• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
   Dit is een werkvertaling

Het gnosticisme heeft geleid tot een andere oude, ook nu nog aanwezige, ketterij. In de loop der tijd begonnen velen te erkennen dat kennis ons niet beter of heilig maakt, maar het leven dat wij leiden. Het probleem is dat dit op subtiele wijze ontaardde zodat dezelfde dwaling van de gnostici eenvoudig veranderde, maar niet werd overwonnen.

Immers, de macht die de gnostici toekenden aan het verstand, begonnen enkelen toe te kennen aan de menselijke wil, aan de persoonlijke krachtsinspanning. Zo ontstonden de pelagianen en de semi-pelagianen. Het verstand nam niet meer de plaats in van het mysterie en de genade, maar de wil. Men vergat dat alles “niet afhangt van de wil, noch van de inspanningen van de mens, maar van Gods ontferming” (Rom. 9, 16) en dat Hij “ons het eerst heeft liefgehad” (1 Joh. 4, 19).

Zij die beantwoorden aan deze pelagiaanse of semi-pelagiaanse mentaliteit

“vertrouwen uiteindelijk”,

ook al spreken ze over de genade van God in zoetsappige bewoordingen,

“alleen maar op eigen kracht en voelen zich verheven boven de anderen, omdat zij zich aan bepaalde normen houden of omdat zij onwrikbaar trouw zijn aan een zekere katholieke stijl”. Paus Franciscus, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verkondiging van het Evangelie in de wereld van vandaag - Naar aanleiding van de Bisschoppensynode 2012 over de nieuwe evangelisatie, Evangelii Gaudium (24 nov 2013), 94

Wanneer sommigen van hen zich tot de zwakken richten en zeggen dat alles mogelijk is met de genade van God, zijn ze eigenlijk gewoon de idee over aan het brengen dat men alles met de menselijke wil kan doen, als was dat iets puurs, volmaakts, almachtigs, waaraan de genade wordt toegevoegd. Men doet alsof men niet weet dat

"niet iedereen alles kan", H. Bonaventura, De sex alis Seraphim. 3, 8: “Non omnes omnia possunt Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1735. Deze zinsnede moet in het licht van de CKK, 1735 gelezen worden

en dat in dit leven de menselijke zwakheden niet volledig en voor eens en altijd door de genade worden genezen. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II, q. 109, a. 9, ad 1: “Nu is echter de genade in zekere zin onvolmaakt, omdat zij - zoals gezegd - de mens niet geheel geneest.”. Zoals de heilige Augustinus leerde, nodigt God je in welk geval dan ook uit dat te doen wat je kunt, en

“te vragen wat je niet kunt” H. Augustinus, De natura et gratia. 43, 50: PL 44, 271 

of uiteindelijk tot de Heer te zeggen:

"Geef wat Gij beveelt, en beveel wat Gij wilt". H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. X, 29, 40: PL 32, 796

Tenslotte is het ontbreken van een oprecht, doorleefd en biddend erkennen van onze grenzen, datgene wat de genade verhindert beter in ons werkzaam te zijn. Er wordt dan geen ruimte gelaten het mogelijk goede teweeg te brengen dat zich voegt in een oprechte en werkelijke weg van groei. Paus Franciscus, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de verkondiging van het Evangelie in de wereld van vandaag - Naar aanleiding van de Bisschoppensynode 2012 over de nieuwe evangelisatie, Evangelii Gaudium (24 nov 2013), 44 Juist omdat de genade onze natuur veronderstelt, maakt zij van ons niet opeens supermensen. Dit pretenderen zou betekenen teveel op onszelf vertrouwen. In dit geval kan onze houding, verscholen achter de orthodoxie, niet overeenkomen met hetgeen wij zeggen over de noodzaak van de genade, en vertrouwen wij uiteindelijk weinig hierop. Immers, als wij onze concrete en beperkte werkelijkheid niet erkennen, zullen wij ook niet de werkelijke en mogelijke stappen kunnen zien die de Heer op ieder moment van ons vraagt na ons te hebben aangetrokken en met zijn gave geschikt te hebben gemaakt. De genade is historisch werkzaam en krijgt, gewoonlijk, greep op ons en verandert ons in toenemende mate. Vgl. Concilie van Trente, 6. Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 5. Volgens het begrip van het christelijk geloof gaat de genade vooraf aan elk handelen van ons, begeleidt deze het en volgt erop Daarom, als wij deze historische en toenemende manier van werken afwijzen, kunnen wij in feite uiteindelijk haar negeren en blokkeren, ook al verheerlijken wij haar met woorden.

Wanneer God zich richt tot Abraham, zegt Hij tegen hem: “Ik ben God Almachtig, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk” (Gen. 17, 1). Om volmaakt te kunnen zijn, zoals het Hem behaagt, dienen wij deemoedig in zijn aanwezigheid te leven, omgeven door zijn heerlijkheid; wij dienen in eenheid met Hem te gaan en zijn voortdurende liefde in ons leven te erkennen. Het is noodzakelijk de angst voor deze aanwezigheid, die ons alleen maar goed kan doen, op te geven. De Vader heeft ons liefgehad en bemint ons zeer. Wanneer wij dit eenmaal aanvaarden en ophouden ons bestaan zonder Hem te denken, verdwijnt de vrees voor de eenzaamheid. Vgl. Ps. 139, 7 En als wij geen afstand meer scheppen tussen ons en God en leven in zijn aanwezigheid, zullen wij het Hem mogelijk kunnen maken onze harten te onderzoeken om te zien of zij de juiste weg gaan. Vgl. Ps. 139, 23-24 Zo zullen wij de beminnelijke en volmaakte wil van de Heer leren kennen Vgl. Rom. 12, 1-2 en zullen wij Hem ons laten vormen zoals een pottenbakker. Vgl. Jes. 29, 16 Wij hebben zo vaak gezegd dat God in ons woont, maar het is beter te zeggen dat wij in Hem wonen, dat Hij het ons mogelijk maakt te leven in zijn licht en in zijn liefde. Hij is onze tempel: “Eén ding slechts vraag ik de Heer, meer zal ik niet wensen: dat ik in Gods huis mag wonen zolang als ik leef” (Ps. 27, 4). “Voor mij is één dag in uw voorhof beter dan elders duizend dagen” (Ps. 84, 11). In Hem worden wij geheiligd.

De Kerk heeft talrijke keren onderricht dat wij niet worden gerechtvaardigd door onze werken of inspanningen, maar door de genade van de Heer, die het initiatief neemt. De kerkvaders, ook vóór Augustinus, hebben deze primaire overtuiging duidelijk tot uitdrukking gebracht. De heilige Johannes Chrysostomus zei dat God zelf de werkelijke bron van alle gaven is en in ons stort,

“voordat wij de strijd zijn aangegaan”. H. Johannes Chrysostomos, Preken over de Brief aan de Hebreën, In epistulam ad Hebraeos. 9, 11: PG 60, 470

De heilige Basilius de Grote merkte op dat een gelovige zich alleen maar in God beroemt, omdat

“hij erkent dat hij verstoken is van de ware gerechtigheid en alleen door het geloof in Christus wordt gerechtvaardigd”. H. Basilius van Caesarea, Homiliae. over de nederigheid: PG 31, 530

De tweede Synode van Orange heeft met vastberaden gezag geleerd dat geen enkel menselijk wezen de gave van de goddelijke genade kan eisen, verdienen of kopen, en dat alles wat daarmee kan samenwerken, vooraf een gave is van dezelfde genade:

“Zelfs de wens om zuiver te zijn, komt in ons tot stand door instorting en uitwerking van de Heilige Geest op ons”. 2e Synode van Orange, Canones (3 juli 529), 5. DH 374

Daarna bevestigde het Concilie van Trente, ook toen zij het belang van onze samenwerking door geestelijke groei onderstreepte, opnieuw die dogmatische leer:

“Wij stellen dat wij om niet worden gerechtvaardigd, omdat niets van wat aan de rechtvaardiging voorafgaat, hetzij het geloof, hetzij de werken, de genade zelf van de rechtvaardiging verdient; want als het genade is, dan is het dat niet door de werken; anders zou de genade geen genade meer zijn (Rom. 11, 6)”. Concilie van Trente, 6. Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 12

Ook de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
 herinnert ons eraan dat de gave van de genade

“de vermogens van het verstand en de krachten van de wil van een mens te boven gaat”, Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1998

en dat

“er tegenover God van de kant van de mens geen verdienste is in de zin van een strikt recht. Tussen Hem en ons is de ongelijkheid grenzeloos”. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2007

Zijn vriendschap gaat ons oneindig te boven, kan door ons niet worden gekocht met onze werken en kan alleen een gave van zijn initiatief van liefde zijn. Deze nodigt ons uit met vreugdevolle dankbaarheid voor die gave die wij nooit zullen verdienen, te leven, daar,

“wanneer iemand in genade is, de genade die hij al heeft ontvangen niet meer kan verdienen”. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 114, a. 5

De heiligen vermijden het vertrouwen te stellen in hun daden:

“In de avond van dit leven zal ik voor U verschijnen met lege handen, omdat ik U, Heer, vraag mijn werken niet te tellen. Iedere gerechtigheid van ons is onvolmaakt in uw ogen” H. Teresia van Lisieux van het Kind Jezus, Acte d'offrande à l'Amour miséricordieux. Gebeden, 6

Dit is een van de grote, door de Kerk uiteindelijk verworven overtuigingen en wordt zo duidelijk tot uitdrukking gebracht in het Woord van God dat zij buiten iedere discussie blijft. Deze waarheid zou, evenals het hoogste gebod van de liefde, onze levensstijl moeten kenmerken, omdat zij put uit de kern van het Evangelie en ons niet alleen oproept haar te aanvaarden met de geest, maar ook te veranderen in een aanstekelijke vreugde. Wij zullen echter de belangeloze gave van de vriendschap met de Heer niet kunnen vieren, als wij niet erkennen dat ook ons aardse bestaan en onze natuurlijke vermogens een gave zijn. Wij dienen

“vreugdevol te erkennen dat onze werkelijkheid de vrucht is van een gave en ook onze vrijheid te aanvaarden als genade. Dat is het moeilijke tegenwoordig, in een wereld die gelooft iets vanuit zichzelf te bezitten, de vrucht van eigen originaliteit en vrijheid”. Lucio Gera, Sobre el misterio del pobre. in P. Grelot - L. Gera - A. Dumas, El Pobre, Buenos Aires 1962, 103.

Alleen uitgaande van de in vrijheid aanvaarde en nederig ontvangen gave van God, kunnen wij met onze krachtsinspanningen samenwerken om ons steeds meer te laten veranderen. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2010. Dit is tenslotte de katholieke leer omtrent de “verdienste” die op de rechtvaardiging volgt: het betreft de samenwerking van de gerechtvaardigde voor de groei van het genadeleven. Maar deze samenwerking zorgt er geenszins voor dat de rechtvaardiging zelf en de vriendschap met God onderwerp van een menselijke maat worden. Op de eerste plaats komt toebehoren aan God. Het gaat erom onszelf aan te bieden aan Hem die aan ons voorafgaat, Hem onze vaardigheden aan te bieden, onze inzet, onze strijd tegen het kwaad en onze creativiteit, opdat zijn belangeloze gave groeit en zich in ons ontwikkelt: “Ik smeek u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden” (Rom. 12, 1). De Kerk heeft overigens altijd geleerd dat alleen de liefde een groei in het genadeleven mogelijk maakt, omdat, “als ik de liefde niet heb, ik niets ben” (1 Kor. 13, 2).

Document

Naam: GAUDETE ET EXSULTATE
Verheugt u en jubelt - Over de roeping tot heiligheid in deze wereld
Soort: Paus Franciscus - Apostolische Exhortatie
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 19 maart 2018
Copyrights: © 2018, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Nederlandse Bisschoppenconferentie
Werkvert. vanuit het Italiaans: drs. Kretzers
Bewerkt: 9 mei 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam