• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Uit de instelling van het sacrament van de Biecht, wat reeds aan de orde is geweest, heeft de gehele Kerk altijd begrepen, dat het volledig belijden van alle zonden door de Heer is ingesteld. Vgl. Jak. 5, 15 Vgl. Lc. 5, 14 Vgl. Lc. 17, 14 en dat dit voor allen, die na het Doopsel zijn gevallen, naar goddelijk recht (iure divino), noodzakelijk is, Canon 7 omdat onze Heer Jezus Christus, nadat Hij van de aarde ten hemel was opgestegen, de priesters als zijn plaatsbekleders achterliet Vgl. Mt. 16, 19 Vgl. Mt. 18, 18 Vgl. Joh. 20, 23 , als voorzitters en rechters, voor welke alle doodzonden, waarin de christengelovigen gevallen zijn, gebracht moeten worden, daarmee zij op grond van hun sleutelmacht, het oordeel vellen om zonden te vergeven, of om ze niet te vergeven.

Het staat immers vast dat de priesters dit oordeel niet kunnen vellen, zonder kennis van de zonden en dat zij ook geen gerechtigheid kunnen laten gelden bij de oplegging van straffen, als christengelovigen namelijk in het algemeen (in genere) en niet veel meer ieder afzonderlijke (singillatim) zonden zouden uitspreken.

Hieruit volgt, dat het nodig is, dat door de biechtelingen, alle doodzonden (omnia peccata mortalia), welke men zich na zorgvuldig gewetensvol zelfonderzoek bewust is, in de belijdenis ingebracht moeten worden, zelfs diegene die geheel in het verborgene begaan zijn, of alleen maar verstoten hebben tegen de laatste twee van de tien geboden. Vgl. Ex. 20, 17 Vgl. Mt. 5, 28 Soms verwonden zij de ziel meer en zijn gevaarlijker, dan diegene die in het openbaar zijn begaan. Want de dagelijkse zonden (venialia), waardoor wij niet van Gods genade worden uitgesloten, en in welke wij dikwijls vallen, worden evenwel terecht, nuttig en zonder enige vermetelheid uitgesproken, wat het gebruik door godsvruchtige mensen laat zien. Zij kunnen echter, zonder schuld, verzwegen worden Canon 7 en door vele andere redmiddelen uitgeboet worden. Omdat doodzonden, zelfs gedachten van mensen, die hen tot "kinderen van de toorn" (Ef. 2, 3) en tot vijanden van God maken, is het werkelijk noodzakelijk, voor alle (doodzonden), in een open en met schaamte vervulde belijdenis voor God, om vergeving te vragen.

Indien christengelovigen zich toeleggen op het belijden van alle zonden welke hen in gedachten komen, worden zij zonder twijfel aan de goddelijke barmhartigheid voorgelegd, om allen vergeven te worden. Canon 7 Wie werkelijk anders handelt en wezenlijk iets achterhoudt, legt aan de goddelijke goedheid niets voor, wat door de priester vergeven moet worden. "Zoals immers de zieke, die zich schaamt voor een dokter om zijn wond te laten zien, zo kan de dokter niet genezen, wat hij niet kent." Hieronymus van Stridon, Commentarii in Ecclesiasten (over hoofdstuk 10, 11) (PL 23 1865, 1152A

Hieruit volgt bovendien, dat ook de omstandigheden in een belijdenis uitgelegd dienen te worden, welke de aard van de zonde veranderen. Canon 7 Omdat zonder deze, de zonden zelf, noch door de biechteling volledig worden voorgelegd, noch aan de rechters bekend worden en dat zij zó onmogelijk de zwaarte van de zonden kunnen beoordelen om de passende straf aan de biechteling te kunnen opleggen. Vandaar is het onverstandig om te leren, dat deze omstandigheden uitgedacht zouden zijn door boosaardige mensen, of er is maar één omstandigheid om te moeten bekennen: te weten tegen zijn broeder gezondigd te hebben. vgl. M. Luther, De captivitate Babylonica Ecclesiae: De sacramento paenitentia (Weimarer Ausgabe 6, 548-10)
Maar het is ook goddeloos te zeggen, dat de belijdenis, welke op deze gronden wordt voorgeschreven, onmogelijk is Canon 8 , of om het afbeuling van het geweten te noemen. vgl. M. Luther, Preek van Palmzondag 1524 (Weimarer Ausgabe 15, 484-485); P. Melanchton, Apologia Confessionis Augustanae (1531) Art. 11, nr. 7; P. Melanchton, Loci communes theologici, aetas IIa; J. Calvijn, Institutio Christianae religionis (1536), Hoofdstuk 5 Het staat vast dat niets anders in de Kerk van biechtelingen wordt gevraagd dan, dat éénieder, nadat hij zich zorgvuldig heeft onderzocht en zijn geweten in alle hoeken en gaten heeft doorvorst, zijn zonden belijdt, welke hij zich herinnert, waarmee hij zijn Heer en God dodelijk heeft beledigd. Maar de overige zonden , welke hem na zorgvuldig onderzoek niet invallen, worden begrepen ingesloten te zijn, in het geheel van dezelfde belijdenis. Wat hen betreft, zo zeggen wij met de profeet: "Van mijn verborgen zonden, reinig mij, o Heer" (Ps. 18, 13)

Deze moeilijkheid van één dergelijke belijdenis zelf en de schaamtevolle onthulling van zonden, kan zwaar lijken te zijn, als zij niet door zó vele en zó grote voordelen en vertroostingen wordt verlicht, welke aan allen, die op waardige wijze tot dit sacrament komen, om vrijspraak te verkrijgen, zeer zeker verleend wordt.

Vervolgens, in zoverre het de wijze van geheime belijdenis bij een priester betreft: ofschoon Christus niet heeft verboden, dat iemand als straf voor zijn misdaden en voor zijn vernedering – als voorbeeld voor anderen, alsook voor de opbouw van de verwonde Kerk - zijn misstappen openlijk kan belijden, zo is dit niet een voorschrift van goddelijk recht, noch zou het op voldoende gronden door één of ander menselijke wet voorgeschreven kunnen worden, dat missstappen, vooral die in het geheim begaan zijn, door een openlijke belijdenis, openbaar worden gemaakt. Canon 6

Vandaar dat de heilige en oudste Vaderen in grote eensgezindheid altijd de geheime sacramentele belijdenis - welke vanaf het begin in de heilige Kerk gebruik is geweest en ook nu nog gebruik is -, aanbevelen. Zo wordt ook duidelijk de ijdele aanklacht van hen weerlegt, die niet aarzelen te leren dat het niets met goddelijke wet van doen heeft, het een menselijke uitvinding is en door de verzamelde Vaders van het (4de) Lateraans Concilie ingesteld is. Canon 8 De Kerk heeft op het Concilie van Lateranen niet besloten, dat christengelovigen zouden moeten belijden, wat zij (altijd al) had begrepen, als zijnde door goddelijke wet noodzakelijk en ingesteld te zijn, maar zij besloot tot het gebod van belijdenis door allen en ieder persoonlijk, die tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, tenminste één maal per jaar te vervullen is.

Vandaar wordt in de gehele Kerk voor het geweldige nut der zielen van de gelovigen de gewoonte onderhouden, de belijdenis uit te spreken in de heilige en hoogst welkome vastentijd, een gewoonte welke deze heilige Synode met nadruk als vroom en verdienstvol goedkeurt en als te onderhouden omarmd. Canon 8 Vgl. 4e Concilie van Lateranen, Hfd 21. Over het afleggen van de Biecht, de geheimhouding door de priester en het tenminste met Pasen te Communie gaan, Caput 21. De confessione facienda, et non revelanda a sacerdote, et saltem in Pascha communicando (11 nov 1215), 1

Canon 7
Als iemand zegt:

  • in het sacrament van de Biecht is het bij de vergeving van zonden naar goddelijk recht niet noodzakelijk te belijden, alle en afzonderlijke doodzonden, welke men na degelijk gewetensonderzoek, en na zorgvuldige overweging zich herinnert, ook de verborgene en welke in strijd zijn met de laatste twee geboden van de tien geboden, ook de omstandigheden die de aard van de zonde veranderen.
  • Maar deze belijdenis is alleen nuttig tot opbouw en vertroosting van de biechteling en is eertijds een gebruik geweest, alleen maar opgelegd tot canonieke genoegdoening.
  • Of wie zegt: zij die zich toeleggen om alle zonden te belijden, zouden aan de goddelijke barmhartigheid niets willen overlaten om te laten vergeven, of tenslotte: het is niet gepast om dagelijkse zonden te belijden Vgl. M. Luhter, Confitendi ratio (1520) (Weimarer Ausg. 6, 163v) vgl. ook de Parijse censuur van het artikel van Luther (1521), Titel III over de Biecht, leden 5-6 (Weimarer Ausg. 8, 278v) ,

hij zij verdoemd. vgl. Leerstellig deel van dit document <a href="content.php?id=260" target="content">Hoofdstuk 5, Over de belijdenis</a>

Document

Naam: SESSIO XIV - DOCTRINA DE SACRAMENTO POENITENTIAE
14e Zitting - De leer over het Sacrament van de Biecht
Soort: Concilie van Trente
Datum: 25 november 1551
Copyrights: © 2005, Stg. InterKerk, Wassenaar
(Werkvertaling) Letterlijk uit het Latijn
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam