• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Jezus Christus zal zich aan het begin van zijn Messiaanse activiteit beroepen op deze aankondiging die vervat is in de woorden van Jesaja. Dat zal gebeuren in Nazaret, waar Hij dertig jaren van zijn leven doorgebracht had in het huis van Jozef, de timmerman, naast Maria, zijn maagdelijke Moeder. Toen Hij de gelegenheid kreeg het woord te nemen in de synagoge, opende Hij het boek van Jesaja en vond de passage waar geschreven staat: “De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft”, en na deze tekst gelezen te hebben zij Hij tot de aanwezigen: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan” Vgl. Lc. 4, 16-21 Vgl. Jes. 61, 1s. Op deze wijze beleed en verklaarde Hij degene te zijn die “gezalfd is” door de Vader, de Messias, degene in wie de volheid van deze Geest bezit, degene die het “nieuwe begin” betekent van de gave die God in de Geest aan de mensheid schenkt.
Ook al is Jezus in zijn vaderstad Nazaret niet geaccepteerd als Messias, toch wordt zijn Messiaanse zending in de Heilige Geest aan het begin van zijn openbaar leven aan het volk geopenbaard door Johannes de Doper. Deze zoon van Zacharias en Elisabet kondigt bij de Jordaan de komst van de Messias aan en dient het doopsel van bekering toe. Hij zegt: “Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur” (Lc. 3, 16) Vgl. Mt. 3, 11 Vgl. Mc. 1, 7s. Vgl. Joh. 1, 33 .

Johannes de Doper kondigt de Messias-Christus niet alleen aan als degene die “komt” in de Heilige Geest, maar ook als degene die de Heilige Geest “brengt”, zoals Jezus nog duidelijker zal openbaren in het cenakel. Johannes is hier de trouwe echo van de woorden van Jesaja die bij de profeet uit het Oude Testament betrekking hadden op de toekomst, terwijl ze in zijn onderricht op de oever van de Jordaan de onmiddellijke inleiding vormen op de nieuwe Messiaanse werkelijkheid. Johannes is niet alleen een profeet maar ook een bode: hij is de voorloper van Christus. Wat hij aankondigt wordt voor aller ogen werkelijkheid. Jezus van Nazaret komt naar de Jordaan om ook het doopsel van bekering te ontvangen. Als Johannes Hem ziet aankomen, zegt hij: “Zie, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt” (Joh. 1, 29). Dit zegt hij op ingeving van de Heilige Geest Vgl. Joh. 1, 33s. en hij getuigt dat de profetie van Jesaja in vervulling is gegaan. Terzelfder tijd belijdt hij zijn geloof in de heilszending van Jezus van Nazaret. Uit de mond van Johannes de Doper is “Lam Gods” een vaststelling van de waarheid omtrent de Verlosser die niet minder relevant is dan de door Jesaja gebruikte uitdrukking “Dienaar van Jahwe”.

Zo wordt door het getuigenis van Johannes bij de Jordaan Jezus van Nazaret die door zijn stadgenoten verworpen is, verheven voor de ogen van Israël als Messias, als met de Heilige Geest “Gezalfde” dus. En dit getuigenis wordt versterkt door een ander getuigenis van hogere orde dat door de drie synoptici vermeld wordt. Want toen al het volk gedoopt was en Jezus na het doopsel ontvangen te hebben in gebed was, “ging de hemel open en daalde de Heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif, over Hem neer” (Lc. 3, 21s.) Vgl. Mt. 3, 16 Vgl. Mc. 1, 10 en tegelijkertijd “sprak een stem uit de hemel: Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld” (Mt. 3, 17).

Dit is een trinitaire theofanie die getuigt van de verheffing van Jezus bij gelegenheid van het doopsel van Johannes de Doper, maar het onthult een nog diepere dimensie van de waarheid over Jezus van Nazaret als Messias: de Messias is de welbeminde Zoon van de Vader. Zijn plechtige verheffing beperkt zich niet tot de Messiaanse zending van de “Dienaar van Jahwe”. In het licht van de theofanie bij de Jordaan betreft deze verheffing het mysterie van de Persoon zelf van de Messias. Hij wordt verheven omdat Hij de Zoon van het goddelijk welbehagen is. De stem uit de hemel zegt: “Mijn Zoon”.

De theofanie bij de Jordaan verheldert slechts vluchtig het mysterie van Jezus van Nazaret, wiens gehele activiteit zich zal ontplooien in de Heilige Geest. Vgl. H. Basilius van Caesarea, Liber de Spiritu Sancto. XVI, 39: PG 32, 139 Jezus zou zelf dit mysterie geleidelijk openbaren en bevestigen door alles wat Hij “deed en leerde” (Hand. 1, 1). In de lijn van dit onderricht en van de Messiaanse tekenen die Jezus verrichte voor de afscheidsrede in het cenakel, treffen wij gebeurtenissen en woorden aan die bijzonder belangrijke elementen vormen van deze voortschrijdende openbaring. Zo laat de evangelist Lucas, die reeds vermeld heeft dat Jezus “vervuld was van de Heilige Geest” en “door de Heilige Geest naar de woestijn was gevoerd" (Lc. 4, 1), ons weten dat, nadat de tweeënzeventig leerlingen teruggekeerd waren van de zending die de Meester hun had toevertrouwd Vgl. Lc. 10, 17-20 en Hem vol vreugde de vruchten van hun werk hadden verteld, “op datzelfde uur Jezus, vervuld van de Heilige Geest, het uitjubelde en zei: Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja Vader, zo heeft het u behaagd” (Lc. 1, 21) Vgl. Mt. 11, 25s. . Jezus juicht over het goddelijke vaderschap; Hij juicht omdat het Hem gegeven is dit vaderschap te openbaren; Hij juicht tenslotte als om een bijzondere uitstraling van dit goddelijk vaderschap over de “kleinen”. En de evangelist karakteriseert dit alles als “jubel in de Heilige Geest”.

Deze jubel spoort Jezus in zekere zin aan nog meer te zeggen:“Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand weet wie de Zoon is tenzij de Vader; en wie de Vader is tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren” (Lc. 10, 22) Vgl. Mt. 11, 27 .

Wat tijdens de theofanie bij de Jordaan om zo te zeggen “van buiten af” gekomen is, uit de hemel, komt hier “van binnenuit”, dat wil zeggen uit het diepste innerlijk van Jezus. Het is een andere openbaring van de Vader en de Zoon, verenigd in de Heilige Geest.

Jezus spreekt alleen over het vaderschap van God en over zijn eigen zoonschap. Hij spreekt niet direct over de Heilige Geest die liefde is en daarom de band tussen de Vader en de Zoon. Wat hij zegt over de Vader en over zichzelf als Zoon, ontspringt niettemin uit de volheid van de Geest die in Hem is en die zich uitstort in zijn hart, zijn eigen “Ik” doordringt, zijn handelen inspireert en vanuit de diepte opwekt. Vandaar dat “uitjubelen in de Heilige Geest”. De vereniging van Christus met de Heilige Geest waarvan Hij zich ten volle bewust is, drukt zich uit in de “jubel”, welke in zekere zin zijn verborgen bron zichtbaar maakt. Zo zijn er een bijzondere openbaring en verheffing die eigen zijn aan de Mensenzoon, aan Christus, de Messias, wiens mensheid toebehoort aan de persoon van Gods Zoon, die één in wezen is met de Heilige Geest in de godheid.

In de prachtige belijdenis van het vaderschap van God openbaart Jezus van Nazaret ook zichzelf, zijn goddelijk “Ik”. Hij is immers de Zoon die “één in wezen is met de Vader”, en daarom “kent niemand de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon”, die “voor ons en omwille van ons heil” mens is geworden door de Heilige Geest en geboren is uit een maagd wier naam Maria was.

Dank zij zijn verhaal voert Lucas ons zeer dicht bij de waarheid die vervat is in de rede in het cenakel. Jezus van Nazaret die “verheven” is in de Heilige Geest, openbaart zich tijdens deze rede en dit gesprek als degene die de Geest “brengt”, als degene die Hem aan de apostelen en de Kerk moet brengen en “geven” tegen de prijs van zijn “heengaan” door middel van het kruis.

Met het werkwoord “brengen” wil men hier allereerst zeggen: “openbaren”. Het Oude Testament heeft vanaf het boek Genesis de Geest van God op zekere wijze eerst doen kennen als de “inblazing” van God die het leven geeft, als een bovennatuurlijke “levensadem”. In het boek van Jesaja wordt Hij voorgesteld als een “gave” voor de persoon van de Messias, als degene die op hem rust, om van binnenuit heel zijn heilswerk te leiden. Bij de Jordaan heeft de aankondiging van Jesaja concrete gestalte aangenomen: Jezus van Nazaret is degene die komt in de Heilige Geest en Hem brengt als gave van zijn eigen Persoon, om Hem te verspreiden door zijn mensheid: “Hij zal u dopen met de Heilige Geest “ (Mt. 3, 11)(Lc. 3, 16). In het evangelie wordt deze openbaring van de Heilige Geest bevestigd en verrijkt als innerlijke bron van het leven en het Messiaanse handelen van Jezus Christus.

In het licht van wat Jezus zegt in de rede in het cenakel wordt de Heilige Geest geopenbaard op een nieuwe en meer volledige wijze. Hij is niet alleen een gave aan de persoon (aan de persoon van de Messias), maar een Persoon-gave. Jezus kondigt zijn komst aan als de komst van “een andere Helper” die, omdat Hij de Geest der waarheid is, de apostelen en de Kerk “tot de volle waarheid” zal brengen (Joh. 16, 13). Dit zal geschieden vanwege de speciale gemeenschap tussen de Heilige Geest en Christus: “Hij zal u verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft” (Joh. 16, 14). Deze gemeenschap heeft haar oorsprong en bron in de Vader: “Ik zei dat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft, omdat al wat de Vader heeft het mijne is” (Joh. 16, 15). De Heilige Geest die uitgaat van de Vader, wordt gezonden door de Vader (Joh. 14, 26)(Joh. 15, 26). De Heilige Geest is eerst gezonden als gave voor de Zoon die mens is geworden, om de Messiaanse beloften te vervullen. Na het “heengaan” van Christus-de Zoon zal de Heilige Geest volgens de tekst van Johannes rechtstreeks “komen” – wat zijn nieuwe zending is – om het werk van de Zoon te voltooien. Zo zal Hij het nieuwe tijdperk van de heilsgeschiedenis tot voleinding brengen.

Wij staan op de drempel van het Paasgebeuren. De nieuwe definitieve openbaring over de Heilige Geest als Persoon die de gave is, geschiedt juist op dit ogenblik. Het Paasgebeuren – het lijden, de dood en de verrijzenis van Christus – is ook de tijd van de nieuwe komst van de Heilige Geest, als Parakleet en Geest der waarheid. Het is de tijd van het “nieuwe begin” van de zelfmededeling van de drie-ene God aan de mensheid in de Heilige Geest, door het werk van Christus de Verlosser. Dit nieuwe begin is de verlossing van de wereld: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven” (Joh. 3, 16). Reeds in het “geven” van de Zoon, in de gave van de Zoon, drukt zich het diepste wezen van God uit die als liefde de onuitputtelijke bron van de schenking is. In de gave die door de Zoon wordt gegeven, worden de openbaring en de schenking van de eeuwige liefde voltooid: de Heilige Geest, die in de ondoorgrondelijke diepte van de godheid een Persoon-gave is, wordt door het werk van de Zoon, door middel van het paasmysterie, op een nieuwe wijze aan de apostelen en de Kerk gegeven en door hen aan de mensheid en de gehele wereld.

Dit mysterie wordt op de dag van de verrijzenis op definitieve wijze uitgedrukt. Op die dag wordt Jezus van Nazaret “die naar het vlees geboren is uit het geslacht van David”, zoals de apostel Paulus schrijft, “naar de Geest van heiligheid als Zoon van God in kracht... gesteld, door zijn opstanding uit de doden” (Rom. 1, 3s.). Zo kan men zeggen dat de Messiaanse “verheffing” van Christus in de Heilige Geest haar hoogtepunt bereikt in de verrijzenis, waarin Hij zich ook openbaart als Zoon van God “vol kracht”. En deze kracht waarvan de bronnen ontspringen in de ondoorgrondelijke gemeenschap van de Drie-eenheid, openbaart zich allereerst in het feit dat de verrezen Christus die van de ene kant de belofte van God vervult welke eens door de mond van de profeet was uitgesproken: “Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u storten...mijn geest” (Ez. 36, 26s.) Vgl. Joh. 7, 37-39 Vgl. Joh. 19, 34 , van de andere kant zijn eigen belofte vervult welke Hij aan de apostelen gedaan had met de woorden: “Nu Ik wel ga, zal Ik Hem tot u zenden” (Joh. 16,7). Hem: de Geest der waarheid, de Parakleet, die door de verrezen Christus gezonden is om ons om te vormen naar zijn eigen beeld als verrezene. Vgl. H. Cyrillus van Alexandrië, Commentaar op het Evangelie volgens Johannes, Commentarium in Joannis Evangelium. V, II: PG 73, 755

Zie: “In de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats van de leerlingen gesloten waren uit de vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met u’. Na dit gezegd te hebben, toonde Hij hun zijn handen zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: ‘Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u’. Na deze woorden blies Hij over hen en zei: ‘Ontvangt de Heilige Geest’ “. (Joh. 20, 19-22). Alle bijzonderheden van deze sleuteltekst van het evangelie van Johannes hebben hun eigen betekenis, speciaal als wij ze lezen onder verwijzing naar de woorden die uitgesproken zijn in het cenakel aan het begin van het Paasgebeuren. Dit gebeuren – het triduum sacrum van Jezus die de Vader gewijd heeft door de zalving en in de wereld gezonden – komt tot voleinding. Christus die als Mensenzoon en Lam Gods “de geest gegeven had” op het kruis Vgl. Joh. 19, 30 , gaat, eenmaal verrezen, naar de apostelen om “over hen te blazen” met de kracht waarover de brief aan de Romeinen spreekt Vgl. Rom. 1, 4 . De komst van de Heer vervult de aanwezigen met vreugde: “Hun droefenis verkeert in vreugde” Vgl. Joh. 16, 20 , zoals Hij zelf reeds beloofd had voor zijn lijden. En vooral de voornaamste belofte van de afscheidsrede wordt vervuld: als het ware een nieuwe schepping beginnend “brengt” de verrezen Christus de Heilige Geest aan de apostelen. Hij brengt Hem tegen de prijs van zijn “heengaan”; Hij geeft hun deze Geest om zo te zeggen door de wonden van zijn kruisiging: “Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde”. Het is uit kracht van deze kruisiging dat Hij hun zegt: “Ontvangt de Heilige Geest”.

Zo wordt er een nauwe band gevestigd tussen de zending van de Zoon en de zending van de Heilige Geest. De Heilige Geest wordt (na de erfzonde) niet gezonden zonder het kruis en de verrijzenis: “Als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen” (Joh. 16, 7). Ook in de verlossing wordt een nauwe band gevestigd tussen de zending van de Heilige Geest en de zending van de Zoon. De zending van de Zoon vindt in zekere zin haar “voltooiing” in de verlossing. De zending van de Heilige Geest “put” uit de verlossing: “Hij zal u verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft” (Joh. 16,15). De verlossing wordt geheel bewerkt door de Zoon als de Gezalfde die gekomen is en gehandeld heeft uit kracht van de Heilige Geest en zich tenslotte als offer aangeboden heeft op het hout van het kruis. En deze verlossing wordt tegelijk voortdurend bewerkt in het hart en het geweten van de mensen – in de geschiedenis van de wereld – door de Heilige Geest die de “andere Helper” is.

Document

Naam: DOMINUM ET VIVIFICANTEM
Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 18 mei 1986
Copyrights: © 1986 Stg. Verkondiging van het Bisdom Roermond
Bewerkt: 14 september 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam