• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DIE ROEPEN IN NOOD, NAAR HEN LUISTERT DE HEER
2e Werelddag voor de armen - 33e Zondag door het Jaar, 18 nov. 2018

“Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer” (Ps. 34, 7). De woorden van de psalmist worden ook de onze op het ogenblik dat wij geroepen zijn om de verschillende omstandigheden van lijden en marginalisering onder ogen te zien waarin zoveel broeders en zusters leven die wij gewoonlijk aanduiden met de algemene term “armen”. De schrijver van deze woorden is niet onbekend met deze omstandigheden, integendeel. Hij ervaart de armoede aan den lijve en verandert haar toch in een lied van lofprijzing van en dank aan de Heer. Vandaag maakt deze psalm het ook ons, die door zoveel vormen van armoede zijn omgeven mogelijk te begrijpen wie de ware armen zijn. Wij zijn geroepen de blik te richten op hen om te luisteren naar hún roepen en hun noden te erkennen.

Vóór alles wordt tegen ons gezegd dat de Heer luistert naar de armen die tot Hem roepen, en dat Hij goed is voor hen die hun toevlucht tot Hem zoeken met een hart dat gebroken is door droefheid, eenzaamheid en uitsluiting. Hij luistert naar allen die worden vertrapt in hun waardigheid en desondanks de kracht hebben hun blik naar boven te richten om licht en vertroosting te ontvangen. Hij luistert naar hen die worden vervolgd in de naam van een valse gerechtigheid, onderdrukt door een politiek die deze naam onwaardig is, en beangstigd door geweld; en toch weten zij dat zij in God hun Heiland hebben. Wat uit dit gebed naar boven komt, is vooral het gevoel van overgave aan en vertrouwen in een Vader die luistert en ontvankelijk is. Op de golflengte van deze woorden kunnen wij dieper begrijpen wat Jezus heeft verkondigd met de zaligspreking “Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen” (Mt. 5, 3).

Krachtens deze unieke, en om vele redenen onverdiende en moeilijk volledig uit te drukken ervaring voelt men hoe dan ook het verlangen om deze aan anderen mee te delen, vóór alles aan allen die, zoals de psalmist, arm, afgewezen, gemarginaliseerd zijn. Niemand mag zich immers van de liefde van de Vader uitgesloten voelen, vooral in een wereld die vaak de rijkdom verheft tot eerste doel en de mensen in zichzelf opsluit.

De psalm karakteriseert de houding van de arme en zijn verhouding met God met drie werkwoorden. Het eerste is: “roepen”. De toestand van armoede kan niet met één woord worden beschreven, maar wordt een kreet die door de hemelen heen gaat en God bereikt. Wat drukt de kreet van de arme anders uit dan zijn lijden en eenzaamheid, zijn desillusie en hoop? Wij kunnen ons afvragen: hoe kan het dat deze kreet, die omhoog stijgt tot voor Gods aanschijn, onze oren niet bereikt en deze ons onverschillig en onaangedaan laat? Op een Dag als deze zijn wij geroepen tot een ernstig gewetensonderzoek om te begrijpen of wij werkelijk in staat zijn om naar de armen te luisteren.

Wij hebben behoefte aan de stilte van het luisteren om hun stem te herkennen. Als wij teveel praten, zullen wij er niet in slagen naar hen te luisteren. Ik ben vaak bang dat veel initiatieven, hoe prijzenswaardig en noodzakelijk ook, meer erop gericht zijn om onszelf te behagen dan om werkelijk de kreet van de arme gewaar te worden. In dat geval is, op het ogenblik dat de armen hun kreet laten horen, de reactie niet consequent: niet in staat om aan te sluiten bij hun toestand. We zijn zo verstrikt geraakt in een cultuur die ertoe verplicht naar onszelf in de spiegel te kijken en bovenmatig voor onszelf te zorgen, dat we van mening zijn dat een gebaar van altruïsme voldoende kan zijn om de mensen tevreden te stellen zonder ons direct in gevaar te brengen.

Een tweede werkwoord is “antwoorden”. De Heer, zo zegt de psalmist, luistert niet alleen naar de kreet van de arme, maar Hij antwoordt. Zijn antwoord is, zoals heel de heilsgeschiedenis laat zien, een volledige deelname van liefde aan de toestand van de arme. Dat is zo geweest, toen Abraham God zijn verlangen tot uitdrukking bracht om een nageslacht te hebben, ondanks dat hij en zijn vrouw Sara geen kinderen hadden. Vgl. Gen. 15, 1-6 Dat is gebeurd, toen Mozes door het vuur van een braamstruik die brandde zonder verteerd te worden, de openbaring van de goddelijke naam en de zending heeft ontvangen om het volk uit Egypte te laten vertrekken. Vgl. Ex. 3, 1-15 En dat antwoord is bevestigd gedurende heel de tocht van het volk door de woestijn; toen het de kwellingen van de honger en de dorst voelde Vgl. Ex. 16, 1-16 Vgl. Ex. 17, 1-7 en toen het verviel tot de ergste ellende, dat wil zeggen de ontrouw aan het verbond en de afgodendienst. Vgl. Ex. 32, 1-14

Het antwoord van God aan de arme is altijd een ingreep van heil om de wonden van ziel en lichaam te helen, om de gerechtigheid te herstellen en te helpen het leven met waardigheid weer op te nemen. Het antwoord van God is ook een oproep voor wie ook maar in Hem gelooft, om evenzo te doen binnen de grenzen van het menselijke. De Werelddag van de Armen wil een klein antwoord zijn dat vanuit de hele, over de wereld verspreide, Kerk zich richt tot alle armen van ieder land, opdat zij niet denken dat hun kreet in het luchtledige is terechtgekomen. Waarschijnlijk is het als een druppel water in de woestijn van de armoede; maar toch kan het een teken van samen delen zijn voor hen die in nood verkeren, om de actieve aanwezigheid te voelen van een broeder en een zuster. De armen hebben geen behoefte aan een daad van delegeren, maar aan een persoonlijke betrokkenheid van allen die luisteren naar hun kreet. De zorg van de gelovigen mag zich niet beperken tot een vorm van bijstand - hoe noodzakelijk en gepast op het eerste ogenblik ook -, maar vereist de “aandacht van liefde” Paus Franciscus, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verkondiging van het Evangelie in de wereld van vandaag - Naar aanleiding van de Bisschoppensynode 2012 over de nieuwe evangelisatie, Evangelii Gaudium (24 nov 2013), 199 die de ander als persoon eert en zijn welzijn zoekt.

Een derde werkwoord is “bevrijden”. De arme van de Bijbel leeft met de zekerheid dat God ten gunste van hem ingrijpt om hem zijn waardigheid terug te geven. Armoede wordt niet gezocht, maar veroorzaakt door egoïsme, hoogmoed, hebzucht en ongerechtigheid. Kwaden die zo oud zijn als de mens, maar nog altijd zonden die zoveel onschuldigen treffen en leiden tot dramatische maatschappelijke consequenties. De handeling waarmee de Heer bevrijdt, is een daad van heil voor al degenen die Hem hun verdriet en angst hebben getoond. De gevangenschap van de armoede wordt doorbroken door de kracht van Gods ingrijpen. Veel psalmen vertellen en vieren deze heilsgeschiedenis die een bevestiging vindt in het persoonlijke leven van de arme: “Hij bekommert zich om de gekwelde. Hij wendt zijn aangezicht niet af, maar luistert naar zijn roepen” (Ps. 22, 25). Gods aangezicht kunnen aanschouwen is een teken van zijn vriendschap, zijn nabijheid, zijn heil. “Ik mag mij verheugen in uw erbarmen, Gij ziet mijn ellende, [...] geeft mijn voeten ruim baan” (Ps. 31, 8-9). De arme “ruim baan” bieden is gelijk aan hem bevrijden uit de “strik van de jagers” (Ps. 91, 3), hem losmaken uit de val die hem op zijn weg is gezet, opdat hij ongehinderd kan gaan en met serene blik naar het leven kan kijken. Gods heil neemt de vorm aan van een naar de arme uitgestoken hand, die opname aanbiedt, beschermt en het mogelijk maakt de vriendschap te voelen waaraan hij behoefte heeft. Beginnend bij deze concrete en tastbare nabijheid start een echt traject van bevrijding: “Iedere Christen en iedere gemeenschap is geroepen om instrument van God te zijn voor de bevrijding en de vooruitgang van de armen, zodat zij ten volle kunnen integreren in de maatschappij; dit veronderstelt dat wij volgzaam en oplettend zijn om de kreet van de arme te horen en hem hulp te bieden”. Paus Franciscus, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verkondiging van het Evangelie in de wereld van vandaag - Naar aanleiding van de Bisschoppensynode 2012 over de nieuwe evangelisatie, Evangelii Gaudium (24 nov 2013), 187

Het ontroert mij te weten dat zoveel armen zich hebben vereenzelvigd met Bartimeüs, over wie de evangelist Marcus het heeft. Vgl. Mc. 10, 46-52 De blinde Bartimeüs “zat langs de weg te bedelen” (Mc. 10, 46) en toen hij Jezus voorbij hoorde komen, “begon hij luidkeels te roepen” en de “Zoon van David” te smeken medelijden met hem te hebben. Vgl. Mc. 10, 47 “Velen snauwden hem toe te zwijgen, maar hij riep nog veel harder” (Mc. 10, 48). De Zoon van God luisterde naar zijn roepen: “‘Wat wilt ge dat Ik voor u doe?’. De blinde antwoordde: ‘Rabboeni, maak dat ik zien kan!’” (Mc. 10, 51). Deze bladzijde uit het Evangelie maakt zichtbaar wat de psalmist verkondigde als belofte. Bartimeüs is een arme die verstoken is van fundamentele vermogens zoals zien en werken. Hoeveel routes leiden ook vandaag nog tot vormen van onzekerheid! Het gebrek aan basale bestaansmiddelen, de marginaliteit, wanneer men niet meer volledig beschikt over eigen werkkracht, de verschillende vormen van maatschappelijke slavernij ondanks de door de mensheid tot stand gebrachte vooruitgang... Hoeveel armen zitten er zoals Bartimeüs vandaag aan de rand van de weg en zoeken naar een zin voor hun toestand! Hoeveel van hen vragen zich af waarom zij diep in deze afgrond terecht zijn gekomen en hoe zij eruit kunnen komen! Zij wachten erop dat iemand tot hen nadert en zegt: “Heb goede moed! Sta op, Hij roept u” (Mc. 10, 49).

Het gebeurt helaas vaak dat de stemmen die men hoort daarentegen verwijtend zijn en verzoeken om te zwijgen en te ondergaan. Het zijn valse stemmen, vaak bepaald door een angst voor de armen, die niet alleen worden beschouwd als nooddruftige personen, maar ook als mensen die onzekerheid, instabiliteit, verwarring in het dagelijks leven brengen en daarom moeten worden afgewezen en op een afstand moeten worden gehouden. Men neigt ertoe een afstand tussen zichzelf en hen te creëren en men realiseert zich niet dat men zich zo verwijdert van de Heer Jezus, die hen niet afwijst, maar hen tot zich roept en hen troost. Hoe toepasselijk klinken in dit geval de woorden van de profeet over de levensstijl van een gelovige: “de strengen van het juk losmaken, de geknechte de vrijheid hergeven en alle jukken door te breken [...] uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet” (Jes. 58, 6-7). Deze handelwijze maakt het mogelijk dat de zonde wordt vergeven Vgl. 1 Pt. 4, 8 , dat de gerechtigheid haar weg aflegt en dat, wanneer wij tot de Heer roepen, Hij dan zal antwoorden en zeggen: hier ben Ik!. Vgl. Jes. 58, 9

De armen zijn de eersten die in staat zijn om de tegenwoordigheid van God te herkennen en getuigenis af te leggen van zijn nabijheid in hun leven. God blijft zijn belofte trouw en ook in de duisternis van de nacht laat Hij het niet ontbreken aan de warmte van zijn liefde en vertroosting. Om echter de drukkende toestand van de armoede te overwinnen is het noodzakelijk dat zij de aanwezigheid van de broeders en zusters gewaar worden die zich om hen bekommeren en die door de deur van hun hart en leven open te zetten, hen laten voelen dat zij hun vrienden en familieleden zijn. Alleen zo kunnen wij “de reddende kracht van hun leven erkennen” en “dit in het middelpunt van de weg van de Kerk te plaatsen”. Paus Franciscus, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verkondiging van het Evangelie in de wereld van vandaag - Naar aanleiding van de Bisschoppensynode 2012 over de nieuwe evangelisatie, Evangelii Gaudium (24 nov 2013), 198

Op deze Werelddag worden wij uitgenodigd een concrete vorm te geven aan de woorden van de psalm: “De armen zullen eten en verzadigd worden” (Ps. 22, 27). Wij weten dat in de tempel van Jeruzalem na de offerrite het gastmaal plaatsvond. In veel bisdommen is dit een ervaring geweest die afgelopen jaar de viering van de Eerste Werelddag van de Armen heeft verrijkt. Velen hebben de warmte van een huis gevonden, de vreugde van een feestmaal en de solidariteit van allen die hun tafel op een eenvoudige en broederlijke wijze hebben willen delen. Ik zou graag willen dat ook dit jaar en in de toekomst deze Dag zou worden gevierd in het teken van de vreugde voor het hervonden vermogen om samen te zijn. Samen in gemeenschap bidden en op zondag de maaltijd delen, het is een ervaring die ons terugbrengt naar de eerste Christengemeenschap die de evangelist Lucas beschrijft in al haar originaliteit en eenvoud: “Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed. [...] Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte” (Hand. 2, 42.44-45).

De christelijke gemeenschap onderneemt iedere dag talloze initiatieven om een teken van nabijheid en troost te bieden in vele vormen van armoede die wij voor ons zien. Vaak slaagt de samenwerking met andere instanties die niet door het geloof, maar door menselijke solidariteit worden bezield, erin om hulp te bieden die wij alleen niet zouden kunnen verwezenlijken. Erkennen dat in de immense wereld van de armoede ook onze inbreng beperkt, zwak en onvoldoende is, leidt ertoe de handen uit te strekken naar anderen, opdat wederzijdse samenwerking op de meest doeltreffende wijze haar doel kan bereiken. Wij worden door het geloof en het imperatief van de naastenliefde gedreven, maar wij weten andere vormen van hulp en solidariteit te erkennen die gedeeltelijk dezelfde doelen voor ogen hebben, mits wij maar niet hetgeen ons eigen is, verwaarlozen, namelijk allen naar God en tot heiligheid brengen. De dialoog tussen de verschillende ervaringen en de nederigheid om onze medewerking zonder enige geldingsdrang te verlenen is een passend en volledig evangelisch antwoord dat wij kunnen verwezenlijken.

Het gaat er niet om ten opzichte van de armen de eerste te willen zijn met ingrijpen, maar wij kunnen nederig erkennen dat het de Geest is die gebaren opwekt die een teken zijn van het antwoord en de nabijheid van God. Wanneer wij een manier vinden om de armen te benaderen, weten wij dat de eerste plaats Hem toekomt die onze ogen en ons hart heeft geopend voor de bekering. De armen hebben geen behoefte aan geldingsdrang, maar aan liefde die zich weet te verbergen en het goede dat men gedaan heeft, weet te vergeten. De ware hoofdrolspelers zijn de Heer en de armen. Wie zich dienstbaar opstelt, is een instrument in de handen van God om zijn tegenwoordigheid en heil te doen erkennen. De heilige Paulus herinnert hieraan, wanneer hij aan de Christenen van Korinthe, die onder elkaar wedijverden in charisma’s en daarbij zochten naar de meest aanzienlijke, schrijft: “het oog kan niet tot de hand zeggen: ‘ik heb je niet nodig’, en evenmin het hoofd tot de voeten: ‘ik heb je niet nodig’” (1 Kor. 12, 21). De apostel maakt een belangrijke overweging, wanneer hij opmerkt dat de ledematen van het lichaam die het zwakst lijken, het noodzakelijkst zijn Vgl. 1 Kor. 12, 22 ; en “die wij beschouwen als minder eerbaar, omgeven wij met groter eer, terwijl de andere dat niet nodig hebben”. Vgl. 1 Kor. 12, 23-24 Terwijl Paulus een fundamenteel onderricht geeft over de charisma’s, voedt hij de gemeenschap ook op tot een evangelische houding ten opzichte van haar zwakste en meest behoeftige leden. Gevoelens van verachting en piëtisme jegens hen dienen ver te zijn van de leerlingen van Christus: zij zijn veeleer geroepen hun eer te brengen, hun voorrang te geven, ervan overtuigd dat zij een werkelijke aanwezigheid zijn van Jezus te midden van ons. “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor mij gedaan” (Mt. 25, 40).

Hier begrijpt men hoe ver onze levenswijze afstaat van die van de wereld die hen die macht en rijkdom hebben, prijst, navolgt en nabootst, terwijl zij de armen marginaliseert en hen beschouwt als afval en een schande. De woorden van de apostel zijn een uitnodiging om evangelische volheid te geven aan de solidariteit met de zwakste en minder bedeelde leden van het lichaam van Christus: “Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd, alle delen in de vreugde” (1 Kor. 12, 26). Op dezelfde wijze spoort hij ons in de Brief aan de Romeinen aan: “Verblijdt u met de blijden en weent met hen die wenen. Weest eensgezind. Schikt u zonder hooghartigheid in de omgang met gewone mensen” (Rom. 12, 15-16). Dat is de roeping van een leerling van Christus; het ideaal waarnaar men volhardend moet streven is steeds meer “de gezindheid van Christus Jezus” (Fil. 2, 5) in ons op te nemen.

Een woord van hoop wordt de natuurlijke epiloog waarop het geloof zich richt. Vaak zijn het juist de armen die onze onverschilligheid in een crisis storten, omdat die houding voortkomt uit een te immanente en met het heden verbonden visie op het leven. De kreet van de arme is ook een kreet van hoop waarmee hij de zekerheid laat zien dat hij wordt bevrijd. De hoop, gebaseerd op de liefde van God die degene die zich aan Hem toevertrouwt, niet in de steek laat. Vgl. Rom. 8, 31-39 De heilige Theresia van Avila schreef in haar H. Teresia van Avila
Camino de perfección
Weg van de volmaaktheid ()
: “De armoede is een goed dat alle goeds van de wereld in zich sluit; zij garandeert ons een grote heerschappij, ik bedoel dat zij ons heer maakt over alle aardse goederen, omdat zij ons deze doet minachten”. H. Teresia van Avila, Weg van de volmaaktheid, Camino de perfección. 2, 5 In de mate waarin wij in staat zijn het ware goede te onderscheiden, worden wij rijk ten overstaan van God en wijs ten overstaan van onszelf en de anderen. Het is juist zo: in de mate waarin men erin slaagt de juiste en ware zin aan de rijkdom te geven, groeit men in menselijkheid en krijgt men het vermogen tot samen delen.

Mijn medebroeders bisschoppen, de priesters en in het bijzonder de diakens, aan wie de handen zijn opgelegd voor de dienst aan de armen Vgl. Hand. 6, 1-7 samen met de Godgewijde personen en zoveel mannelijke en vrouwelijke leken die in parochies, verenigingen en bewegingen het antwoord van de Kerk op de kreet van de armen tastbaar maken, nodig ik uit om deze Werelddag te beleven als een bevoorrecht ogenblik van nieuwe evangelisatie. De armen evangeliseren ons door ons te helpen iedere dag de schoonheid van het Evangelie te ontdekken. Laten wij deze gelegenheid van genade niet in het luchtledige doen verdwijnen. Laten wij ons allen schuldenaars ten opzichte van hen voelen, opdat door elkaar de hand te reiken de heilzame ontmoeting tot stand komt die het geloof ondersteunt, de liefde concreet maakt en de hoop in staat stelt zeker verder te gaan op de weg naar de Heer die komt.

Uit het Vaticaan, 13 juni 2018
Liturgische gedachtenis van de heilige Antonius van Padua

Franciscus

Document

Naam: DIE ROEPEN IN NOOD, NAAR HEN LUISTERT DE HEER
2e Werelddag voor de armen - 33e Zondag door het Jaar, 18 nov. 2018
Soort: Paus Franciscus - Boodschap
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 13 juni 2018
Copyrights: © 2018, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Nederlandse Bisschoppenconferentie
Vert. uit het Italiaans: drs. H.M.G. Kretzers
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam