• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Canon 1
Als iemand zegt:

in de Katholieke Kerk is de Biecht geen werkelijk en eigenlijk sacrament, door Christus onze Heer ingesteld voor de gelovigen, om zo dikwijls als zij, na het Doopsel, in zonden zijn vervallen, zich met God te verzoenen,

hij zij verdoemd.

Canon 2
Als iemand de sacramenten vermengd en zegt:

de Doop is zelf het sacrament van de Biecht, alsof deze twee sacramenten niet zijn onderscheiden en dat daarom Biecht ten onrechte de "tweede reddingsplank na schipbreuk" wordt genoemd Tegen J. Calvijn: vgl. Institutio religionis christianae (1539) 19, nr. 17,

hij zij verdoemd. Vgl. Concilie van Trente, 6e Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 22

Canon 3
Als iemand zegt:

deze woorden van de Heer en Verlosser:

"ontvangt de Heilige Geest, wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven en welke gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven" (Joh. 20, 22)

moeten in het sacrament van de Biecht, niet begrepen worden, als volmacht om zonden te vergeven en om niet te vergeven, zoals door de Katholieke Kerk vanaf het begin altijd begrepen is, maar ze veelmeer verdraaid - tegen de instelling van dit sacrament - vanuit de volmacht om het Evangelie te prediken,

hij zij verdoemd.

Canon 4
Als iemand ontkent: dat tot volledige en volkomen vergeving van zonden wordt verlangd, de drie akten in de biechteling, als het ware materie van de Biecht, te weten

  • berouw (contritionem)
  • belijdenis (confessionem) en
  • genoegdoening (satisfactionem),

welke de drie onderdelen van de Biecht worden genoemd, of als iemand zegt: er zijn maar twee onderdelen van de Biecht, te weten,

  • een geschokt geweten door de erkenning van de zonde en
  • op grond van het Evangelie of van de vrijspraak (absolutione) ontvangen geloof,

waarmee men gelooft, dat hem door Christus de zonden vergeven zijn, hij zij verdoemd.

Canon 5
Als iemand zegt:

het berouw, wat voorbereid wordt door onderzoek, verzameling en afschuw van zonden, waarin iemand zijn jaar in bitterheid zijn ziel overdenkt Vgl. Jes. 38, 15 , door beoordeling van de zwaarte van zijn zonden, de hoeveelheid (getal), de lelijkheid, het verlies van de eeuwige gelukzaligheid en het oplopen van de eeuwige verdoemenis, verbonden met een verbetering van levenswijze, niet een echte en nuttig pijn (dolorem) is, noch is voorbereid door de genade, maar dat het de mens maakt tot een hypocriet en noch meer tot zondaar, en tenslotte dat het berouw een afgedwongen en niet vrije en gewilde pijn is,

hij zij verdoemd. Vgl. Paus Leo X, Bul, Over de dwalingen van Martin Luther, Exsurge Domine (15 juni 1520), 76. DS 1456

Canon 6
Als iemand ontkent:

  • dat de sacramentale Biecht, oftewel ingesteld door het goddelijk recht oftewel noodzakelijk is voor het heil vgl. M. Luther, Contra malignum Ecci iudicium ... defensio (1519), art. 7 (Weimarer Ausg. 2, 645); J. Calvijn, Institutio religionis Christianae (1539) 9, Nr. 22,
  • of zegt: de wijze van het geheim belijden alleen voor een priester, wat de Katholieke Kerk vanaf het begin altijd heeft gehouden en behoudt, heeft niets met de instelling en de opdracht van Christus van doen, het is meer een menselijke verzinsel,

hij zij verdoemd.

Vgl. Concilie van Trente, 14e Zitting - De leer over het Sacrament van de Biecht, Sessio XIV - Doctrina de sacramento poenitentiae (25 nov 1551), 13-17. Leerstellig gedeelte, hoofdstuk V, Over de belijders

Canon 7
Als iemand zegt:

  • in het sacrament van de Biecht is het bij de vergeving van zonden naar goddelijk recht niet noodzakelijk te belijden, alle en afzonderlijke doodzonden, welke men na degelijk gewetensonderzoek, en na zorgvuldige overweging zich herinnert, ook de verborgene en welke in strijd zijn met de laatste twee geboden van de tien geboden, ook de omstandigheden die de aard van de zonde veranderen.
  • Maar deze belijdenis is alleen nuttig tot opbouw en vertroosting van de biechteling en is eertijds een gebruik geweest, alleen maar opgelegd tot canonieke genoegdoening.
  • Of wie zegt: zij die zich toeleggen om alle zonden te belijden, zouden aan de goddelijke barmhartigheid niets willen overlaten om te laten vergeven, of tenslotte: het is niet gepast om dagelijkse zonden te belijden Vgl. M. Luhter, Confitendi ratio (1520) (Weimarer Ausg. 6, 163v) vgl. ook de Parijse censuur van het artikel van Luther (1521), Titel III over de Biecht, leden 5-6 (Weimarer Ausg. 8, 278v) ,

hij zij verdoemd. vgl. Leerstellig deel van dit document <a href="content.php?id=260" target="content">Hoofdstuk 5, Over de belijdenis</a>

Canon 8
Als iemand zegt:

  • het belijden van alle zonden, zoals de Kerk vasthoudt, is onmogelijk en een menselijke overlevering, die door godsvruchtige mensen afgeschaft moet worden,
  • of dat alle christengelovigen van beider geslachten, volgens de instelling van het grote Lateraans Concilie, één maal per jaar (te belijden), haar niet te hoeven onderhouden en dat daarom aan christengelovigen de raad gegeven moet worden, in de Vastentijd niet meer te gaan biechten,

hij zij verdoemd.

Canon 9
Als iemand zegt:

  • de sacramentale vrijspraak van de priester is geen juridische akt, maar enkel een dienst (ministerium) van verkondiging en verklaring;
  • de zonden zijn diegene die belijdt vergeven, als hij slechts gelooft dat hij is vrijgesproken,
  • of dat de priester niet serieus maar bij wijze van grap vrijspreekt,
  • of hij die zegt: de belijdenis wordt van de biechteling niet verlangd, opdat de priester hem zou kunnen vrijspreken(absolvere),

hij zij verdoemd. Vgl. Paus Leo X, Bul, Over de dwalingen van Martin Luther, Exsurge Domine (15 juni 1520), 12

Canon 10
Als iemand zegt: priesters, die in doodzonde leven, hebben niet de volmacht om te binden en te ontbinden,

of niet alleen de priester is de bedienaar van de vrijspraak, maar aan alle en iedere christengelovige zou gezegd zijn:

"Al wat gij op aarde bindt, is gebonden in de hemel, en al wat gij ontbindt, zal ook in de hemel ontbonden zijn" (Mt. 18, 18)

en

"van wie gij de zonden vergeeft, hun zijn ze vergeven, en al wie gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven." (Joh. 20, 23)

zodat ieder willekeurige vgl. M. Luther, Grund und Ursach aller Artikel D. Martin Luther (Weimarer Ausg. 7, 380-385); De captivitate Babylonica Ecclesiae: De sacramento paenitentiae (Weimarer Ausg. 6, 547) uit kracht van deze woorden van zonden zou kunnen vrijspreken: van publieke zonden door terechtwijzing, als de terechtgewezene toegeeft, van geheime zonden door een vrijwillige belijdenis, hij zij verdoemd.

Canon 11

Als iemand zegt:

aan de bisschoppen komt het recht niet toe, zich zaken te reserveren, behalve met betrekking tot de uiterlijke staatsregeling, en daarom verhindert deze reservering niet, dat een priester werkelijk van gereserveerde zonden vrijspreekt,

hij zij verdoemd.

Canon 12

Als iemand zegt:

gelijk met de totale schuld wordt door God altijd de gehele straf vergeven en is er geen andere genoegdoening voor de biechteling dan het geloof, waarmee hij aanneemt dat Christus voor hem genoegdoening heeft gebracht,

hij zij verdoemd.

Canon 13

Als iemand zegt:

voor de zonden - wat betreft de tijdelijke straf - wordt aan God geenszins op grond van de verdienste van Christus genoegdoening gegeven door de opgelegde en geduldig ondergane straffen of die door een priester opgelegd zijn, maar ook niet door die men vrijwillig op zich neemt, zoals vasten, aalmoezen geven, of andere werken van godsvrucht en dat derhalve de beste boete een nieuw leven is,

hij zij verdoemd.

Canon 14

Als iemand zegt:

de genoegdoening, waarmee de biechteling door Christus Jezus, de zonden afkoopt, is geen verering (cultus) van God, maar een overlevering van mensen, die de leer over de genade en de ware verering van God en de weldaad van de dood van Christus verdonkeremaand,

hij zij verdoemd.

Canon 15

Als iemand zegt:

de sleutels van de Kerk zijn haar alleen maar gegeven om te ontbinden en niet om te binden en daarom handelen de priesters, als zij aan de biechtelingen straffen opleggen tegen het doel (finem) van de sleutel(-macht) en tegen de instelling van Christus; en het is een verzinsel, dat na opheffing van de eeuwige straf, door de kracht van de sleutel(-macht) meestal nog tijdelijke straf overblijft om uit te boeten,

hij zij verdoemd.

Document

Naam: SESSIO XIV - DOCTRINA DE SACRAMENTO POENITENTIAE
14e Zitting - De leer over het Sacrament van de Biecht
Soort: Concilie van Trente
Datum: 25 november 1551
Copyrights: © 2005, Stg. InterKerk, Wassenaar
(Werkvertaling) Letterlijk uit het Latijn
Bewerkt: 30 november 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam