• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Toen Jezus tijdens zijn rede in het cenakel de komst van de Heilige Geest aankondigde “tegen de prijs” van zijn heengaan en beloofde: “Nu Ik wel ga, zal Ik Hem tot u zenden”, voegde Hij er juist in dezelfde context aan toe: “Eenmaal gekomen zal Hij de wereld het overtuigend bewijs leveren van wat zonde, gerechtigheid en oordeel is” (Joh. 16, 7s.). De Helper en Geest der waarheid die beloofd is als degene die “zal leren” en “in herinnering zal brengen”, die “getuigenis zal afleggen”, die “tot de volle waarheid zal brengen”, wordt met de geciteerde woorden aangekondigd als degene die “de wereld het overtuigend bewijs zal leveren van wat zonde, gerechtigheid en oordeel is”.

Ook de context lijkt veelbetekenend. Jezus verbindt deze aankondiging van de Heilige Geest met de woorden die zijn “heengaan” door middel van het kruis aanduiden en er de noodzaak van onderstrepen: “Het is goed voor u dat Ik heenga; want als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen” (Joh. 16, 7). Maar nog belangrijker is de uitleg die Jezus zelf geeft van deze drie woorden: zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij zegt immers: “Hij zal de wereld het overtuigend bewijs leveren van wat zonde is, omdat zij niet in Mij geloven; van wat gerechtigheid is, omdat Ik naar de Vader ga, zodat gij Mij niet meer ziet; van wat oordeel is, omdat de vorst deze wereld geoordeeld is” (Joh. 16, 8-11). In Jezus’ gedachte hebben de zonde, de gerechtigheid en het oordeel een zeer nauwkeurige betekenis die verschilt van de betekenis die men wellicht geneigd zou zijn aan deze woorden toe te kennen onafhankelijk van de uitleg van degene die spreekt. Deze uitleg geeft bovendien aan hoe men dit “de wereld het overtuigend bewijs leveren” dat eigen is aan de werking van de Heilige Geest, dient te verstaan. Zowel de betekenis van de afzonderlijke woorden als het feit dat Jezus ze met elkaar verbonden heeft in één en dezelfde zin, is hier belangrijk. “De zonde” betekent in deze passage het ongeloof dat Jezus ontmoette onder de “zijnen”, het eerst bij de stadgenoten van Nazaret. Het betekent de afwijzing van zijn zending, welke de mensen er toe brengen zal Hem ter dood te veroordelen. Als Hij vervolgens spreekt over “de gerechtigheid”, lijkt Hij te denken aan de uiteindelijke gerechtigheid die de Vader Hem zal laten wedervaren als Hij Hem bekleedt met de heerlijkheid van de verrijzenis en de hemelvaart: “Ik ga naar de Vader”. In de context van de zo begrepen “zonde” en “gerechtigheid” betekent “het oordeel” alleen de “vorst dezer wereld” betreft, Satan dus, degene die vanaf het begin het werk van de schepping misbruikt tegen het heil, tegen het verbond en de vereniging van de mens met God: hij is “reeds geoordeeld” vanaf het begin. Als de Geest-Helper de wereld het overtuigend bewijs moet leveren van wat oordeel is, dan is dit om zo het heilswerk van Christus in de wereld voort te zetten.

Wij willen hier onze aandacht vooral richten op deze zending van de Heilige Geest om “de wereld het overtuigend bewijs te leveren van wat zonde is”, maar onder inachtneming van de algemene context van de woorden van Jezus in het cenakel. De Heilige Geest die van de Zoon het werk van de verlossing van de wereld aanneemt, neemt daarmee tegelijk de heilbrengende taak op zich “de zonde aan te tonen”. Dit aantonen staat steeds in verbinding met de “gerechtigheid”, dat wil zeggen met het definitieve heil in God, met de voltooiing van de heilseconomie die als middelpunt de gekruisigde en verrezen Christus heeft. En deze heilseconomie van God onttrekt de mens in zekere zin aan het “oordeel”, aan de veroordeling dus waarmee de zonde van Satan, “de vorst dezer wereld”, is getroffen, de zonde van hem die vanwege zijn zonde “beheerser van deze wereld van duisternis” Vgl. Ef. 6, 12 is geworden. Zo openen zich dor de verbinding met het ”oordeel” wijde perspectieven voor het begrip van de “zonde” en ook van de “gerechtigheid”. De Heilige Geest die tegen de achtergrond van het kruis van Christus de zonde in de heilseconomie aantoont (de zonde die men “de verloste zonde” zou kunnen noemen), maakt duidelijk hoe het zijn zending is ook de zonde “aan te tonen” die reeds definitief veroordeeld is (“de veroordeelde zonde”).
Alle woorden, die de Verlosser uitgesproken heeft in het cenakel op de vooravond van zijn lijden, worden opgetekend in de tijd van de Kerk: allereerst de woorden over de Heilige Geest als Parakleet en Geest der waarheid. Zij worden daarin op steeds nieuwe wijze opgetekend, in iedere generatie, in ieder tijdperk. Dit is, wat onze eeuw betreft, bevestigd door het geheel van het onderricht van het Tweede Vaticaans Concilie en speciaal door de pastorale constitutie “2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
”. Vele teksten van dit document tonen duidelijk aan dat het Concilie dat zich opengesteld heeft voor het licht van de Geest der waarheid, verschijnt de authentieke bewaarnemer van de aankondigingen en de beloften die Christus aan de apostelen en de Kerk gedaan heeft in de afscheidsrede: in het bijzonder van de aankondiging dat de Heilige Geest “de wereld het overtuigend bewijs” moet “leveren van wat zonde, gerechtigheid en oordeel is”.

Dit toont reeds de tekst aan waarin het Concilie uitlegt hoe het de “wereld” verstaat:

“De wereld van de mensen staat het Concilie dus voor ogen, die is de gehele mensenfamilie met het geheel van de aardse dingen waarin zij leeft. Een wereld dus die het toneel van de geschiedenis van de mensheid is, gekenmerkt door naarstige toeleg, door nederlagen en overwinningen; een wereld waarvan de christenen geloven dat zij uit liefde door de Schepper is geschapen en in stand wordt gehouden; dat zij wel in de macht van de zonde is geraakt, maar door de kruisdood en verrijzenis van Christus, die daardoor de macht van de boze heeft gebroken, is bevrijd om volgens Gods heilsbedoeling te worden omgevormd en haar uiteindelijke voltooiing te bereiken” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 2

Onder verwijzing naar deze zeer synthetische tekst moet men de andere passages van de constitutie lezen die met heel de werkelijkheidszin van het geloof de situatie van de zonde in de huidige wereld trachten duidelijk te maken en ook proberen haar wezen vanuit verschillende gezichtspunten te verklaren Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 10.13.27.37.63.73.79.80.

Als Jezus op de vooravond van Pasen spreekt over de Heilige Geest als degene die “de wereld het overtuigend bewijs zal leveren van wat zonde is”, dan moet men van de ene kant hieraan de grootst mogelijke strekking geven welke alle zonden in de geschiedenis van de mensheid omvat. Maar als Jezus uitlegt dat deze zonde bestaat in het feit dat “zij niet in Hem geloven”, lijkt de strekking zich van de andere kant te beperken tot hen die de Messiaanse zending van de Mensenzoon hebben verworpen en Hem tot de dood aan het kruis hebben veroordeeld. Maar men kan moeilijk nalaten op te merken hoe deze meer beperkte en historisch bepaalde strekking van de betekenis van de zonde zich verwijdt en tenslotte een universele omvang aanneemt op grond van de universaliteit van de verlossing, dat volbracht is door middel van het kruis. De openbaring van het mysterie van de verlossing opent de weg naar een begrip waarin elke zonde, waar en wanneer ook bedreven, in verbinding wordt gebracht met het kruis van Christus en dus indirect ook met de zonde van hen die “niet in Jezus Christus geloofd hebben” en Hem veroordeeld hebben tot de dood aan het kruis.

Vanuit dit gezichtspunt is het nodig terug te keren naar het pinkstergebeuren.

Op de dag van Pinksteren vond alles wat Christus in de afscheidsrede aangekondigd had, zijn meest precieze en directe bevestiging, in het bijzonder de aankondiging waarover wij nu spreken: “De Helper zal de wereld het overtuigend bewijs leveren van wat zonde is”. Op die dag daalde de beloofde Heilige Geest neer over de apostelen die samen met Maria, de Moeder van Jezus, in gebed verenigd waren in hetzelfde cenakel, zoals wij in de Handelingen van de Apostelen lezen: “Zij werden allen vervuld van de Heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf” (Hand. 2, 4). “Zo bracht Hij de verstrooide stammen weer bijeen en bood Hij aan de Vader de eerstelingen van alle naties aan”. Vgl. H. IreneĆ¼s van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III, 17, 2: SC 211, 330-332

Het verband tussen de aankondiging en deze gebeurtenis is duidelijk. Wij zien daarin de eerste en fundamentele vervulling van de belofte van de Parakleet. Hij komt, gezonden door de Vader, “na” en “tegen de prijs van” het heengaan van Christus. Dit heengaan is eerst een heengaan door middel van de kruisdood en vervolgens, veertig dagen later, door middel van de hemelvaart. Op het ogenblik van de hemelvaart beval Jezus aan de apostelen “Jeruzalem niet te verlaten maar de belofte van de Vader af te wachten”; “gij zult over enkele dagen gedoopt worden met de Heilige Geest ... die over u komt, om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiteinde der aarde” (Hand. 1, 4.5.8).

De laatste woorden bevatten een echo van de aankondiging in het cenakel. Op Pinksteren wordt deze aankondiging heel precies verwezenlijkt. Petrus handelt onder de invloed van de Heilige Geest, die de apostelen tijdens het gebed in het cenakel ontvangen hebben; hij vertoont zich aan de menigte mensen van verschillende talen die samengekomen waren voor het feest, en spreekt. Hij verkondigt datgene wat hij daarvoor zeker niet de moed gehad zou hebben te zeggen: “Mannen van Israël...Jezus de Nazareeër was een man wiens zending tot u van Godswege bekrachtigd is. Gij kent immers zelf de machtige daden, wonderen en tekenen, die God door Hen onder u heeft verricht. Hem, die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd, hebt gij door de hand van goddelozen aan het kruis genageld en gedood. Maar God heeft Hem ten leven opgewekt na de smarten van de dood te hebben ontbonden; want het was onmogelijk dat Hij daardoor werd vastgehouden” (Hand. 2, 22-24).

Jezus had voorgezegd en beloofd: “Hij (de Heilige Geest) zal over Mij getuigenis afleggen. Maar ook gij moet getuigen...”. Het is duidelijk dat het begin van dit “getuigenis” de eerste redevoering van Petrus te Jeruzalem is: het getuigenis over de gekruisigde en verrezen Heer; het getuigenis van de Geest-Parakleet en van de apostelen. En in de inhoud van dit eerste getuigenis “levert” de Geest der waarheid door de mond van Petrus “het overtuigend bewijs van wat zonde is”: allereerst wat de zonde betreft die de verwerping van de Christus is tot aan de terdoodveroordeling, tot aan het kruis op Golgotha. Volgens de tekst van de Handelingen der Apostelen zullen verklaringen met overeenkomstige inhoud zich herhalen bij andere gelegenheden en op verschillende plaatsen Vgl. Hand. 3, 14-15 Vgl. Hand. 4, 10.27-28 Vgl. Hand. 7, 52 Vgl. Hand. 10, 39 Vgl. Hand. 13, 28-31 enz..

Vanaf dit eerste getuigenis op Pinksteren is de werking van de Geest der waarheid, die “de wereld het overtuigend bewijs levert van de zonde” van de verwerping van Christus, stelselmatig verbonden met het getuigenis over het paasmysterie: het mysterie van de Gekruisigde en Verrezene. En in deze verbinding openbaart het “aantonen van de zonde” zijn heilsdimensie. Want het is een “aantonen” dat niet alleen maar tot doel heeft de wereld aan te klagen en nog minder haar te veroordelen. Jezus Christus is niet in de wereld gekomen om haar te oordelen en te veroordelen maar om haar te redden Vgl. Joh. 3, 17 Vgl. Joh. 12, 47 . Dit wordt reeds benadrukt in de eerste apostolische redevoering op Pinksteren. Petrus roept uit: “Voor heel het huis van Israël moet dus onomstotelijk vaststaan, dat God Hem en Heer en Christus heeft gemaakt, die Jezus die gij gekruisigd hebt” (Hand. 2, 36). En als de aanwezigen vervolgens vragen: “Wat moeten wij doen, mannen broeders?”, antwoordt Petrus: “Bekeert u en iedere van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de Heilige Geest ontvangen” (Hand. 2, 37s.)

Op deze wijze wordt het “aantonen van de zonde” tevens een aantonen van vergiffenis van de zonden, uit kracht van de Heilige Geest. In zijn redevoering te Jeruzalem spoort Petrus tot bekering aan, zoals Jezus zijn toehoorders aanspoorde aan het begin van zijn Messiaanse activiteit Vgl. Mc. 1, 15 . De bekering vereist dat men de zonde onderkent en zij sluit een innerlijk oordeel van het geweten in. Dit oordeel dat een bewijs is van de werking van de Geest der waarheid in het innerlijk van de mens, wordt tegelijk het nieuwe begin van de gave van de genade en de liefde: “Ontvangt de Heilige Geest” (Joh. 20, 22). Zo ontdekken wij in het “aantonen van de zonde” een tweevoudige schenking: de gave van de waarheid van het geweten en de gave van de waarheid van het geweten en de gave van de zekerheid van de verlossing. De Geest der waarheid en de Helper.

Het “aantonen van de zonde” door middel van het dienstwerk van de apostolische verkondiging in de beginnende Kerk wordt – onder de aandrang van de Geest die op Pinksteren is uitgestort – in verband gebracht met de verlossende kracht van de gekruisigde en verrezen Heer. Zo wordt de belofte over de Heilige Geest die voor Pasen is gedaan, vervuld: “Hij zal aan u verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft”. Als Petrus dus tijdens het pinkstergebeuren spreekt over de zonde van hen die “niet geloofd hebben” Vgl. Joh. 16, 9 en Jezus van Nazaret uitgeleverd hebben aan een smadelijke overwinning die in zekere zin behaald is door middel van de grootste zonde die de mens kon bedrijven: het doden van Jezus, de Zoon van God, één in wezen met de Vader! Op gelijke wijze overwint de dood van de Zoon van God de dood van de mens: “Ero mors tua, o mors” – “Ik zal uw dood zijn, o dood” – (Hos. 13, 14) Vgl. 1 Kor. 15, 55 , zoals de zonde van de kruisiging van de Zoon van god de menselijke zonde “overwint”! De zonde die bedreven werd te Jeruzalem op Goede Vrijdag – en ook iedere zonde van de mens. Op de grootste zonde van de mens antwoordt de Verlosser immers in zijn hart met de gave van de hoogste liefde die het kwaad van alle zonden van de mensen overtreft. Op grond van dit vaste geloof aarzelt de Kerk niet ieder jaar in de Romeinse liturgie gedurende de paaswake te herhalen: “O, felix culpa!” – “o, gelukkige schuld!” -, in de lofzang van de diaken op de verrijzenis, het “Exsultet”.

Maar niemand anders kan “de wereld”, de mens, het menselijk geweten “het overtuigend bewijs leveren” van deze onuitsprekelijke waarheid dan Hijzelf, de Geest der waarheid. Hij is de Geest die “de diepste geheimen van God doorgrondt” Vgl. 1 Kor. 2, 10 . Tegenover het mysterie van de zonde is het nodig “de diepste geheimen van God” tot op de bodem te doorgronden. Het is niet voldoende het menselijke geweten, het innerlijke mysterie van de mens, te doorgronden, maar het is nodig door te dringen in het innerlijke mysterie van God, in die “diepste geheimen” van God die samengevat worden in de synthese: aan de Vader – in de Zoon – door de Heilige Geest. Het is juist de Heilige Geest die ze doorgrondt en er het antwoord van God op de zonde van de mens in vindt. Met dit antwoord wordt het proces van het “aantonen van de zonde” afgesloten zoals het pinkstergebeuren duidelijk maakt.

Door de “wereld” het overtuigend bewijs te leveren van de zonde van Golgota, van de dood van het onschuldige Lam, zoals op Pinksteren gebeurt, toont de Heilige Geest ook iedere zonde aan, waar en wanneer ook bedreven in de mensengeschiedenis: want Hij toont het verband ervan aan met het kruis van Christus. Het “overtuigend bewijs leveren” is het aantonen van het kwaad van de zonde, van iedere zonde, in verbinding met het kruis van Christus. Als de zonde in dit verband wordt gezien, dan wordt zij onderkend in heel de omvang van het kwaad die haar eigen is door het mysterium iniquitatis – het geheim van het kwaad – Vgl. 2 Tess. 2, 7 dat zij in zich bevat en verbergt. De mens kent deze omvang niet – op geen enkele wijze, tenzij in het kruis van Christus. Daarom kan zij hem niet “aangetoond” worden tenzij door de Heilige Geest: de Geest der waarheid, maar ook de Helper.

In verbinding met het kruis van Christus wordt de zonde tegelijk onderkend in de volle omvang van het mysterium pietatis – het geheim van het geloof – Vgl. 1 Tim. 3, 16 , zoals de postsynodale apostolische exhortatie H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Reconciliatio et paenitentia
Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd
(2 december 1984)
heeft aangegeven Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd, Reconciliatio et paenitentia (2 dec 1984), 19-22. Ook dezelfde dimensie van de zonde kent de mens alleen door het kruis van Christus. En dit kan de mens ook alleen maar “aangetoond” worden door de Heilige Geest: door Hem die “de diepste geheimen van God doorgrondt”.

Dit is de dimensie van de zonde die wij aantreffen in het getuigenis over het begin dat opgetekend is in het boek Genesis Vgl. Gen. 1-3 . Het is de zonde die volgens het woord van de goddelijke openbaring het begin en de wortel van alle zonden vormt. Wij staan tegenover de oerwerkelijkheid van de zonde in de mensengeschiedenis en tevens in het geheel van het heilsbestel. Men kan zeggen dat in deze zonde het mysterium iniquitatis begint, maar ook dat dit de zonde is ten opzichte waarvan de verlossende kracht van het mysterium pietatis bijzonder doorzichtige en werkdadig wordt. Dit drukt Sint Paulus uit als hij tegenover de “ongehoorzaamheid” van de eerste Adam de “gehoorzaamheid” van Christus, de tweede Adam, stelt: “de gehoorzaamheid tot aan de dood” Vgl. Rom. 5, 19 Vgl. Fil. 2, 8 .

Volgens het getuigenis over het begin geschiedt de zonde in haar oervorm in de wil – en in het geweten – van de mens allereerst als “ongehoorzaamheid”, namelijk als verzet van de wil van de mens tegen de wil van God. Deze oorspronkelijke ongehoorzaamheid veronderstelt de weigering of minstens de afkeer van de waarheid die vervat is in het woord van God die de wereld schept. Dit woord is het Woord dat “in het begin....bij God” was, dat “God was” en zonder wie “niets is geworden van wat geworden is”, aangezien “de wereld door Hem geworden was” Vgl. Joh. 1, 1.2.3.10 Dit Woord is ook de eeuwige wet, de bron van alle wetten, die de wereld regelt en special het menselijk handelen. Toen Jezus Christus dus op de vooravond van zijn lijden sprak over de zonde van hen die “niet in Hem geloven”, weerklonk in deze smartelijke woorden als het ware een verre echo van de oerzonde die op duistere wijze binnendringt in het mysterie van de schepping. Want degene die sprak, is niet alleen de Mensenzoon maar tevens de “eerstgeborene van heel de schepping”, “want in Hem is alles geschapen:...door Hem en voor Hem” Vgl. Kol. 1, 15-18 . In het licht van deze waarheid begrijpt men dat de “ongehoorzaamheid” in het mysterie van het begin in zekere zin hetzelfde “ongeloof”, hetzelfde “ze hebben niet geloofd”, veronderstelt dat zich zal herhalen ten opzichte van het paasmysterie. Zoals gezegd gaat het om de weigering of tenminste om de afkeer van de waarheid die vervat is in het Woord van de Vader. De weigering drukt zich praktisch uit als “ongehoorzaamheid”, in een daad die gesteld is als gevolg van de verzoeking welke van de “vader van de leugen” komt Vgl. Joh. 8, 44 . De wortel van de zonde van de mens is dus de leugen als radicale weigering van de waarheid die vervat is in het Woord van de Vader door wie de liefderijke almacht van de Schepper zich uitdrukt: de almacht en de liefde “van God de Vader, Schepper van hemel en aarde”.

“De Geest van God” die volgens de bijbelse beschrijving van de schepping “over de wateren zweefde” Vgl. Gen. 1, 2 , duidt dezelfde Geest aan als de “Geest die de diepste geheimen van God doorgrondt”; Hij doorgrondt de diepste geheimen van de Vader en van het Woord, de Zoon, in het mysterie van de schepping. Hij is niet slechts de directe getuige van hun wederzijdse liefde waaruit de schepping voortkomt, maar Hij is zelf deze liefde. Hij is zelf, als liefde, de eeuwige ongeschapen gave. Hij is de bron en het begin van iedere gave aan de schepselen. Het getuigenis over het begin dat wij in heel de openbaring vinden, te beginnen met het boek Genesis, is op dit punt eenstemmig. Scheppen wil zeggen: uit het niet tot het bestaan roepen; scheppen wil dus zeggen: het bestaan schenken. En als de zichtbare wereld geschapen wordt voor de mens, dan wordt de wereld aan de mens geschonken Vgl. Gen. 1, 26.28-29 . Tegelijk ontvangt de mens in zijn eigen mensheid een bijzonder “beeld en gelijkenis” van God ten geschenke. Dit betekent niet alleen rede en vrijheid als constitutieve eigenschappen van de menselijke natuur, maar ook, vanaf het begin, vermogen tot een persoonlijke betrekking met God, als “ik” en “U”, en dus vermogen tot het verbond dat tot stand zal komen in het heil waarmee God zich aan de mens mededeelt. Tegen de achtergrond van het “beeld en de gelijkenis” van God betekent “de gave van de Geest” tenslotte roeping tot de vriendschap waarin de transcendente “diepste geheimen van God” in zekere zin geopend worden voor de deelname van de mens. Het Tweede Vaticaans Concilie leert: “De onzichtbare God Vgl. Kol. 1, 15 Vgl. 1 Tim. 1, 17 spreekt uit de overvloed van zijn liefde de mensen aan als zijn vrienden Vgl. Ex. 33, 11 Vgl. Joh. 15, 14-15 en gaat met hen om Vgl. Bar. 3, 38 , om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2
Daarom kent de Geest die “alles doorgrondt, zelfs de diepste geheimen van God” vanaf het begin “de geheimen van de mens” Vgl. 1 Kor. 2, 10s. Juist hierom kan alleen Hij ten volle “de zonde aantonen” die aan het begin staat, de zonde die de wortel is van alle andere zonden en de nooit uitdovende haard van de zondigheid van de mens op aarde. De Geest der waarheid kent de oorspronkelijke realiteit van de zonde die in de wil van de mens veroorzaakt is op aanzetting van de “vader van de leugen” – van hem die reeds “geoordeeld is” Vgl. Joh. 16, 11 . De Heilige Geest levert de wereld dus het overtuigend bewijs van wat zonde is door te verwijzen naar deze “veroordeling”, maar terwijl Hij voortdurend naar de gerechtigheid leidt die aan de mens geopenbaard is samen met het kruis van Christus: door middel van de “gehoorzaamheid tot de dood toe” Vgl. Fil. 2, 8 .

Alleen de Geest kan het overtuigend bewijs leveren van de zonde van het begin van de mens. Juist Hij die de liefde van de Vader en de Zoon is, die gave is, terwijl de zonde van het begin van de mens bestaat in de leugen en in de weigering van de gave en de liefde die in het begin van de wereld en de mens bepaald hebben.

Volgens het getuigenis over het begin dat wij in de Schrift en de Traditie vinden, na de eerste (en ook meest volledige) beschrijving ervan in het boek Genesis, is de zonde in haar oervorm “ongehoorzaamheid”, wat eenvoudig en direct betekent: overtreding van een door God opgelegd verbod Vgl. Gen. 2, 16s . Maar in het licht van heel de context is het ook duidelijk dat de wortels van deze ongehoorzaamheid gezocht moeten worden diep in heel de bestaande situatie van de mens. De mens die tot het bestaan is geroepen – man en vrouw -, is een schepsel. Het “beeld van God” dat in de rede en de vrijheid bestaat, maakt de grootheid en de waardigheid van het menselijk subject uit dat persoon is. Maar dit persoonlijke subject is ook altijd een schepsel: in zijn wezen en bestaan hangt het van de Schepper af. Volgens het boek Genesis moest “de boom van de kennis van goed en kwaad” aan de mens de “grens” duidelijk maken en voortdurend in herinnering brengen welke een geschapen wezen niet mag overschrijden. In deze zin moet het verbod van God verklaard worden: de Schepper verbiedt aan de man en de vrouw de vruchten te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. De woorden van de aanzetting, van de verzoeking dus, zoals ze geformuleerd zijn in de gewijde tekst, verleiden tot overtreding van dit verbod – tot overschrijding van de grens dus: “Als u eet van de boom, zullen uw ogen opengaan en dan zult u gelijk worden aan God (“worden als goden”), door de kennis van goed en kwaad” (Gen. 3,5).

De “ongehoorzaamheid” betekent precies de overschrijding van deze grens die de wil en de vrijheid van de mens als geschapen wezen niet mogen overschrijden. God de Schepper is immers de enige en beslissende bron van de zedelijke orde in de wereld die Hij geschapen heeft. De mens kan niet uit zichzelf bepalen wat goed en wat kwaad is – kan niet “het goed en het kwaad kennen, zoals God”. Ja, in de geschapen wereld blijft God de eerste en hoogste bron van de beslissing over goed en kwaad, door middel van de innerlijke waarheid van het zijn die weerspiegeling is van het Woord, de eeuwige Zoon die één in wezen met de Vader is. De Heilige Geest geeft aan de mens die geschapen is naar het beeld van God, het geweten ten geschenke, opdat daarin het beeld trouw zijn model kan weerspiegelen dat de eeuwige wijsheid en wet is, de bron van de morele orde in de mens en in de wereld. Als oorspronkelijke dimensie van de zonde betekent de “ongehoorzaamheid” afwijzing van deze bron, door de aanmatiging van de mens onafhankelijke en uitsluitende bron te worden van de beslissing over goed en kwaad. De Geest die “de diepste geheimen van God doorgrondt”, en die tevens voor de mens het licht van het geweten en de bron van de zedelijke orde is, kent in heel haar omvang deze dimensie van de zonde die binnengedrongen is in het mysterie van het begin van de mens. En Hij houdt niet op “de wereld de zonde aan te tonen” in verbinding met het kruis van Christus op Golgotha.

Document

Naam: DOMINUM ET VIVIFICANTEM
Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 18 mei 1986
Copyrights: © 1986 Stg. Verkondiging van het Bisdom Roermond
Bewerkt: 14 september 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam