• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Wij hernemen het Bijbelse beeld van de wijnstok en de ranken. Het opent onze blik op directe natuurlijke wijze voor de beschouwing van de vruchtbaarheid en het leven. De ranken die ontsproten zijn uit de wijnstok en daarvan het leven ontvangen, zijn bestemd om vrucht te dragen: "Ik ben de wijnstok, gij de ranken Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht" (Joh. 15, 5).

Vrucht dragen is een wezenlijke eis van het christelijke leven Wie geen vrucht draagt blijft niet in de gemeenschap:“Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, snijdt (mijn Vader) af " (Joh. 15, 2).

De gemeenschap met Jezus waaruit de gemeenschap van de christenen met elkaar voortkomt, is een absoluut onmisbare voorwaarde om vrucht te dragen: “Los van Mij kunt gij niets” (Joh. 15, 5) En de gemeenschap met anderen is de mooiste vrucht die de ranken kunnen dragen: zij is immers gave van Christus en van zijn Geest. Welnu, de gemeenschap brengt gemeenschap voort en krijgt wezenlijk gestalte als missionaire gemeenschap. Jezus zegt immers tot zijn leerlingen: “Niet gij hebt Mij gekozen maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn” (Joh. 15, 16). De gemeenschap en de zending zijn nauw met elkaar verbonden, doordringen elkaar en sluiten elkaar in, zozeer dat de gemeenschap tegelijk de bron en de vrucht van de zending vormt: de gemeenschap is missionair en de zending is voor de gemeenschap. Het is steeds één en dezelfde Geest die de Kerk bijeenroept en verenigt en die haar uitzendt om het evangelie te verkondigen “tot het uiteinde der aarde” (Hand. 1, 8). Van haar kant weet de Kerk dat de gemeenschap die zij ten geschenke ontvangen heeft, een universele bestemming heeft. De Kerk voelt zich derhalve verplicht tegenover de gehele mensheid en tegenover iedere mens voor de gave welke zij ontvangen heeft van de Geest die in de harten van de gelovigen de liefde van Jezus Christus uitstort, wonderbaarlijke kracht van innerlijke samenhang en tegelijk van uiterlijke uitbreiding. De zending van de Kerk komt voort uit haar aard zelf zoals Christus haar gewild heeft: die van teken en instrument “van de eenheid van heel het menselijk geslacht”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 1 Die zending heeft tot doel aan allen de “nieuwe” gemeenschap bekend te maken die in de mensgeworden Zoon van God de geschiedenis van de wereld is binnen gekomen en om alleen daarin te doen leven. Wat dit aangaat duidt het getuigenis van de evangelist Johannes op voortaan onherroepelijke wijze het zaligmakende eindpunt aan waarop de gehele zending van de Kerk gericht is: ”Wat wij gezien en gehoord hebben dat verkondigen wij ook aan u, opdat gij gemeenschap moogt hebben met ons. En onze gemeenschap is er een met de Vader en met Jezus Christus, zijn Zoon”. (1 Joh. 1, 3)

In het kader nu van de zending van de Kerk vertrouwt de Heer aan de lekengelovigen in gemeenschap met alle andere leden van het volk Gods een groot deel verantwoordelijkheid toe. De vaders van het Tweede Vaticaans Concilie waren zich daar volledig van bewust:

“De gewijde herders weten immers zeer goed, hoe overvloedig de leken tot het welzijn van geheel de Kerk bijdragen. De herders zijn zich inderdaad van bewust, dat zij door Christus niet werden aangesteld om de gehele heilszending van de Kerk tegenover de wereld uitsluitend op eigen schouders te nemen: integendeel het behoort tot hun verheven taak de gelovigen zo te besturen en hun diensten en begaafdheden zo te erkennen, dat alle en elk op zijn manier aan de gemeenschappelijke opdracht meewerken”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 30

Dit bewustzijn is vervolgens met hernieuwde duidelijkheid en toegenomen kracht teruggekeerd in alle werkzaamheden van de synode.

Juist als leden van de Kerk hebben de lekengelovigen de roeping en de zending om het evangelie te verkondigen: zij hebben daarvoor de bevoegdheid en de verplichting door de sacramenten van de christelijke initiatie en door de gaven van de heilige Geest.

Wij lezen in een heldere en bondige tekst van het Tweede Vaticaans Concilie:

”Door hun aandeel in het priester-, leraars- en herdersambt van Christus hebben de leken ook hun actief aandeel in het leven en het werk van de Kerk. (.....) Want gevoed door een actieve deelneming aan het liturgische leven van hun gemeenschap, verrichten juist zij met zorg hun taak in het apostolaat van die gemeenschap zij brengen mensen terug tot de Kerk die er misschien ver van waren verwijderd; bij het doorgeven van het Woord van God, vooral in het catechetisch onderricht, hebben zij een actief aandeel; hun deskundigheid stellen zij ter beschikking om de zielzorg als ook het beheer van de kerkelijke goederen doeltreffender te doen zijn” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 10

Het is in de evangelisatie dat de gehele zending van de Kerk zich concentreert en ontplooit; de historische weg daarvan verloopt onder de genade en het bevel van Jezus Christus: ”Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping” (Mc. 16, 15) “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 28, 20). Paulus VI schrijft:

“De taak van de evangelisatie moet immers worden beschouwd als de eigen genade en roeping van de Kerk en is uitdrukking van haar meeste ware aard." H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 14

De Kerk wordt door de evangelisatie opgebouwd en gevormd als gemeenschap van geloof: meer precies als gemeenschap van een geloof dat beleden wordt in de instemming met het woord van God, gevierd in de sacramenten en in praktijk gebracht in de liefde als ziel van het zedelijk bestaan van de christen. De “Blijde Boodschap” wil inderdaad in het hart en het leven van de mens de bekering opwekken en het Persoonlijk aanhangen van Jezus Christus, de Heiland en de Heer; zij bereidt voor op het doopsel en de Eucharistie en wordt bekrachtigd in het besluit om het nieuwe leven te leiden volgens de Geest en de verwerkelijking ervan.

Het gebod van Jezus: “Gaat uit en verkondigt het Evangelie” behoudt zeker altijd zijn levende waarde en blijft onverminderd dringend. Maar de huidige situatie, niet alleen van de wereld maar ook van vele delen van de Kerk, eist absoluut dat het woord van Christus een meer stipte en edelmoedige gehoorzaamheid ontvangt. Iedere leerling wordt in eerste persoon geroepen; geen enkele leerling kan zich onttrekken aan het geven van zijn eigen antwoord: “Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig” (1 Kor. 9, 16).

Gehele landen en naties waarin de godsdienst en het christelijke leven eens zeer bloeiend waren en in staat waren levende en werkdadige geloofsgemeenschappen te doen ontstaan, worden nu zwaar op de proef gesteld door de voortdurende verspreiding van de onverschilligheid, het secularisme en het atheïsme, waardoor zij soms zelfs radicaal veranderen. Het gaat in het bijzonder om de landen en naties van de zogenaamde Eerste Wereld, waarin de economische welvaart en het consumptisme, ook al gaan ze gepaard met ontstellende situaties van armoede en ellende, een leven ingeven en in stand houden dat geleid wordt “alsof God niet bestaat”. De godsdienstige onverschilligheid en de totale praktische onbeduidendheid van God voor de problemen van het leven, ook voor de ernstige, zijn niet minder zorgwekkend en vernietigend als het openlijke atheïsme. En ook het christelijke geloof dreigt te verdwijnen uit de meest belangrijke ogenblikken van het leven, zoals de geboorte, het lijden, de dood, ook al blijft het bestaan in enige van zijn traditionele een vormelijke uitingen. Vandaar het opdringen van enorme vragen en raadsels, die zonder antwoord blijven en de hedendaagse mens blootstellen aan troosteloze ontgoocheling of aan de verleiding om het menselijk leven zelf dat deze vragen stelt, te elimineren.

In andere streken of naties zijn daarentegen tot nu toe zeer levendige tradities van vroomheid en christelijke volksreligiositeit bewaard gebleven; maar dit zedelijke en geestelijke erfgoed dreigt nu verloren te gaan onder de greep van veelvuldige processen, in het bijzonder van de secularisatie en van de verspreiding van sekten. Alleen een nieuwe evangelisatie kan de groei verzekeren van een helder en diep geloof dat van deze tradities een kracht voor echte vrijheid kan maken. Het is zeker dringend noodzakelijk overal het christelijke weefsel van de maatschappij te herstellen.

Maar voorwaarde daarvoor is dat het christelijk weefsel van de kerkelijke gemeenschappen zelf, welke in die landen en naties leven, hersteld wordt.

De lekengelovigen zijn krachtens hun deelname aan het profetische ambt van Christus diep betrokken bij deze taak van de Kerk. Het is in het bijzonder hun taak te getuigen dat het christelijke geloof het enige volledig geldige antwoord is op de vragen en verwachtingen die het leven aan iedere mens en aan iedere maatschappij stelt, een antwoord dat min of meer bewust door allen onderscheiden en afgesmeekt wordt. Dat zal mogelijk zijn als de lekengelovigen de kloof tussen het evangelie en het leven zullen weten te overbruggen door in hun dagelijkse activiteit in gezin, werk en maatschappij weer de eenheid te brengen van een leven dat in het Evangelie de inspiratie en de kracht vindt om zich volledig te verwerkelijken.

Ik herhaal nogmaals voor alle mensen van deze tijd de hartstochtelijke oproep waarmee ik mijn pastorale dienst begonnen ben:

Vreest niet! Opent de deuren voor Christus, ja maakt ze wijd open! Opent de grenzen van de staten, van de economische en politieke systemen, van de uitgestrekte gebieden van cultuur, beschaving en ontwikkeling voor zijn heilzame macht. Vreest niet! Christus weet “wat er in de mens steekt”. Alleen Hij weet het. Heden ten dage weet de mens zo vaak niet wat er in hem steekt, in het diepst van zijn geest, van zijn hart. Hij is zo dikwijls onzeker van de zin van zijn leven hier op aarde. Hij wordt overweldigd door twijfels die in wanhoop veranderen. Laat dus Christus tot de mens spreken – dat vraag ik u, dat smeek ik u met nederigheid en vertrouwen. Alleen Hij heeft woorden van leven, van eeuwig leven zelfs” H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, Plechtige ambstaanvaarding op het Sint-Pietersplein (22 okt 1978), 5.

De deuren openzetten voor Christus, Hem ontvangen in de ruimte van de eigen mensheid, is geenszins een bedreiging voor de mens, maar de enige weg die afgelegd moet worden als men de mens in heel zijn werkelijkheid wil erkennen en hem wil verheffen tot zijn eigenlijke waarde.

De levende synthese die de lekengelovigen tot stand zullen weten te brengen tussen het Evangelie en de dagelijkse plichten van het leven, zal het meeste schitterende en overtuigende getuigenis zijn dat niet de vrees maar het zoeken en aanhangen van Christus de beslissende factor is voor de vorming van nieuwe levenspatronen die meer in overeenstemming zijn met de menselijke waardigheid.

De mens wordt door God bemind! Dat is de heel eenvoudige en verbijsterende boodschap die de Kerk aan de mens verschuldigd is, Het woord en het leven van iedere Christen kunnen en moeten deze boodschap laten weerklinken: ”God heeft je lief, Christus is gekomen voor jou, Christus is voor jou" “de weg, de waarheid en het leven”. (Joh.14, 6) Deze nieuwe evangelisatie is niet alleen gericht op de afzonderlijke personen maar ook op gehele groepen van de bevolking in hun diverse situaties, milieus en culturen.

Zij is bestemd om mondige kerkelijke gemeenschappen te vormen, waarin het geloof dus heel zijn oorspronkelijke betekenis uitstraalt en realiseert van het aanhangen van Christus en zijn evangelie, van sacramentele ontmoeting en gemeenschap met Hem, van een bestaan dat in liefde en dienstbaarheid geleefd wordt.

De lekengelovigen moeten hun aandeel vervullen in de vorming van dergelijke kerkelijke gemeenschappen, niet alleen door een actieve en verantwoordelijke deelname aan het gemeenschapsleven en dus door hun onvervangbare getuigenis, maar ook door hun missionaire geestdrift en actie voor degenen die nog niet geloven of die niet meer het geloof dat zij bij het doopsel ontvangen hebben praktiseren.

De lekengelovigen moeten door een systematisch werk van catechese een kostbare en meer dan ooit noodzakelijke bijdrage leveren voor de nieuwe generaties. De synodevaders hebben met dankbaarheid het werk van de catechisten ontvangen en zij hebben erkend dat deze “een taak van groot gewicht hebben in de bezieling van de kerkelijke gemeenschappen” Bisschoppensynodes, Propositiones n.a.v. de 10e Bisschoppensynode over de Leken (30 okt 1987), 10. Ongetwijfeld zijn de christelijke ouders de eerste en onvervangbare catechisten van hun kinderen; zij zijn daartoe bekwaam gemaakt door het Sacrament van het Huwelijk. Maar wij moeten ons allen tevens bewust zijn van het “recht” dat iedere gedoopte heeft om onderricht, opgevoed en begeleid te worden in het geloof en christelijk leven.

Terwijl de Kerk de actuele noodzaak van een nieuwe evangelisatie ziet en ervaart, kan zij zich niet onttrekken aan de blijvende zending van het brengen van het Evangelie aan allen die Christus, de Verlosser van de mens, nog niet kennen; en dat zijn miljoenen en miljoenen mannen en vrouwen. Dit is de meest specifiek missionaire taak die Jezus aan zijn Kerk heeft toevertrouwd een dagelijks opnieuw toevertrouwt.

Het werk van een lekengelovigen op dit terrein, dat overigens nooit ontbroken heeft, blijkt nu steeds meer noodzakelijk en kostbaar. Inderdaad vindt het bevel van Christus: “Gaat uit over de hele wereld” voortdurend vele edelmoedige leken die bereid zijn hun levensmilieu, hun werk, hun streek of hun vaderland te verlaten om zich, minstens voor een bepaalde tijd, naar een missiegebied te begeven. Ook christelijke echtparen bieden in navolging van Aquila en Priscilla Vgl. Hand. 18 Vgl. Rom. 16, 3. v. een bemoedigend getuigenis van geestdriftige liefde voor Christus en de Kerk door hun aanwezigheid en werk en missielanden. Echte missionaire aanwezigheid is ook die van hen die om verschillende redenen in landen of omgevingen leven waar de Kerk nog niet gevestigd is een daar van hun geloof getuigen.

Maar het missionaire probleem vertoont zich nu met zulk een omvang en zulk een ernst aan de Kerk dat alleen het werkelijk solidair aanvaarden van de verantwoordelijkheid door alle leden van de Kerk, zowel individueel als gemeenschappelijk, kan doen hopen op een meer doeltreffend antwoord.

De uitnodiging die het Tweede Vaticaans Concilie gericht heeft aan de particuliere kerken, behoudt heel haar waarde en eist nu zelfs een meer algemene en besliste aanvaarding: ”Omdat de particulier Kerk de universele Kerk zo volmaakt mogelijk tegenwoordig moet stellen, moet zij wel weten, dat zij ook tot hen die niet in Christus geloven (...) is gezonden.” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 20 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 37

De Kerk moet nu een grote stap voorwaarts doen in haar evangelisatie; zij moet een historische etappe van haar missionaire dynamiek beginnen. In een wereld die steeds kleiner wordt door het wegvallen van de afstanden, moeten de kerkelijke gemeenschappen met elkaar in verbinding treden, krachten en middelen uitwisselen, zich samen inzetten voor de ene en gemeenschappelijke zending om het Evangelie te verkondigen en in praktijk te brengen.

“De zogenaamde jonge kerken”, hebben de synodevaders gezegd, “hebben de kracht nodig van de oude, zoals ook zij op hun beurt het getuigenis en de impuls van de jonge nodig hebben zodat de afzonderlijke kerken putten uit de rijkdom van andere kerken.” Bisschoppensynodes, Propositiones n.a.v. de 10e Bisschoppensynode over de Leken (30 okt 1987), 29

In deze nieuwe fase is de vorming in de jonge kerken, niet alleen de plaatselijke clerus maar ook van een volwassen en verantwoordelijke lekenstand, een wezenlijk en onmisbaar element van de plantatio Ecclesiae. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 21 Op deze wijze richten de geëvangeliseerde gemeenschappen zich op nieuwe streken van de wereld om ook zelf te beantwoorden aan de zending om het evangelie van Christus te verkondigen en er getuigenis van af te leggen.

Door het voorbeeld van hun leven en door hun activiteit kunnen leken gelovigen de verbetering bevorderen van de betrekkingen tussen de volgelingen van de verschillende godsdiensten, zoals de synodevaders terecht opgemerkt hebben:

“Overal op de wereld leeft de Kerk tegenwoordig midden tussen de volken van diverse geloofsovertuigingen. (....) Alle gelovigen, heel bijzonder de leken, die leven midden onder volkeren met andere godsdiensten, hetzij in hun geboortestreken hetzij in landen waarnaar zij geëmigreerd zijn, moeten voor allen een teken zijn van de Heer en zijn Kerk op een manier, die past bij de levensomstandigheden en bij iedere plaats.

De dialoog tussen de godsdiensten speelt een vooraanstaande rol, omdat hij voert tot liefde en wederzijds respect, omdat hij de vooroordelen onder de aanhangers van de diverse religies wegneemt of minstens kleiner maakt en de openheid en vriendschap onder de volkeren vergroot.” Bisschoppensynodes, Propositiones n.a.v. de 10e Bisschoppensynode over de Leken (30 okt 1987), 30. bis

Voor de evangelisatie van de wereld zijn vooral de geloofsverkondigers nodig. Daarom moeten allen, te beginnen bij de christelijke gezinnen, zich verantwoordelijk voelen voor de bevordering van het ontstaan en de rijping van specifiek missionaire roepingen, zowel van priesters als van religieuzen en leken, met behulp van alle geschikte middelen, zonder ooit het bevoorrechte middel van het gebed te verwaarlozen, volgens het woord van de Heer Jezus zelf: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten” (Mt. 9, 37-38).

Door het Evangelie aan te nemen en te verkondigen in de kracht van de Geest wordt de Kerk geëvangeliseerde een evangeliserende gemeenschap en juist hierom wordt zij dienstmaagd van de mensen. De lekengelovigen in de Kerk nemen deel aan de zending om de mens en de maatschappij te dienen. De Kerk heeft zeker als hoogste doel het rijk van God, waarvan zij “op aarde de kiem en de aanvang” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 5; zij is dus geheel gewijd aan de verheerlijking van de Vader. Maar het rijk is bron van algehele bevrijding en van volledig heil voor alle mensen: de Kerk gaat dan ook met hen voort en leeft met hen, in werkelijke een innige solidariteit met hun geschiedenis.

De Kerk, die de opdracht gekregen heeft het mysterie van God dat in Christus Jezus oplicht, aan de wereld te openbaren, maakt tegelijk de mens voor zichzelf duidelijk, openbaart hem voor de zin van zijn bestaan, opent hem voor heel de waarheid over hemzelf en over zijn bestemming. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 In dit opzicht is de Kerk krachtens haar zending om te evangeliseren geroepen om de mens te dienen. Deze dienst is op de eerste plaats geworteld in het wonderbaarlijke en verbijsterende feit dat de “Zoon van God zich door zijn menswording in zekere zin met iedere mens verenigd heeft”. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22

Daarom is de mens “de eerste weg als het ware die de Kerk moet begaan bij het vervullen van haar taak, hij is de eerste en belangrijkste weg van de Kerk die Christus zelf openlegde en voortdurend door het mysterie van de menswording en de verlossing leid”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 14

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft zich in zijn verschillende documenten herhaaldelijk en met bijzonder duidelijkheid en kracht uitgedrukt in deze zin. Wij lezen een bijzonder verhelderende tekst van de constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
:

“Bij het nastreven echter van haar eigen heilsbestemming deelt de Kerk niet alleen het goddelijk leven aan de mens mee, maar van hieruit laat zij haar licht in zekere zin vallen over de gehele wereld, met namee vooral doordat zij de waardigheid van de menselijke persoon geneest en verheft, de banden van de menselijke persoon geneest en verheft, de banden van de menselijke gemeenschap verstevigt een aan de dagelijkse wereldlijke activiteiten van de mensen een diepere zin en betekenis geeft. Zo gelooft de Kerk, via haar ledematen afzonderlijk en via haar gemeenschap als totaliteit, er veel toe te kunnen bijdragen om de mensheid en haar geschiedenis meer menselijk te maken”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 40

In deze bijdrage aan de mensenfamilie waarvoor de gehele Kerk verantwoordelijk is, komt een bijzondere plaats toe aan de lekengelovigen vanwege hun “seculiere karaktertrek”, welke hen verplicht tot de christelijke bezieling van de tijdelijke orde op eigen en onvervangbare wijze.

Een wezenlijke taak en in zekere zin zelfs de centrale en samenbindende taak van de dienst die de Kerk en de lekengelovigen in de Kerk geroepen zijn aan de mensenfamilie te verlenen, wordt gevormd door het herontdekken en doen herontdekken van de onschendbare waardigheid van iedere mens.

Onder alle aardse schepselen is alleen de mens “persoon”, bewust en vrij subject, en juist hierom “middelpunt een hoogtepunt” van alles wat op aarde bestaat Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 12.

De waardigheid van persoon is het kostbaarste goed dat de mens bezit; dank zij deze waardigheid overtreft hij in waarde de materiële wereld. Het woord van Jezus: “Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen als dit ten koste gaat van eigen leven?” (Mc. 8, 36) sluit een lichtende en stimulerende antropologische uitspraak : de mens heeft geen waarde om wat hij “heeft” ook al bezat hij de hele wereld! –, maar om wat hij “is”. De goederen van de wereld tellen niet zozeer, maar meer het goed van de persoon, het goed dat de persoon zelf is. De waardigheid van persoon toont heel haar glans wij kijken naar de oorsprong en het doel van de persoon: de mens is door God geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, verlost door het allerkostbaarste bloed van Christus, geroepen om “kind van God in de Zoon” en levende tempel van de Geest te zijn en bestemd voor het eeuwige leven van zaligmakende vereniging met God. Daarom roept iedere schending van de persoonlijke waardigheid van de mens om wraak voor Gods aanschijn en vormt zij een belediging van de Scheper van de mens.

Krachtens zijn waardigheid als persoon is de mens altijd een waarde in zich en op zich. De mens moet zo gezien en behandeld worden en mag daarentegen nooit beschouwd en behandeld worden als een object waarvan men gebruik kan maken, als een werktuig, als een ding. De persoonlijke waardigheid vormt de grondslag van de gelijkheid van alle mensen. Vandaar de absolute ontoelaatbaarheid van al de meest verschillende vormen van discriminatie die helaas de mensenfamilie blijven verdelen en vernederen, vanaf de raciale economische tot aan de sociale en culturele, vanaf de politieke tot aan de geografische discriminaties, enz. Elk discriminatie vormt een volstrekt ontoelaatbare onrechtvaardigheid, niet zozeer vanwege de spanningen en conflicten die zij verwekt in het maatschappelijk weefsel maar meer nog vanwege de ontering die zij toebrengt aan de waardigheid van de mens: niet alleen aan de onrechtvaardigheid maar meer nog aan die van hem die de onrechtvaardigheid begaat.

De persoonlijke waardigheid, die de grondslag is van de gelijkheid van alle mensen, is ook het fundament van de onderlinge participatie van de mensen en van de solidariteit tussen de mensen: de dialoog en de gemeenschap zijn uiteindelijk geworteld in wat de mensen “zijn”, eerder en meer dan in wat zij “hebben”. De waardigheid als persoon is een onverwoestbare eigenschap van iedere mens. Het is van fundamenteel belang om heel de overweldigende kracht van deze uitspraak te zien welke gebaseerd is op de enigheid en de onhaalbaarheid van iedere mens. Daaruit vloeit voort dat het individu absoluut onherleidbaar is tot al wat hem zou willen verbrijzelen en vernietigen in de anonimiteit van de collectiviteit, van het instituut, van het systeem.

De waarde van iedere mens is op de meest radicale en verheven wijze bekrachtigd door de Zoon van God in zijn menswording in de schoot van een vrouw. Ook hierover blijft het christelijke kerstfeest ons spreken H. Paus Johannes Paulus II, Urbi et Orbi, Kerstboodschap 1978 voorafgaand aan de zegen "Urbi et Orbi", En God is mensgeworden (25 dec 1978), 1. "Als wij de geboorte van Jezus zo plechtig vieren, dan doen wij dit om te getuigen dat iedere mens iemand is, enig en onherhaalbaar. Als onze menselijke statistieken, het menselijke catalogiseren, de menselijke politieke, economische en sociale systemen, de eenvoudige menselijke mogelijkheden, e niet in slagen aan de mens te verzekeren, dat hij geboren kan worden, bestaan en handelen als een enig en onherhaalbaar wezen, dan verzekert God hem dit alles. Voor Hem en tegenover Hem is de mens steeds enig en onherhaalbaar; iemand die eeuwig uitgedacht en uitverkoren is; iemand, die geroepen en genoemd wordt bij zijn eigen naam.".

De daadwerkelijke erkenning van de persoonlijke waardigheid van iedere mens eist de eerbiediging, de verdediging en de bevordering van de rechten van de mens.

Het gaat om natuurlijke, universele en onschendbare rechten: niemand, noch de enkeling, noch de groep noch de autoriteit noch de staat, kan ze wijzigen en nog minder elimineren, want deze rechten komen van God zelf.

De onschendbaarheid van de persoon, welke weerspiegeling is van de absolute onschendbaarheid van God zelf, vindt haar eerste en fundamentele uitdrukking in de onschendbaarheid van het menselijk leven. In het algemeen spreken over de mensenrechten – zoals bij voorbeeld over het recht op gezondheid, huisvesting, werk, gezin en cultuur-, wat overigens terecht geschiedt, is geheel vals en bedrieglijk als men niet met de grootste vastberadenheid het recht op leven verdedigd dat het eerste en oorspronkelijke recht is en de voorwaarde voor alle andere rechten van de mens.

De Kerk heeft zich nooit neergelegd bij alle schendingen die het recht op leven dat ieder mens bezit, ondergaan heeft en voortdurend ondergaat, zowel door enkelingen als door overheden. Degene die dit recht bezit is de mens in iedere fase van zijn ontwikkeling, vanaf de ontvangenis tot aan de natuurlijke dood, en in alle omstandigheden, van gezondheid of ziekte, van integriteit of handicap, van rijkdom tot armoede. Het Tweede Vaticaans Concilie verkondigt openlijk :

”Al wat verder tegen het leven zelf ingaat, zoals alle soorten van moord, uitroeiing, abortus, euthanasie en vrijwillige zelfmoord; al wat de integriteit van de menselijke persoon aantast, zoals verminking, lichamelijke en geestelijke foltering, pogingen om de mens psychisch in zijn macht te krijgen; al wat een belediging is voor de menselijke waardigheid, zoals onmenselijke levensvoorwaarden, willekeurige arrestaties, deportaties, slavernij, prostitutie, handel in meisjes en minderjarigen; schandelijke arbeidsvoorwaarden, waarbij de arbeiders als louter winstwerktuigen worden behandeld en niet als vrije en verantwoordelijke personen: dit alles en andere dergelijke dingen zijn onmiskenbaar schandelijk. Ze zijn een aantasting van de menselijke beschaving en zij werpen meer een smet op hen die zich zo gedragen dan op hen die het onrecht hebben te verdragen. En ze zijn volledig in tegenspraak met de eer van de Schepper” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 27.

Al hebben allen de zending en de verantwoordelijkheid voor de erkenning van de persoonlijke waardigheid van iedere mens en voor de verdediging van het recht op leven, toch zijn sommige lekengelovigen daartoe geroepen om een bijzondere reden: het zijn ouders, de opvoeders, de gezondheidswerkers en allen die de economische en politieke macht in handen hebben.

In de liefderijke en edelmoedige ontvangst van ieder menselijk leven, vooral als het zwak of ziek is, beleeft de Kerk nu een fundamenteel moment van haar zending, welke des te meer noodzakelijk is naarmate een “cultuur van de dood” meer gaat overheersen. Want de Kerk geloofd

“vast dat het menselijk leven, ook al is het zwak of ziek, altijd een schitterende gave is van de God goedheid.
Tegenover het pessimisme en het egoïsme die de wereld verduisteren, staat de Kerk aan de kant van het Leven; zij weet in ieder menselijk leven de glans te ontdekken van dat “ja”, van dat “Amen” dat Christus zelf is. Vgl. 2 Kor. 1, 9 Vgl. Openb. 3, 14 . Tegenover het “nee” dat de wereld binnendringt en neerdrukt, stelt zij dit levende “ja” en verdedigt zij op deze manier de mensen en de wereld tegen degenen die het leven belagen en aantasten” H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 30.

Het is de taak van de lekengelovigen die door roeping of beroep meer onmiddellijk betrokken zijn bij de ontvangst van het leven om het “ja” van de Kerk tot het menselijk leven concreet en krachtdadig te maken.

Nieuwe mogelijkheden en verantwoordelijkheden hebben zich nu geopend op de grenzen van het menselijk leven door de enorme ontwikkeling van de biologische en medische wetenschappen, samen met het verrassende technologische vermogen: de mens is nu inderdaad in staat om het menselijke leven in zijn begin en eerste stadia van ontwikkeling niet alleen te "observeren" maar ook te "manipuleren".

Het zedelijk geweten van de mensheid mag niet onwetend of onverschillig blijven tegenover de gigantische stappen die gezet zijn door een technologische macht welke steeds meer en dieper de dynamiek beheerst die de procreatie en de eerste fasen van de ontwikkeling van het menselijk leven leidt. Op dit gebied lijkt de wijsheid nu wellicht meer dan ooit het enige reddingsanker, opdat de mens in het wetenschappelijke onderzoek en de toepassing ervan steeds met intelligentie en liefde mag handelen, door namelijk de onschendbare persoonlijke waardigheid van iedere mens vanaf het eerste ogenblik van zijn bestaan te respecteren en zelfs te vereren. Dit gebeurt als wetenschap en techniek zich met geoorloofde middelen inspannen voor de verdediging van het leven en de verzorging van de ziekte vanaf het begin en daarentegen omwille van de waardigheid van het onderzoek zelf ingrepen afwijzen die het genetische erfgoed van het individu van het menselijke geslacht blijken te verstoren Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987).

De lekengelovigen die om diverse redenen en op verschillende niveaus werkzaam zijn in wetenschap en techniek als ook in het medische, sociale, wetgevende of economische milieu, moeten moedig de “uitdaging” aannemen die gesteld wordt door de nieuwe problemen van de bio-ethiek. Zoals de synodevaders gezegd hebben,

“ moeten de christengelovigen hun verantwoordelijkheden niet als haar slaven. (.....) In het perspectief van die morele ‘uitdaging” die door de nieuwe en reusachtige technologische kracht zullen worden opgeroepen, en niet alleen de fundamentele mensenrechten, maar ook het biologische wezen van de menselijke soort zelf op het spel zetten, wordt dit van het allergrootste belang: dat de christenen-leken – met behulp van de hele Kerk zich toeleggen op de zware taak de cultuur weer te doen terugkeren naar de beginselen van een authentieke menselijkheid, opdat de bevordering en de bescherming van de mensenrechten een dynamisch en veilig fundament kunnen vinden in het diepste wezen van de mens; in dat wezen namelijk dat de evangelische verkondiging aan de mensen heeft geopenbaard” Bisschoppensynodes, Propositiones n.a.v. de 10e Bisschoppensynode over de Leken (30 okt 1987), 36

Tegenover het verschijnsel van de concentratie van de macht en op de eerste plaats van de technologische macht is nu de waakzaamheid van allen dringend geboden. Want deze concentratie neigt naar de manipulatie niet slechts van het biologische wezen maar ook van de inhoud van het geweten zelf van de mensen en van hun levenswijzen, waardoor zij de discriminatie en de uitsluiting van gehele volkeren verergert.

De eerbied voor de persoonlijke waardigheid, die de verdediging en de bevordering van de mensenrechten meebrengt, vereist de erkenning van de godsdienstige dimensie van de mens. Dit is geen louter “confessionele” vereiste maar een eis die zijn onuitroeibare wortel heeft in de werkelijkheid zelf van de mens. De betrekking met God is immers een constitutief element van het “zijn” en het “bestaan” zelf van de mens: wij hebben “het leven , het bewegen en het zijn” door God. (Hand. 17, 28).

Al geloven niet allen in deze waarheid, toch hebben zij die daarvan overtuigd zijn het recht om gerespecteerd te worden in hun geloof en in de individuele en gemeenschappelijke levenskeuzen die uit dit geloof voortkomen.

Het is het recht op gewetens- en godsdienstvrijheid, waarvan de daadwerkelijke erkenning een van de hoogste goederen en een van de zwaarste plichten wil verzekeren:

“De godsdienstvrijheid die een onontkoombare eis is van de waardigheid van iedere mens, is een hoeksteen van het bouwwerk van de mensenrechten; daarom is zij een onvervangbare factor van het welzijn van de mensen en van heel de maatschappij als ook van de zelfverwerkelijking van ieder. Daaruit volgt dat de vrijheid van de enkelingen en van de gemeenschappen om de eigen godsdienst te belijden en te praktiseren een wezenlijk element is van de vreedzame samenleving van de mensen. (...) Het burgerlijke en maatschappelijke recht op godsdienstvrijheid blijkt, omdat het de meest innerlijke sfeer van de geest raakt, oriënteringspunt te zijn voor andere fundamentele rechten en het wordt in zekere zin de maat daarvoor” H. Paus Johannes Paulus II, Boodschap, Boodschap voor de 21e Wereldvredesdag 1988, Godsdienstvrijheid, voorwaarde tot een vreedzame samenleving (8 dec 1987).

De synode heeft niet de vele broeders en zusters vergeten die dit recht nog niet genieten en het hoofd moeten bieden aan ontbering, uitsluiting, lijden, vervolging en soms an de dood vanwege de belijdenis van het geloof. In meerderheid zijn het broeders en zusters uit de christelijke lekenstand. De verkondiging van het Evangelie en christelijke levensgetuigenis in het lijden en martelaarschap vormen het hoogtepunt van het apostolaat van de leerlingen van Christus, zoals de liefde voor Christus tot aan het geven van het eigen leven een bron vormt van buitengewone vruchtbaarheid voor de opbouw van de Kerk. De mystieke wijnstok getuigd zo van zijn weelderige bloei, zoals de heilige Augustinus opgemerkt heeft: “Maar die wijnstok die zijn vrucht dragende ranken, uitstrekte in heel de wereld, werd des te weelderiger naarmate ze meer besproeid werd door het vele bloed van de martelaren, zoals voorzegd was door de profeten en door de Heer zelf” H. Augustinus, De catechizandis rudibus. XXIV, 44: CCL 46, 168.

De gehele Kerk is diep dankbaar voor dit voorbeeld en voor deze gave: in deze kinderen vindt zij beweegredenen om haar elan van heilig en apostolisch leven te vernieuwen.

In deze zin hebben de synodevaders het hun speciale plicht geacht om “die leken te danken die ondanks een beperkte vrijheid leven als onvermoeibare geloofsgetuigen in trouwe eenheid de Apostolische Stoel, ofschoon zij niet over gewijde dienaren beschikken. Zij zetten op alles, zelfs hun leven, op het spel. Op deze manier leggen leken getuigenis af van een wezenlijke eigenschap van de Kerk. Gods Kerk ontstaat uit Gods genade, wat op een uitmuntende manier tot uitdrukking komt in het martelaarschap” Bisschoppensynodes, Propositiones n.a.v. de 10e Bisschoppensynode over de Leken (30 okt 1987), 32

Wat wij gezegd hebben over de eerbied voor de persoonlijke waardigheid en over de erkenning van de mensenrechten raakt zonder twijfel de verantwoordelijkheid van iedere Christen, van iedere mens. Maar wij moeten onmiddellijk opmerken dat dit probleem in deze tijd een wereldwijde omvang krijgt: het is inderdaad een vraagstuk dat nu gehele groepen mensen, zelfs gehele volken raakt, die op gewelddadige wijze geminacht worden in hun fundamentele rechten. Vandaar die vormen van ongelijkheid van ontwikkeling tussen de verschillende Werelden welke wij in de jongste encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Sollicitudo Rei Socialis
De ontwikkeling van de mens en de samenlevingTwintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI
(30 december 1987)
openlijk aangeklaagd hebben.

De eerbied voor de mens gaat verder dan de eis van een individuele moralen rijst op als grondbeginsel, als het ware als grondpijler, voor de structurering van de maatschappij zelf, daar heel het doel van de maatschappij in de persoon bestaat.

Zo verschijnt de verantwoordelijkheid voor het dienen van de maatschappij, in nauwe verbinding met de verantwoordelijkheid voor het dienen van de persoon, als een algemene opdracht van de christelijke bezieling van de tijdelijke orde, waartoe de leken opgeroepen zijn op hun eigen specifieke wijze.

De mens heeft een aangeboren en structurele sociale dimensie, aangezien hij van binnen uit geroepen wordt tot de gemeenschap met de anderen en tot de gave van de anderen: “God, die een vaderlijke zorg voor allen heeft, heeft gewild, dat alle mensen één familie zouden vormen en elkaar in broederlijke geest zouden bejegenen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 24. En zo toont de maatschappij, die vrucht en teken is van de sociale dimensie van de mens, zijn volledige werkelijkheid in het feit dat zij een gemeenschap van personen is.

Er is onderlinge afhankelijkheid en wederkerigheid tussen mensen en maatschappij: alles wat gedaan wordt ten behoeve van de mens is ook een dienst aan de maatschappij en alles wat gedaan wordt ten behoeve aan de maatschappij komt ten goede aan de mens. Daarom heeft de apostolische inspanning van de lekengelovigen in de tijdelijke orde steeds een onlosmakende betekenis van dienst aan de afzonderlijke mens in zijn enigheid en onherhaalbaarheid en de betekenis van de dienst aan alle mensen.

Het echtpaar en het gezin zijn de eerste en oorspronkelijke uitdrukking van de sociale dimensie van de mens: ”Maar God heeft de mens niet alleen geschapen, want vanaf het allereerste begin heeft hij “hen als man en vrouw geschapen” (Gen. 1, 27), wier verbondenheid de oervorm is van de gemeenschap van personen.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 12.

Jezus heeft ervoor gezorgd aan het echtpaar heel zijn waardigheid en aan het gezin zijn eigen hechtheid terug te geven Vgl. Mt. 19, 3-9 . Sint Paulus heeft de diepe betrekking aangetoond van het huwelijk met het mysterie van Christus en van de Kerk Vgl. Ef. 5, 22-6,4 Vgl. Kol. 3, 18-21 Vgl. 1 Pt. 3, 1-7 .

Het echtpaar en het gezin vormen de eerste ruimte voor de sociale inzet van de lekengelovigen. Het is een inzet die alleen adequaat vervuld kan worden in de overtuiging van de unieke en onvervangbare waarde van het gezin voor de ontwikkeling van de maatschappij en de Kerk zelf. Het gezin, de wieg van het leven en de liefde waarin de mens “geboren wordt” en “opgroeit”, is de fundamentele cel van de maatschappij. Aan deze gemeenschap moet een bevoorrechte zorg besteed worden. In het bijzonder zo vaak als het menselijke egoïsme, de campagnes voor geboorte beperking, de totalitaire politiek, maar ook de situatie van fysieke, culturele en morele armoede en ellende als ook de hedonistische consumptiementaliteit de bronnen van het leven doen opdrogen, terwijl de ideologieën en de diverse stelsels, samen met vormen van onverschilligheid en liefdeloosheid de opvoedingstaken van het gezin aantasten.

Er is derhalve een uitgebreide, diepe en systematische arbeid nodig, die, gesteund niet alleen door de cultuur maar ook door de economische middelen en door de structuren van de wetgeving, bedoeld is om aan het gezin zijn taak om de primaire plaats van de “vermenselijking” van de persoon en van de maatschappij te zijn, te verzekeren. De apostolische inzet van de lekengelovigen is vooral de inspanning om het gezin bewust te maken van zijn identiteit als eerste basiskern van de maatschappij en van zijn oorspronkelijke rol in de maatschappij, opdat het zelf steeds meer actieve en verantwoordelijke protagonist mag worden van de eigen groei en van de eigen deelname aan het maatschappelijk leven. Op deze wijze zal het gezin van allen, te beginnen bij het openbare gezag, respect kunnen en moeten eisen voor de rechten die de maatschappij zelf redden omdat zij het gezin redden.

Wat geschreven staat in de exhortatie H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Familiaris Consortio
Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd
(22 november 1981)
de deelname aan de ontwikkeling van de maatschappij Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 42-48 en wat de Heilige Stoel op uitnodiging van de bisschoppensynode van 1980 met het “Pauselijke Raad voor het Gezin
Handvest van de Rechten van het gezin
(22 oktober 1983)
” geformuleerd heeft, vormen een uitvoerbaar, volledig en samenhangend programma voor al die lekengelovigen die op verschillende gronden betrokken zijn bij de bevordering van de waarden en de eisen van het gezin: een programma waarvan de tijdige en besliste uitvoering des te meer dringt naargelang de bedreigingen voor de hechtheid en de vruchtbaarheid van het gezin ernstiger worden en de pogingen om het gezin uit te sluiten en de sociale betekenis ervan te ontwaarden zwaarder en meer systematisch worden.

De beschaving en de degelijkheid van de volkeren hangen vooral af van de menselijke kwaliteit van hun gezinnen zoals de ervaring bevestigt. Daarom heeft de apostolische inzet voor het gezin een overgelijkelijke sociale waarde. De Kerk is harerzijds daarvan diep overtuigd en zij weet goed dat “de toekomst van de mensheid via het gezin loopt” H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 85.

De dienst aan de maatschappij wordt op zeer verschillende wijze uitgedrukt en vervuld: vrij en informeel, maar ook institutioneel: door hulp aan afzonderlijke personen, maar ook door hulp aan allerlei groepen en gemeenschappen van mensen.

Heel de Kerk is als zodanig direct geroepen tot de dienst van de naastenliefde:

“In haar beginperiode verbond de heilige Kerk de agapè met de eucharistische maaltijd en toonde daardoor, dat zij in haar geheel rondom Christus was verenigd door de band van liefde; zo laat zij zich te allen tijde dat teken van liefde herkennen en, terwijl zij zich verheugt over de initiatieven van anderen, maakt zij op caritatief werk aanspraak als haar eigen taak en onvervreemdbaar recht. Barmhartigheid voor armen en zwakken, caritatief werk en onderlinge hulpverlening in alle menselijke noden worden in de Kerk daarom bijzonder in ere gehouden” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 8.

De liefde tot de naaste betekent in de oude en steeds nieuwe vormen van de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid de meeste onmiddellijke, gewone en gebruikelijke inhoud van die christelijke bezieling van de tijdelijke orde die de specifieke inzet van de lekengelovigen vormt.

In de liefde tot de naaste verwezenlijken en uiten de lekengelovigen hun deelname aan het koningschap van Jezus Christus, d.w.z. aan de macht van de Mensenzoon die “gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen.” (Mc. 10, 45) ; zij oefenen dit koningschap uit en brengen het tot uitdrukking op de meest eenvoudige wijze, omdat de liefde de grootste gave is welke de Geest geeft voor de opbouw van de Kerk Vgl. 1 Kor. 13, 13 en voor het welzijn van de mensheid. De liefde bezielt en ondersteunt inderdaad een werkdadige solidariteit die bedacht is op het geheel van noden van de mens.

Een dergelijke liefde die niet alleen door enkelingen maar ook op solidaire wijze door groepen en gemeenschappen beoefend wordt, is noodzakelijk en zal steeds noodzakelijk zijn: zij kan door niets en niemand vervangen worden en zal door niets of niemand vervangen kunnen worden, ook niet door veelvuldige openbare instellingen en initiatieven, welke zich ook inspannen om een antwoord te geven op de nu vaak zo ernstige en wijdverbreide noden van een volk. Deze liefde wordt op paradoxale wijze meer noodzakelijk naarmate de instellingen, doordat zij in hun organisatie ingewikkelder worden en de hele beschikbare ruimte willen verzorgen, tenslotte meer en meer ondergraven worden door onpersoonlijk functioneren, door overdreven bureaucratie, door onrechtmatige private belangen, door gemakkelijke en algemene onverschilligheid.

Juist in deze context ontstaan en verspreiden zich, in het bijzonder in de georganiseerde maatschappijen, voortdurend verschillende vormen van vrijwillige hulpverlening, die zich uitdrukken in veelvuldige diensten en werken. Als de vrijwillige hulpverlening beoefend wordt als waarachtig belangeloze dienst aan het welzijn van de mensen, vooral van de meest behoeftigen en van hen die het meest vergeten worden door de sociale diensten, dan moet zij een belangrijke vorm van apostolaat genoemd worden, waarin de lekengelovigen, mannen en vrouwen, een hoofdrol vervullen.

Document

Naam: CHRISTIFIDELES LAICI
Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 december 1988
Copyrights: © 1989, RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 30 november 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam