• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De synodevaders hebben terecht benadrukt dat het noodzakelijk is een positieve beschrijving van de roeping en de zending van de lekengelovigen te formuleren en voor te houden door de studie van het Tweede Vaticaans Concilie te verdiepen in het licht zowel van de jongste documenten van het leergezag als van de ervaring in het leven zelf van de Kerk onder leiding van de Heilige Geest Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones n.a.v. de 10e Bisschoppensynode over de Leken (30 okt 1987), 3.

Bij het geven van een antwoord op de vraag “wie de lekengelovigen zijn” heeft het Concilie de vroegere verklaringen die overwegend negatief waren, overwonnen. Het heeft zich opengesteld voor een beslist positieve visie en zijn fundamentele bedoeling duidelijk gemaakt door te verzekeren dat de lekengelovigen volledig tot de Kerk en haar mysterie behoren, en door het bijzondere karakter te bevestigen van hun eigen roeping, die speciaal hierin ligt dat zij het Rijk van God zoeken juist door de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 31 De constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
beschrijft de leken als volgt: “Onder de naam leken verstaan wij hier alle christengelovigen buiten de leden van het wijdingspriesterschap en van de door de Kerk erkende religieuze staat; de christengelovigen namelijk die, door het doopsel in Christus ingelijfd, tot volk van God opgericht en aan het priesterlijk, profetisch en koninklijk ambt van Christus op de hun eigen wijze deelachtig zijn en dientengevolge voor hun deel de zending van het hele christenvolk in de Kerk en in de uitoefenen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 31.

Reeds Pius XII heeft gezegd: “De gelovigen, de leken om nauwkeuriger te zijn, bevinden zich in de meest vooruitgeschoven linie van het leven van de Kerk; door hen is de Kerk het vitale beginsel van de menselijke maatschappij. Daarom moeten speciaal zij er zich steeds duidelijker van bewust zijn dat zij niet slechts tot de Kerk behoren maar de Kerk zijn, d.w.z. de gemeenschap van de gelovigen op aarde onder de leiding van het algemene hoofd, de Paus, en van de bisschoppen samen met hem. Zij zijn de Kerk...” Paus Pius XII, Toespraak, Tot de nieuwe kardinalen (20 feb 1946).

Volgens het Bijbelse beeld van de wijngaard zijn de leken, zoals alle leden van de Kerk, ranken die geworteld zijn in Christus, de ware wijnstok, en door Hem levend en levengevend worden gemaakt.

De inlijving in Christus door middel van het geloof en van de sacramenten van de christelijke initiatie is de eerste wortel die de oorsprong is van de nieuwe conditie van de christen in het mysterie van de Kerk, diens diepste “fysionomie” vormt en ten grondslag ligt aan alle roepingen en de dynamiek van het christelijke leven van de lekengelovigen: in Jezus Christus, gestorven en verrezen, wordt de gedoopte een “nieuwe schepping” (Gal. 6, 15)(2 Kor. 5, 17), een schepsel dat gezuiverd is van de zonde en geheiligd door de genade.

Alleen zo, door te begrijpen welke mysterieuze rijkdom God in het heilig doopsel aan de christen geeft, is het mogelijk de “figuur” van de lekengelovige af te tekenen.

Het is niet overdreven te zeggen dat het gehele bestaan van de lekengelovige tot doel heeft hem te brengen tot de kennis van de radicale christelijke nieuwheid die voortvloeit uit het Doopsel, het Sacrament van het geloof, teneinde te kunnen leven volgens de verplichtingen daarvan in overeenstemming met de van God ontvangen roeping. Om de “figuur” van de lekengelovige te beschrijven overwegen wij nu expliciet en meer direct met name de volgende drie aspecten: het Doopsel doet ons herboren worden tot het leven van kinderen van God, het verenigt ons met Jezus Christus en met zijn lichaam, de Kerk, het zalft ons met de Heilige Geest en maakt ons tot geestelijke tempels.

Wij roepen de woorden die Jezus tot Nikodemus gericht heeft, in herinnering: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u; als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan” (Joh. 3, 5).

Het heilig Doopsel is dus een nieuwe geboorte, een wedergeboorte.

Het is juist als hij denkt aan dit aspect van de gave van het Doopsel dat de apostel Petrus uitzingt: “Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood. Een onvergankelijke, onbederfelijke, onaantastbare erfenis is voor u weggelegd in de hemel” (1 Pt. 1, 3-4). En hij noemt de christenen diegenen “die opnieuw geboren zijn, niet uit een vergankelijk zaad, maar door het onvergankelijke zaad van de levende en eeuwige God” (1 Pt. 1, 23).

Door het heilig Doopsel worden wij kinderen van God in zijn eniggeboren Zoon, Christus Jezus. Iedere christen hoort als hij opstijgt uit het water van de doopvont, opnieuw de stem weerklinken die aan de oever van de Jordaan is gehoord: “Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld” (Lc. 3, 22); en hij begrijpt dat hij verbonden is met de welbeminde Zoon en aangenomen zoon Vgl. Gal. 4, 4-7 en broeder van Christus wordt. Zo gaat in ieders geschiedenis het eeuwige plan van de Vader in vervulling: “Die Hij te voren heeft gekend, heeft Hij ook te voren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon, opdat Deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders” (Rom. 8, 29).

Het is de heilige Geest die de gedoopten maakt tot kinderen van God en tegelijk tot ledematen van het lichaam van Christus. Daaraan herinnert Paulus de christenen van Korinte: “Wij allen (...) zijn immers in de kracht van één en dezelfde Geest door de doop één enkel lichaam geworden” (1 Kor. 12, 13); zodat de apostel tot de lekengelovigen kan zeggen: “Welnu, gij zijt het lichaam van Christus en ieder van u is een lid van dit lichaam” (1 Kor. 12, 27); “Het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden” (Gal. 4, 6) Vgl. Rom. 8, 15-16 .

Wedergeboren als “kinderen van God in de Zoon” zijn de gedoopten onverbrekelijk “ledematen van Christus en ledematen van het lichaam van de Kerk” , zoals het Concilie van Florence leert. Concilie van Florence, Decreet, 8e Sessie - Decreet voor de Armeniërs, Exsultate Deo (22 nov 1439), 4

Het Doopsel betekent en bewerkt een mystieke maar reële inlijving in het gekruisigde en verheerlijkte lichaam van Jezus. Door het Sacrament verenigt Jezus de gedoopte met zijn dood om hem te verenigen met zijn verrijzenis Vgl. Rom. 6, 3-5 , neemt Hij de “oude mens” van hem af en bekleedt Hij hem met de “nieuwe mens” ofwel met Zichzelf: “Gij allen die in Christus zijt gedoopt” , verkondigt de apostel Paulus, “zijt met Christus bekleed” (Gal. 3, 27). Vgl. Ef. 4, 22-24 Vgl. Kol. 3, 9-10 Daaruit volgt dat “wij allen tezamen in Christus één lichaam” vormen (Rom. 12, 5).

Wij vinden in de woorden van Paulus de getrouwe weerklank van het onderricht van Jezus zelf, die de geheimvolle eenheid van zijn leerlingen met Hem elkaar heeft geopenbaard en haar voorgesteld heeft als beeld en verlenging van de geheimvolle gemeenschap die de Vader verbindt met de Zoon en de Zoon met de Vader in de liefdesband van de Heilige Geest. Vgl. Joh. 17, 21

Het is dezelfde eenheid als die waarover Jezus spreekt met het beeld van de wijnstok en de ranken: “Ik ben de wijnstok, gij de ranken” (Joh. 15, 5). Dit beeld werpt licht niet alleen op de diepe verbondenheid van de leerlingen met Jezus, maar ook op de vitale gemeenschap van de leerlingen onderling: allen zijn ranken van de enige wijnstok.

Met een ander beeld – dat van een gebouw – beschrijft de apostel Petrus de gedoopten als “levende stenen” , opgericht op Christus, de “hoeksteen” , en bestemd voor de “bouw van de geestelijke tempel” (1 Pt. 2, 4, vv.). Dit beeld voert ons tot een ander aspect van de nieuwheid van het Doopsel, dat het Tweede Vaticaans Concilie als volgt weergeeft: “De gedoopten immers zijn door de wedergeboorte en de zalving van de Heilige Geest tot een geestelijke woonstede (...) gewijd” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 10.

De Heilige Geest “zalft” de gedoopte, drukt zijn onuitwisbaar zegel op hem Vgl. 2 Kor. 1, 21-22 en maakt hem tot een geestelijke tempel, d.w.z. vervult hem van de heilige tegenwoordigheid van God dank zij de vereniging met en de gelijkvormigheid aan Jezus Christus. Vanwege deze geestelijke “zalving” kan de christen op zijn wijze de woorden van Jezus herhalen: “De geest des Heren is over mij gekomen omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer” (Lc. 4, 18-19). Vgl. Jes. 61, 1-2 Door de uitstorting in het Doopsel en het Vormsel neemt de gedoopte zo deel aan de zending zelf van Jezus, de Christus, de Messias, de Heiland.

Zich richtend tot de gedoopten als tot “pasgeboren kinderen” schrijft de apostel Petrus:

“Treedt hoe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen, maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God. Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel. Draagt als een heilig priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door. Jezus Christus. (...) Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht” (1 Pt. 2, 4-5, 9).

Dit is een nieuwe aspect van de genade en waardigheid van het Doopsel: de lekengelovigen nemen van hun kant deel aan het drievoudige ambt van Jezus Christus, het priesterlijke, profetische en koninklijke ambt. Het is een aspect dat nooit vergeten is door de levende traditie van de Kerk, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitleg die de heilige Augustinus van psalm 26 geeft. Hij schrijft:

“(David) werd tot koning gezalfd. In die tijd werden alleen de koning en de priester gezalfd. In deze twee personen was de komende enige koning en priester, Christus, voorafgebeeld, en daarom komt “Christus” van “chrisma” . Maar niet alleen ons hoofd is gezalfd, ook wij zijn lichaam zijn gezalfd. (...) Daarom komt de zalving alle christenen toe, terwijl zij in de tijd van het Oude Testament slecht twee personen toekwam. Het blijkt duidelijk dat wij het lichaam van Christus zijn door het feit dat wij allen gezalfd worden; in Hem zijn wij allen christussen en Christus, want het hoofd en het lichaam vormen op zekere wijze de gehele Christus” H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. XXVI, II, 2: CCL, 38, 154v.

Vanaf het begin van mijn pastorale dienstwerk heb ik ernaar gestreefd om in het voetspoor van het Tweede Vaticaans Concilie Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 10 de priesterlijke, profetische en koninklijke waardigheid van het gehele volk Gods te doen uitkomen: “Hij die geboren is uit de Maagd Maria, die men voor de zoon van een timmerman hield en die de Zoon van de levende God is zoals Petrus beleden heeft, is gekomen om van ons allen “een koninkrijk van priesters” te maken. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft ons herinnerd aan het mysterie van deze macht en aan het feit dat de zending van Christus-priester, profeet-leraar, koning, voortduurt in de Kerk. Iedereen, heel het volk Gods is deelachtig aan deze drievoudige zending” H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, Plechtige ambstaanvaarding op het Sint-Pietersplein (22 okt 1978), 4.

De lekengelovigen worden door deze exhortatie nogmaals uitgenodigd de rijke en vruchtbare leer van het concilie over hun deelname aan het drievoudige ambt van Christus te herlezen, te overwegen en zich met inzicht en liefde eigen te maken Vgl. Bisschoppensynodes, Instrumentum laboris, “Roeping en zending van de leken in de Kerk en in de wereld twintig jaar na het Tweede Vaticaans Concilie” (1 jan 1988), 25. de weergave van dit onderricht in dit Instrumentum laboris.

Zie hier nu in het kort de essentiële elementen van deze leer. De lekengelovigen hebben deel aan het priesterlijke ambt, waardoor Jezus Zichzelf aan het kruis geofferd heeft en Zich voortdurend offert in de Eucharistie tot eer van de Vader voor het Heil van de mensheid. De gedoopten zijn ingelijfd in Jezus Christus en met Hem en met zijn offergave verenigd in het offer van zichzelf en van al hun werkzaamheden Vgl. Rom. 12, 1-2 .

Sprekend over de lekengelovigen zegt het Concilie: “Al hun werken immers, hun gebeden en apostolische ondernemingen, hun huwelijks- en gezinsleven, hun dagelijkse arbeid, hun ontspanning naar geest en lichaam, als het maar in de Heilige Geest geschiedt, zelfs de last van het leven, als zij het geduldig doorstaan, dat alles bloeit open tot geestelijke offers, welgevallig aan God door Jezus Christus Vgl. 1 Pt. 2, 5 , offers die in de eucharistische viering, samen met de offerande van het lichaam van de Heer, met vroomheid aan de Vader worden aangeboden. Zo wijden ook de leken, als zij bij hun aanbidding overal heilige levensdaden voegen, de wereld zelf aan God toe” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 34. De deelname aan het profetische ambt van Christus, “die én door het getuigenis van zijn leven én door de kracht van zijn woord het Rijk van de Vader heeft verkondigd” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 35, maakt de lekengelovigen bekwaam en verplicht hen om het evangelie in geloof te aanvaarden en met woord en daad te verkondigen en om zonder aarzelen moedig het kwaad aan te klagen. De lekengelovigen die verenigd zijn met Christus de “grote profeet” Vgl. Lc. 7, 16 , en die in de Geest gesteld zijn tot “getuigen” van de verrezen Christus zijn deelachtig geworden zowel aan de bovennatuurlijke geloofszin van de Kerk, die “niet kan dwalen in het geloof” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 12, als aan de gave van het woord Vgl. Hand. 2, 17-18 Vgl. Openb. 19, 10 .

Zij zijn bovendien geroepen om de nieuwheid en de kracht van het evangelie te doen uitstralen in hun dagelijkse leven in gezin en maatschappij, en ook om met geduld en moed temidden van de tegenstrijdigheden van deze tijd uitdrukking te geven aan hun hoop op de heerlijkheid “ook in de structuren van het leven in de wereld” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 35. Doordat de lekengelovigen Christus, de Heer en Koning van het heelal, toebehoren, hebben zij deel aan zijn koninklijk ambt en worden zij door Hem geroepen tot de dienst van het Rijk van God en tot de verspreiding ervan in de geschiedenis. Zij beleven het christelijk koningschap vooral door de geestelijke strijd voor de overwinning op het rijk van de zonde in zichzelf Vgl. Rom. 6, 12 , en verder door de gave van zichzelf teneinde in liefde en gerechtigheid Jezus zelf te dienen die aanwezig is in al zijn broeders, vooral in de geringsten Vgl. Mt. 25, 40 . De lekengelovigen zijn echter in het bijzonder geroepen om aan de schepping heel haar oorspronkelijke waarde terug te geven. Als zij de schepping op het ware welzijn van de mens richten door een activiteit welke gesteund wordt door het leven van de genade, nemen zij deel aan de uitoefening van de macht waarmee de verrezen Jezus alles tot zich trekt en met Zichzelf onderwerpt aan de Vader, zodat God alles in alles zal zijn Vgl. Joh. 12, 32 Vgl. 1 Kor. 15, 28 . De deelname van de lekengelovigen aan het drievoudige ambt van Christus, priester, profeet en koning, vindt haar eerste wortel in het doopsel, haar ontplooiing in het vormsel, en haar vervulling en dynamische steun in de Eucharistie. Het is een deelname die aan de afzonderlijke lekengelovigen geschonken wordt in zoverre zij het ene lichaam van de Heer vormen.

Want Jezus verrijkt de Kerk zelf, als zijn Lichaam en Bruid, met zijn gaven. Op deze wijze delen de enkelingen in het drievoudig ambt van Christus als leden van de Kerk, zoals de apostel Petrus duidelijk leert waar hij de gedoopten “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap , een heilige natie” noemt (1 Pt. 2, 9). Juist omdat de deelname van de lekengelovigen aan het drievoudige ambt van Christus voortkomt uit de Kerkelijke gemeenschap moet zij in de gemeenschap en voor de groei van de gemeenschap zelf, beleefd en verwerkelijkt worden. De heilige Augustinus heeft geschreven: “Zoals wij allen christenen noemen vanwege het mystieke chrisma, zo noemen wij allen priesters omdat zij ledematen zijn van de enige priester” H. Augustinus, Over de Stad Gods, De Civitate Dei. XX, 10: CCL. 48 720.

De christelijke nieuwheid is het fundament en de titel van de gelijkheid van allen die in Christus gedoopt zijn, van alle leden van het volk Gods: “Gelijk is de waardigheid van de ledematen krachtens hun wedergeboorte in Christus; gelijk de genade van het kindschap, gelijk de roeping tot volmaaktheid, één heil, één hoop, één ondeelbare liefde” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 32.

Vanwege de algemene waardigheid door het Doopsel zijn de lekengelovigen samen met de gewijde bedienaren en de religieuzen verantwoordelijk voor de zending van de Kerk.

Maar de algemene waardigheid door het Doopsel neemt bij de lekengelovigen een vorm aan die hen onderscheidt van de priesters en de religieuzen, zonder hem echter van hen te scheiden. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft aangegeven dat deze vorm in de seculiere karaktertrek bestaat: “De leken is een seculiere karaktertrek bijzonder eigen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 31.

Juist om de kerkelijke staat van de lekengelovigen op volledige, adequate en specifieke wijze te begrijpen is het nodig de theologische betekenis te verdiepen van de seculiere karaktertrek in het licht van het heilsplan van God en van het mysterie van de Kerk.

De Kerk “heeft een authentieke seculiere dimensie, die onafscheidelijk verbonden is met haar innerlijke natuur en haar zending, geworteld is in het mysterie van het mensgeworden Woord en zich in verschillende vormen verwerkelijkt voor haar leden” , zoals Paulus VI gezegd heeft H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot de leden van de Seculiere Instituten (2 feb 1972). De Kerk leeft immers in de wereld ook al is zij niet van de wereld Vgl. Joh. 17, 16 , en zij is gezonden om het verlossingswerk van Jezus Christus voort te zetten. Dit verlossingswerk, “dat er uiteraard op gericht is de mensen te verlossen, omvat tegelijk het werk aan de gehele tijdelijke orde” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 5. Het is zeker dat alle leden van de Kerk deelhebben aan haar seculiere dimensie; maar zij hebben dit in verschillende vormen.

In het bijzonder heeft de deelname van de lekengelovigen een vorm van verwerkelijking en functie die hun volgens het Concilie “bijzonder eigen” is: deze vorm wordt aangeduid met de uitdrukking “seculiere karaktertrek” . 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 31 In feite beschrijft het Concilie de seculiere conditie van de lekengelovigen vooral door haar aan te wijzen als de plaats waarin de roeping door God tot hen gericht wordt: “Daar zijn zij door God geroepen2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 34. Het gaat om een “plaats” die in dynamische wordt: “ Zij leven in de wereld met name in alle mogelijke wereldlijke beroepen en weken, in de gewone levensomstandigheden van familie en maatschappij: hun bestaan zelf is daarvan als het ware doorweven” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 34.

De lekengelovigen zijn mensen die normaal in de wereld leven, studeren, werken en vriendschappelijke, maatschappelijke, beroepsmatige en culturele banden e.d. smeden. Het Concilie beschouwt hun conditie niet eenvoudig als een uiterlijk gegeven, als een kwestie van milieu, maar als een realiteit die bestemd is om in Jezus Christus haar volle betekenis te vinden Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 48. Het verklaart zelfs dat

“het mens geworden Woord zelf heeft (...) willen delen in het gehele menselijke bestaan. (...) De menselijke verhoudingen, met name die in het gezin, waaruit de verdere maatschappelijke relaties ontstaan, heeft Hij geheiligd door zich vrijwillig aan de wetten van zijn vaderland te onderwerpen. Hij heeft het leven van een handwerksman willen leiden op een wijze zoals die in zijn tijd en in die streek gebruikelijk was” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 32.

De “wereld” wordt zo het milieu en het middel voor de christelijke roeping van de lekengelovigen, want zij is zelf bestemd om in Christus God de Vader te verheerlijken.

Het Concilie kan dan de eigen en bijzondere betekenis aanwijzen van de goddelijke roeping die tot de lekengelovigen gericht wordt. Zij worden niet geroepen om de plaats die zij in de wereld innemen, op te geven. Het Doopsel onttrekt hen absoluut niet aan de wereld, zoals de apostel Paulus opmerkt: “Broeders, laat dus iedereen voor God blijven in die staat waarin hij tot geloof werd geroepen” (1 Kor.7, 24); het vertrouwt hun een roeping toe die juist betrekking heeft op de binnenwereldlijke situatie: de lekengelovigen zijn namelijk

“door God geroepen om door het vervullen van hun eigen opdracht, bezield met de geest van het evangelie, bij wijze van zuurdeeg als het ware van binnen uit tot de heiliging van de wereld bij te dragen: zo komt het, dat zij vooral door hun levensgetuigenis, hun geloof, hoop en liefde uitschitteren en Christus aan de anderen bekendmaken” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 31.

Op deze wijze zijn het bestaan en het handelen in de wereld voor de lekengelovigen niet slechts een antropologische en sociologische maar ook en specifiek een theologische en kerkelijke werkelijkheid. Inderdaad openbaart God in hun binnenwereldlijke situatie zijn plan en geeft Hij daarin de speciale roeping om het Rijk van God te zoeken “juist door de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen” Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 39.

Juist in dit opzicht hebben de synodevaders gezegd: “Het seculiere kenmerk van de lekengelovige moet dus niet alleen sociologisch, maar bovenal theologische worden gedefinieerd. Het seculiere kenmerk moet begrepen worden in het licht van de scheppings- en verlossingsdaad van God, die de wereld aan mannen en vrouwen heeft overgedragen om in het scheppingswerk te delen, de schepping van zondige invloeden te bevrijden en zichzelf te heiligen in huwelijk en celibatair leven, gezin, beroep en maatschappelijke activiteiten” Vgl. Bisschoppensynodes, Propositiones n.a.v. de 10e Bisschoppensynode over de Leken (30 okt 1987), 4.

De kerkelijke staat van de lekengelovigen wordt diepgaand bepaald door de christelijke nieuwheid en gekenmerkt door hun seculiere karaktertrek H. Paus Johannes Paulus II, Angelus/Regina Caeli, Over de leken in het licht van het Concilie (15 mrt 1987). “De leken die volledig lid van het volk Gods en van het mystieke Lichaam zijn en door het Doopsel deelhebben aan het drievoudige priesterlijke, profetische en koninklijke ambt van Christus, drukken de rijkdommen van hun waardigheid uit en verwerkelijken ze door in de wereld te leven. Wat voor hen die tot de gewijde orde behoren een bijkomstige of uitzonderlijke taak kan vormen, is voor de leken hun typische zending . Hun eigenlijke roeping bestaat erin “dat zij het Rijk van God zoeken juist door de tijdelijke aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen.“.

Hoewel de evangelische beelden van het zout, het licht en het zuurdeeg zonder onderscheid alle leerlingen van Jezus betreffen, worden zij toch op specifieke wijze toegepast op de lekengelovigen. Het zijn prachtig sprekende beelden, want zij zeggen niet alleen dat de lekengelovigen diep opgenomen zijn in en ten volle deelnemen aan de aarde, de wereld, de mensengemeenschap, maar spreken ook en vooral over de nieuwheid en de oorspronkelijkheid van een opneming en een deelneming die bestemd zijn om het Evangelie van het heil te verspreiden.

De waardigheid van de lekengelovigen blijkt ten volle als wij kijken naar de eerste en fundamentele roeping die de Vader in Jezus Christus door de Heilige Geest tot ieder van hen richt: de roeping tot heiligheid of tot de volmaaktheid der liefde. De heilige is de meest schitterende getuige van de waardigheid die verleend is aan de leerling van Christus.

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft zeer verhelderende woorden gewijd aan de algemene roeping tot heiligheid. Men kan zeggen dat juist dit de allereerste opdracht is die toevertrouwd is aan alle zonen en dochters van de Kerk door een Concilie dat bedoeld was voor de evangelische vernieuwing van het christelijke leven Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 39-42. In het bijzonder het vijfde hoofdstuk dat handelt over “de algemene roeping tot heiligheid in de Kerk”. Deze opdracht is niet een eenvoudige morele aansporing maar een onontkoombare eis van het mysterie van de Kerk: deze is de uitgelezen wijngaard waarin de ranken leven en groeien door het heilige en heiligmakende sap zelf van Christus; zij is het mystieke lichaam, waarvan de ledematen deelhebben aan het leven van heiligheid zelf van het Hoofd dat Christus is; zij is de Bruidegom, die bemind wordt door de Heer Jezus, die Zichzelf heeft overgeleverd om haar te heiligen Vgl. Ef. 2,25. vv..

De Geest die de menselijke natuur van Jezus geheiligd heeft in de maagdelijke schoot van Maria Vgl. Lc. 1, 35 , is dezelfde als de Geest die woont en werkt in de Kerk met het doel om haar de heiligheid mee te delen van de mensgeworden Zoon van God.

Het is nu meer dan ooit nodig dat alle christenen weer de weg inslaan van de evangelische vernieuwing en met edelmoedigheid de uitnodiging van de apostel aanvaarden om “heilig te zijn in heel het gedrag” Vgl. 1 Pt. 1, 15 . De buitengewone synode van 1985, twintig jaar na de sluiting van het Concilie, heeft terecht hierop aangedrongen: "Aangezien de Kerk mysterie is in Christus, moet zij beschouwd worden als teken en instrument van heiligheid (...) De heiligen zijn steeds bron en oorsprong van vernieuwing geweest in de meest moeilijke omstandigheden in heel de geschiedenis van de Kerk. Wij hebben nu een zeer grote behoefte aan heiligen die wij met volharding moeten afsmeken van God” Bisschoppensynodes, In Gods Woord viert de Kerk de mysteries van Christus voor het heil van de wereld - Eindrapport van de 2e Buitengewone Bisschoppensynode: 20 jaar na de sluiting van het Tweede Vaticaans Concilie, Ecclesia sub Verbo Dei mysteria Christi celebrans pro salute mundi (7 dec 1985), 10. II, A, 4.

In de Kerk ontvangen allen de algemene roeping tot heiligheid, welke zij dus met elkaar delen, juist omdat zij leden van de Kerk zijn. De lekengelovigen worden daartoe op volledige wijze geroepen zonder enig verschil met de andere leden van de Kerk: “Alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, zijn tot de volheid van het christelijke leven en de volmaaktheid van de liefde geroepen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 40; “Voor alle gelovigen geldt dus de uitnodiging en verplichting om de heiligheid en de volmaaktheid van hun eigen staat na te streven” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 42. Deze plechtige en ondubbelzinnige verklaringen van het Concilie houden opnieuw een fundamentele waarheid van het christelijke geloof voor. Zo heeft bij voorbeeld Pius XI in de encycliek Paus Pius XI - Encycliek
Casti Connubii
Over het Christelijk huwelijk, met inachtneming der in gezin en maatschappij heersende toestanden, noden, dwalingen en misbruiken
(31 december 1930)
, die gericht is aan de christelijke gehuwden, geschreven: “Allen, onverschillig tot welke klasse zij behoren en welke eerbare levensstaat zij ook gekozen hebben, kunnen en moeten het volmaakte voorbeeld van alle heiligheid navolgen dat God aan de mensen voorgehouden heeft en dat onze Heer Jezus Christus is; en met Gods hulp kunnen en moeten zij ook de hoogste top van de christelijke volmaaktheid bereiken, zoals het voorbeeld van vele heiligen ons toont” Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Christelijk huwelijk, met inachtneming der in gezin en maatschappij heersende toestanden, noden, dwalingen en misbruiken, Casti Connubii (31 dec 1930), 29.

De roeping heiligheid is in het Doopsel geworteld en wordt opnieuw voorgehouden door de andere Sacramenten, vooral door de Eucharistie: bekleed met Jezus Christus en gelaafd door zijn Geest zijn de Christenen “heilig” en daarom zijn zij bekwaam en verplicht om de heiligheid van hun zijn tot uitdrukking te brengen in de heiligheid van heel hun handelen. De apostel Paulus wordt niet moe alle Christenen aan te sporen om te leven zoals het heiligen betaamt Vgl. Ef. 5, 3 .

Het leven volgens de Geest wiens vrucht de heiligheid is Vgl. Rom. 6,22 Vgl. Gal. 5, 22 , wekt bij alle gedoopten en bij iedere gedoopte het volgen en navolgen van Jezus Christus op een vraagt dit van allen en ieder, door de aanvaarding van de zaligsprekingen, door het luisteren naar en overwegen van het Woord Gods, door de bewuste en actieve deelname aan het liturgische en sacramentele leven de Kerk, door het individuele gebed en het gebed in het gezin en in de gemeenschap, door de honger en dorst naar gerechtigheid, door de beoefening van het gebod van de liefde in alle levensomstandigheden en door de dienst aan de broeders, speciaal als zij gering, arm en ziek zijn.

De vorming van de lekengelovigen heeft als fundamenteel doel de steeds duidelijkere ontdekking van de eigen roeping en de steeds grotere bereidheid om haar te verwerkelijken in de vervulling van de eigen zending.

God roept mij en zendt mij als arbeider in zijn wijngaard; Hij roept mij en zendt mij om te werken voor de komst van zijn Rijk in de geschiedenis. Deze persoonlijke roeping en zending betekenen de waardigheid en de verantwoordelijkheid van iedere lekengelovige en vormen de krachtbron voor heel het vormingswerk dat gericht is op de blijde en dankbare erkenning van die waardigheid en op de trouwe en edelmoedige vervulling van die roeping. God heeft immers van eeuwigheid af aan ons gedacht, ons bemind als unieke en onherhaalbare personen en ieder van ons bij zijn eigen naam genoemd, zoals de goede herder die “zijn schapen bij hun naam noemt” (Joh. 10, 3).

Maar het eeuwige plan van God openbaart zich aan ieder van ons alleen in de historische ontwikkeling van ons leven en van de gebeurtenissen daarvan en dus alleen geleidelijk, in zeker zin van dag tot dag.

Om de concrete wil van de Heer omtrent ons leven te ontdekken zijn altijd het bereidwillige en volgzame luisteren naar het woord van God van de Kerk nodig, het kinderlijke en voortdurende gebed, de relatie met een wijze en liefdevolle geestelijke leidsman, het gelovige verstaan van de gaven en talenten die men ontvangen heeft en tevens van de verschillende sociale en historische omstandigheden waarin men geplaatst is.

In het leven van iedere lekengelovige zijn er verder bijzonder belangrijke en beslissende ogenblikken om de roeping door God te onderscheiden en de zending die Hij toevertrouwd heeft, te aanvaarden. Hieronder zijn de momenten van de jeugd van de jongelingschap. Maar niemand mag vergeten dat de Heer, zoals de landeigenaar met de arbeiders van de wijngaard, op alle uren van het leven roept, in deze zin dat Hij zijn wil concretiseert en preciseert. Daarom is de waakzaamheid als bereidwillige aandacht voor de stem van God een fundamentele en blijvende houding van de leerling.

Maar het gaat er niet alleen om te weten wat God van ons wil, van ieder van ons, in de verschillende levensomstandigheden. Men moet ook doen wat God wil: zo brengt ons het woord dat Maria, de Moeder van Jezus, tot de bedienden van Kana gericht heeft, in herinnering: “Doet maar wat Hij u zeggen zal” (Joh. 2, 5). En om in trouw aan de wil van God te handelen moet men bekwaam zijn en steeds meer bekwaam worden.

Zonder twijfel met de genade van de Heer, die nooit ontbreekt, zoals de heilige Leo de Grote zegt: “Hij die de waardigheid verleende, zal de kracht geven” (“Dabit virtutem, qui contulit dignitatem” H. Paus Leo I de Grote, Sermones. II, I:S.Ch. 200,248; maar ook met de vrije en verantwoordelijke medewerking van ieder van ons. Dat is de prachtige en inspannende taak die alle lekengelovigen, alle Christenen, onophoudelijk wacht: steeds beter de rijkdommen van het geloof en het doopsel kennen en ze steeds vollediger verwerkelijkend. De apostel Petrus vermaant ons, waar hij over geboorte en groei spreekt als twee etappes van het christelijke leven: “Weest als pasgeboren kinderen begerig naar de geestelijke, onvervalste melk, die u wasdom zal schenken ter zaligheid” (1 Pt. 2, 2).

In het ontdekken en verwerkelijken van hun eigen roeping en zending moeten de lekengelovigen gevormd worden voor de eenheid, waardoor hun lidmaatschap van de Kerk en hun burgerschap van de menselijke maatschappij getekend zijn. Er mogen in hun bestaan niet twee parallelle levens zijn: enerzijds het zogenaamde “geestelijke” leven met zijn waarden en eisen; anderzijds het zogenaamde “wereldlijke” leven of het leven van gezin, werk, sociale relaties, politiek engagement en cultuur. De rank welke verbonden is met de wijnstok die Christus is, draagt zijn vruchten in iedere sector van de activiteit en van het bestaan. Inderdaad vallen al de verschillende levensgebieden van de leek onder het plan van God, die ze wil als de “historische plaats” van de openbaring en van de verwerkelijking van de liefde van Jezus Christus tot lof van de Vader en ten dienste van de broeders. Iedere activiteit, iedere situatie, iedere concrete inspanning – zoals bij voorbeeld de competitie en de solidariteit in het werk, de liefde en de toewijding in het gezin en in de opvoeding van de kinderen, sociale en politieke dienst, het aanreiken van de waarheid in het milieu van de cultuur – is een providentiële gelegenheid voor “ volharding in geloof, hoop en liefde”. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 4

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft alle lekengelovigen aangespoord tot deze eenheid van leven en zij heeft met kracht de ernst aangegeven van de breuk tussen geloof en leven, tussen Evangelie en cultuur:

“Het Concilie spoort de Christenen, burgers van beide gemeenschappen, aan om zich toe te leggen op een getrouwe vervulling van hun aardse plicht, en wel geleid door de geest van het Evangelie.
Diegenen verwijderen zich van de waarheid die, in de wetenschap, dat wij hier geen blijvende stad hebben, maar een toekomstige zoeken, mensen, dat zij daarom hun aardse plichten kunnen verwaarlozen, er niet aan denkend, dat zij juist door het geloof nog meer verplicht zijn die te vervullen, volgens de roeping die een ieder heeft. (...) Die discrepantie bij velen tussen het geloof dat zij belijden en hun dagelijks leven dient tot de ernstige dwalingen van onze tijd te worden gerekend”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 43 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 21 Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 20 Daarom heb ik gezegd dat een geloof dat niet cultuur wordt, een geloof is “dat niet volledig aangenomen, niet geheel doordacht, niet trouw beleefd is”. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de deelnemers aan het Nationale Congres van de Kerkelijke Beweging voor Cultureel Engagement (16 jan 1982) Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Aan Kardinaal Agostino Casaroli, staatssecretaris, waarmee de Pauselijke Raad voor de Cultuur ingesteld is (20 mei 1982) Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de universitaire gemeenschap van Leuven (20 mei 1985)

Document

Naam: CHRISTIFIDELES LAICI
Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 december 1988
Copyrights: © 1989, RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam