• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Hoe groot ook de behoefte moge zijn aan het actief apostolaat, toch blijven de zuiver contemplatieve instituten, wier leden, in eenzaamheid en stilzwijgen, in voortdurend gebed en blijmoedige boetedoening voor God alleen leven, altijd een eervolle plaats innemen in Christus' mystieke Lichaam, waarin "niet alle ledematen dezelfde taak hebben" (Rom. 12, 4). Want zij brengen aan God een voortreffelijk offer van lof en geven door overvloedige vruchten van heiligheid luister aan het volk Gods, dat zij aanmoedigen door hun voorbeeld en waaraan zij wasdom schenken door een verborgen apostolische vruchtbaarheid. Zo vormen zij een sieraad voor de Kerk en zijn zij een bron van hemelse genaden. Toch moet hun levenswijze aan de hand van de genoemde beginselen en criteria van aanpassing en vernieuwing worden herzien, met volledig behoud evenwel van hun afzondering van de wereld en van de eigen oefeningen van het contemplatieve leven.

De kuisheid "om wille van het Rijk der hemelen" (Mt. 19, 12), waartoe de religieuzen zich verplichten, moet beschouwd worden als een buitengewoon grote genadegave. Ze maakt op bijzondere wijze het hart van de mens vrij Vgl. 1 Kor. 7, 32-35 , zodat het meer vervuld kan worden van liefde voor God en voor alle mensen, en daardoor is ze een bijzonder teken van hemelse gunsten en een uitstekend middel voor de religieuzen om zich blijmoedig te wijden aan de dienst van God en aan werken van apostolaat. Zo maken zij voor alle gelovigen iets zichtbaar van die wonderbare vereniging, welke door God in het leven is geroepen en die volledig openbaar zal worden in de toekomstige wereld, de vereniging, waardoor Christus de enige bruidegom is van de Kerk.

Willen echter de religieuzen de verplichting van hun professie trouw nakomen, dan moeten zij geloven aan de woorden van de Heer en, vertrouwend op Gods hulp, zich versterven en hun zinnen bewaken, zonder te steunen op eigen krachten. Ook mogen zij de natuurlijke middelen voor een psychische en lichamelijke gezondheid niet verwaarlozen. Dan zullen zij zich niet van de wijs laten brengen door valse theorieën, die de volmaakte onthouding voorstellen als iets onmogelijks of als schadelijk voor de ontplooiing van de mens, en zullen zij als door een geestelijk instinct alles vermijden, wat de kuisheid in gevaar kan brengen. Laten bovendien allen, vooral de oversten, er aan denken, dat de kuisheid gemakkelijker bewaard blijft, wanneer er onder de leden in het gemeenschappelijk leven een echte broederlijke liefde heerst.

Omdat de beoefening van de volmaakte onthouding de diepste neigingen van de menselijke natuur raakt, mogen de kandidaten slechts tot afleggen van de gelofte van kuisheid overgaan en hiertoe slechts worden toegelaten na een werkelijk afdoend onderzoek en met de nodige psychologische en affectieve rijpheid. Zij moeten niet alleen gewezen worden op de gevaren voor de kuisheid, maar zij dienen tevens zo gevormd te worden, dat zij het aan God gewijde celibaat aanvaarden ook met het oog op een goede ontwikkeling van hun gehele persoonlijkheid.

De vrijwillige armoede, die vooral tegenwoordig als teken van het volgen van Christus hoog in ere staat, moet door de religieuzen nauwgezet worden onder. houden en men moet er, zo nodig, nieuwe vormen voor zoeken. Door haar wordt men deelachtig aan de armoede van Christus, die om onzentwille arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. Vgl. 2 Kor. 8, 9 Vgl. Mt. 8, 20

Religieuze armoede wil echter niet alleen zeggen, dat men in het gebruik van de goederen afhankelijk is van de oversten, maar dat de leden ook werkelijk en naar de geest arm zijn, als mensen, die een schat in de hemel bezitten. Vgl. Mt. 6, 20

Zij moeten zich, ieder in zijn functie, onderworpen weten aan de algemene wet van de arbeid, en terwijl zij zo zich het nodige verschaffen voor hun levensonderhoud en hun werken, zullen zij alle overdreven bezorgdheid opzij zetten en zich aan de Voorzienigheid van de hemelse Vader toevertrouwen. Vgl. Mt. 56, 25

De religieuze congregaties kunnen in hun constituties aan de leden verlof geven, afstand te doen van wat zij door erfenis hebben verkregen of zullen verkrijgen.

De instituten zelf zullen er naar streven om, rekening houdend met het milieu, ook als het ware een collectief getuigenis af te leggen van armoede; en graag zullen zij uit hun eigen goederen iets afstaan voor andere noden van de Kerk en voor het onderhoud van de armen, voor wie alle religieuzen een oprechte liefde zullen koesteren in het hart van Christus. Vgl. Mt. 19, 21 Vgl. Mt. 25, 34-46 Vgl. Jac. 2, 15-16 Vgl. 1 Joh. 3, 17 De provincies en de huizen van de instituten moeten de stoffelijke goederen met elkaar delen, en de beter gesitueerde zullen de behoeftige bijstaan.

Ofschoon de instituten, met inachtneming van de regels en constituties, het recht hebben op het bezit van hetgeen nodig is voor hun levensonderhoud en hun werk, moeten zij toch alle schijn van luxe, van overdreven gewinzucht en van rijkdom vermijden.

Door de gelofte van gehoorzaamheid geven de religieuzen hun eigen wil volledig over aan God, als een offer van zichzelf, waardoor zij zich duurzamer en zekerder verenigen met de goddelijke heilswil. Naar het voorbeeld van Jezus Christus, die gekomen is om de wil van de Vader te doen, Vgl. Joh. 4, 34 Vgl. Joh. 5, 30 Vgl. Hebr. 10, 7 Vgl. Ps. 39, 9 en die "het bestaan van een dienstknecht op zich heeft genomen", (Fil. 2, 7) en door zijn lijden gehoorzaamheid heeft geleerd, Vgl. Hebr. 5, 8 onderwerpen de religieuzen zich, onder de stuwing van de Heilige Geest, in geloof aan hun oversten, als zijnde Gods plaatsbekleders, en laten zij zich door hen leiden tot dienstbetoon aan al hun broeders in Christus, zoals Christus zelf uit gehoorzaamheid aan de Vader zich tot de dienaar van zijn broeders heeft gemaakt en zijn leven gegeven heeft als losprijs voor velen. Vgl. Mt. 20, 28 Vgl. Joh. 10, 14-18 Zo worden zij nauwer verbonden aan de dienst van de Kerk en streven zij naar de gehele omvang van de volheid van de Christus. Vgl. Ef. 4, 13

De religieuzen moeten dus, in een geest van geloof en van liefde jegens Gods wil, aan hun oversten nederig gehoorzamen overeenkomstig de regels en constituties, en alle krachten van verstand en wil, al de gaven van natuur en genade inzetten om de bevelen uit te voeren en de taken te vervullen, die hun zijn toevertrouwd, in de vaste overtuiging, dat zij werken aan de opbouw van het Lichaam van Christus volgens het plan van God. Op deze wijze doet de religieuze gehoorzaamheid geen afbreuk aan de waardigheid van de menselijke persoon, integendeel, ze voert haar tot rijpheid doordat zij de vrijheid van de kinderen Gods verruimt.

De oversten echter, die eens rekenschap moeten afleggen Vgl. Hebr. 13, 17 over de hun toevertrouwde zielen, moeten bij de uitoefening van hun ambt openstaan voor de wil van God en in een geest van dienstbaarheid jegens hun broeders hun gezag zo uitoefenen, dat zij de liefde tot uitdrukking brengen, waarmee God hen liefheeft. Zij moeten hun onderhorigen besturen als kinderen Gods en met eerbied voor de menselijke persoon en hen trachten te vormen tot een vrijwillige onderwerping. Zij zullen hun daarom in het bijzonder de verschuldigde vrijheid laten met betrekking tot het Sacrament van Boetvaardigheid en de keuze van een zielbestuurder. Zij zullen de leden er toe brengen om door een actieve en verantwoordelijke gehoorzaamheid mee te werken aan het vervullen van hun taken en het nemen van initiatieven. De oversten zullen dus hun onderhorigen graag te woord staan en hun gemeenschappelijk werken voor het heil van het Instituut en van de Kerk stimuleren, maar daarbij zullen zij toch hun gezag handhaven om te beslissen en te bevelen, wat te doen staat.

De kapittels en de raden zullen de hun toevertrouwde taak bij het bestuur met getrouwheid vervullen en, elk op zijn manier, de interesse en de zorg van alle leden voor het welzijn van heel de communiteit tot uitdrukking brengen.

De instituten, waarvoor deze normen voor aanpassing en vernieuwing worden opgesteld, moeten met grote bereidwilligheid beantwoorden aan hun goddelijke roeping en aan de taak, die zij in de Kerk van onze tijd hebben te vervullen. Want het Concilie hecht grote waarde aan hun levenspatroon, aan hun maagdelijk, arm en gehoorzaam leven, waarvan Christus de Heer zelf het toonbeeld is, en het heeft grote verwachtingen van hun zo vruchtbare arbeid, in het verborgen of openlijk verricht. Alle religieuzen moeten dus door de gaafheid van hun geloof, door de liefde jegens God en de naaste, door de liefde tot het kruis en door de hoop op de toekomstige heerlijkheid, de blijde boodschap van Christus over heel de wereld verbreiden, opdat hun getuigenis zichtbaar moge zijn voor alle mensen en onze Vader verheerlijkt wordt, die in de hemel is. Vgl. Mt. 5, 16 Zo zullen zij, op de voorbede van de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, "wier leven het richtsnoer is voor allen" H. Ambrosius van Milaan, Over de maagdelijkheid, De virginitate. I.II, c. II, n. 15, steeds meer vorderingen maken en steeds overvloediger en heilzamer vruchten voortbrengen.

Dit alles, tot in alle onderdelen, wat in dit Decreet is vastgelegd, heeft de instemming van de Vaders. En wij, krachtens het apostolisch gezag, door Christus aan ons verleend, geven, samen met de Concilievaders daaraan onze goedkeuring, bepalen het en stellen het vast, en wij bevelen datgene, wat aldus door de Synode is vastgesteld, tot Gods glorie te promulgeren.

Rome, bij Sint Pieter, 28 oktober 1965.

Ik PAULUS bisschop van de katholieke Kerk.

Hier volgen de handtekeningen van de Vaders.

Het tijdstip van ingang van de wet

De heilige Vader heeft aangaande de nieuwe wetten, die in dit gepromulgeerde decreet vervat liggen, bepaald, dat ze zullen ingaan op 29 juni 1966, het feest van de heilige apostelen Petrus en Paulus van het volgend jaar. In die tussentijd zal de Paus normen uitvaardigen voor de toepassing van de genoemde wetten.

Rome, 28 oktober 1965.

+ Pericles Felici,
Titulair aartsbisschop van Samosate,
Algemeen Secretaris van het heilig Concilie.

Document

Naam: PERFECTAE CARITATIS
Over de vernieuwing en aanpassing van het religieuze leven
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 28 oktober 1965
Copyrights: © 1965, Ecclesia Docens 0723, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam