegen de Arianen, Orationes contra Arianos. Oratio III, 24: PG 26, 374s. H. Athanasius van Alexandrië, Epistulae ad Serapionem. I, 24: PG 26, 586s. Didymus van Alexandrië, Over de Drie-eenheid, De Trinitate. II, 6-7: PG 39, 523-530 H. Johannes Chrysostomos, Preken over de brief aan de Romeinen, In epistulam ad Romanos. XIII, 8: PG 60, 519 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I q. 43 aa. 1, 3-6 In de genadegemeenschap met de Drie-eenheid breidt de “levensruimte” van de mens zich uit en wordt deze verheven tot het bovennatuurlijke niveau van het goddelijke leven. De mens leeft in God en van God: hij leeft “volgens de Geest” en “zint op de dingen van de Geest”.

De nauwe band met God in de Heilige Geest maakt dat de mens ook zichzelf, zijn eigen mensheid, op een nieuwe wijze begrijpt. Zo wordt het beeld en de gelijkenis van God, dat de mens vanaf het begin is Vgl. Gen. 1, 26s. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I q. 93 aa. 4.5.8, ten volle verwezenlijkt. Deze innerlijke werkelijkheid van het menselijke wezen moet steeds opnieuw ontdekt worden in het licht van Christus die het prototype is van de band met God, en in Hem moet ook de waarheid ontdekt worden van “het volledig zichzelf vinden in de oprechte gave van zichzelf” aan de andere mensen, zoals het Tweede Vaticaans Concilie schrijft: juist vanwege de goddelijke gelijkenis die “erop wijst dat de mens op aarde het enige schepsel is dat om zichzelf door God is gewild” in zijn waardigheid van persoon die openstaat voor maatschappelijke integratie en gemeenschap Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 24.25. De doeltreffende kennis en de volle verwezenlijking van deze waarheid over het mens-zijn worden alleen door de werking van de Heilige Geest verkregen. De mens leert deze waarheid van Jezus Christus en verwerkelijkt haar in zijn leven door de Geest die Hij ons gegeven heeft.

Lans deze weg – langs de weg van de innerlijke rijpwording die de volledige ontdekking van de zin van het mens-zijn insluit – komt God in het binnenste van de mens, dringt hij steeds dieper door in heel de menselijke wereld. De drie-ene God die in zichzelf “bestaat” als transcendente werkelijkheid van de wederkerige gave van de drie Personen, vormt de menselijke wereld om van binnenuit, vanuit het innerlijk van het hart en het geweten, door zichzelf in de Heilige Geest mee te delen als gave aan de mens. Langs deze weg wordt de wereld die deelachtig is geworden aan de goddelijke gave, “steeds menselijker, steeds dieper menselijk”, zoals het Concilie leert Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 38.40, terwijl door middel van het hart en het geweten van de mensen in de wereld het rijk groeit waarin God uiteindelijk “alles in alles” Vgl. 1 Kor. 15, 28 zal zijn: als gave en liefde. Dit is de eeuwige kracht van de drie-ene God die zichzelf in de Heilige Geest opent voor de mens en de wereld. In het perspectief van het jaar tweeduizend na de geboorte van Christus gaat het erom te bereiken dat een steeds groter aantal mensen “zichzelf volledig kan vinden in de oprechte gave van zichzelf”, volgens de reeds vermelde uitdrukking van het Concilie; dat onder de werking van de Geest-Parakleet in onze wereld zich het proces voltrekt van echte rijpwording in het mens-zijn, in het individuele en gemeenschappelijke leven, met betrekking waarop Jezus wanneer Hij “’zijn Vader bidt dat ‘allen één mogen zijn ... zoals Wij één zijn’ (Joh. 17, 21-22) ... zinspeelt ... op een zekere gelijkenis tussen de eenheid van de goddelijke Personen en de eenheid van de kinderen van God in waarheid en liefde” Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 24. Het Concilie bevestigt deze waarheid over de mens, en de Kerk ziet daarin een bijzonder sterke en beslissende aanwijzing voor haar eigen pastorale taken. Want als de mens inderdaad de weg van de Kerk is, dan loopt deze weg over heel het mysterie van Christus, als goddelijk model voor de mens. Langs deze weg bewerkt de Heilige Geest die in ieder van ons “het diepste wezen” versterkt, dat de mens “zichzelf” steeds beter “vindt inde oprechte gave van zichzelf”. Men kan zeggen dat in deze woorden van de pastorale constitutie van het Concilie heel de christelijke antropologie wordt samengevat: de op het evangelie gebaseerde theorie en praktijk waarin de mens in zichzelf ontdekt dat hij Christus toebehoort en in Hem verheven is tot kind van God en zo ook beter zijn waardigheid als mens begrijpt, juist omdat God tot hem gekomen is en in hem verblijft, naar hem is afgedaald wat het vooruitzicht en de wortel van de uiteindelijke verheerlijking insluit. Dan kan men terecht zeggen dat “de glorie van God de levende mens is en het leven van de mens de aanschouwing van God is”. Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. IV, 20, 7: SC 100/2, 648 Als de mens leeft uit goddelijk leven, is hij de glorie van God, en van dit leven en deze glorie is de Heilige Geest de verborgen uitdeler. Basilius de Grote zegt dat Hij “in zijn wezen enkelvoudig is en in zijn werking veelvoudig. Hij deelt zich mee en blijft onverminderd zichzelf... Hij is in ieder die in staat is Hem te ontvangen, tegenwoordig alsof hij de enige was, en stort in allen de genade in voldoende en volle maat uit”. H. Basilius van Caesarea, Liber de Spiritu Sancto. IX, 22: PG 32, 110

Als de mensen onder de invloed van de Heilige Geest deze goddelijke dimensie van hun wezen en leven als persoon en tevens als gemeenschap ontdekken, dan zijn zij in staat zich te bevrijden van de verschillende vormen van determinisme die voornamelijk voortkomen uit de materialistische grondslagen van het denken, de praktijk en de methodologie hiervan. Deze factoren zijn er in ons tijdperk in geslaagd door te dringen tot in het binnenste van de mens, in het heiligdom van het geweten waarin de Heilige Geest voortdurend het licht en de kracht brengt van het nieuwe leven volgens de “vrijheid van de kinderen Gods”. De rijpwording van de mens in dit leven wordt verhinderd door de beperkingen en de druk die de heersende structuren en systemen op hem leggen in de verschillende sectoren van de maatschappij. Men kan zeggen dat in veel gevallen de maatschappelijke factoren in plaats van de ontwikkeling en de ontplooiing van de menselijke geest te bevorderen het ontrukken aan de echte werkelijkheid van zijn wezen en leven – waarover de Heilige Geest waakt -, om hem te onderwerpen aan de “vorst van deze wereld”.

Het grote jubileum van het jaar tweeduizend bevat dus een boodschap van bevrijding door de Geest, de enige die de mensen en de gemeenschappen kan helpen bevrijden van oude en nieuwe vormen van determinisme, door hen te leiden met de “wet van de Geest die het leven in Christus geeft” (Rom. 8, 2), waardoor zij de volle maat van de echte menselijke vrijheid ontdekken en vervullen. Want, zoals Sint Paulus schrijft: “Waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid” (2 Kor. 3, 17). Deze openbaring van de vrijheid en derhalve van de echte menselijke waardigheid, is bijzonder welsprekend voor de christenen en de Kerk die vervolgd worden – hetzij in vroegere tijden hetzij in de huidige tijd: want zij die van de goddelijke waarheid getuigen, worden dan een levend bewijs van de werking van de Geest der waarheid die verblijft in het hart en het geweten van de gelovigen, en niet zelden bezegelen zij door hun marteldood de hoogste roem van de menselijke waardigheid.

Ook in de gewone maatschappelijke omstandigheden dragen de christenen als getuigen van de authentieke waardigheid van de mens, door hun gehoorzaamheid aan de Heilige Geest bij tot de veelvormige “vernieuwing van het aanschijn der aarde”, als zij met hun broeders samenwerken om alles wat in de hedendaagse vooruitgang van de beschaving, de cultuur, de wetenschap, de techniek en de andere sectoren van het menselijk denken en handelen goed, edel en schoon is, te verwerkelijken en te benutten” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 53-59. Zij doen dit als leerlingen van Christus die, zoals het Concilie schrijft, “door zijn verrijzenis Heer geworden...nu door de invloed van zijn Geest werkt in de harten van de mensen en niet alleen een vurig verlangen naar de komende tijden wekt, maar, juist daardoor, ook die edelmoedig gesteldheid bezielt, zuivert en versterkt waarin de mensheid poogt haar eigen bestaan nog meer menselijk te maken en de gehele wereld aan dit doel ondergeschikt te maken” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 38. Zo bevestigen zij nog meer de grootheid van de mens die gemaakt is naar het beeld en de gelijkenis van God; grootheid die verlicht wordt door het mysterie van de menswording van de Zoon van God, die “op de volheid der tijden” in de Heilige Geest de geschiedenis is binnengegaan en waarlijk mens is geworden, Hij “de eerstgeborene van heel de schepping”, “door wie het al bestaat en wij in het bijzonder” (1 Kor. 8, 6).

Document

Naam: DOMINUM ET VIVIFICANTEM
Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 18 mei 1986
Copyrights: © 1986 Stg. Verkondiging van het Bisdom Roermond
Bewerkt: 14 september 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam