• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Nog een ander punt verdient de aandacht, dat zeer nauw met het voorafgaande samenhangt. Evenmin als de eenheid van de maatschappij kan berusten op de tegenstelling der ‘klassen’, kan een juiste ordening van het economisch leven worden overgelaten aan de vrije concurrentie. Als uit een troebele bron zijn hieruit immers alle dwalingen van de individualistische economische wetenschap voortgekomen. Volgens deze leer moest het economisch leven, waarvan het sociaal en moreel karakter door haar werd veronachtzaamd of haar onbekend was, theoretisch en praktisch volkomen vrij zijn van alle staatsbemoeiing en ongestoord zijn gang kunnen gaan, omdat het in het marktverkeer, d.w.z. in een onbelemmerde concurrentiestrijd, zijn eigen leidend beginsel bezat, waardoor het veel beter dan door het ingrijpen van welk geschapen verstand ook, zou geleid worden. Ongetwijfeld is de vrije concurrentie, zolang zij binnen de perken blijft, gerechtvaardigd en zeer zeker nuttig, maar zij kan toch onmogelijk leiding geven aan het economisch leven, zoals de uitkomst maar al te duidelijk bewezen heeft, toen eenmaal de theorieën van die onheilvolle individualistische geest in praktijk werden gebracht. Daarom is het absoluut noodzakelijk, dat het economisch leven opnieuw afhankelijk worde van een wezenlijk en vruchtbaar leidend beginsel. Deze taak nu kan nog veel minder toevertrouwd worden aan de economische dictatuur, die sinds korte tijd op de concurrentiestrijd is gevolgd, want zij is bruut en blind geweld, dat, om heilzaam te kunnen werken voor het mensdom, krachtig beteugeld en verstandig geleid moet worden, maar zichzelf beteugelen en leiden, daartoe is zij niet in staat. Om deze dictatuur krachtig en volkomen te beheersen, worden hoger en edeler machten vereist: namelijk sociale rechtvaardigheid en sociale liefde. Deze sociale rechtvaardigheid moet daarom de publieke instellingen en in het bijzonder die van het gehele sociale leven doordringen, en het is allernoodzakelijkst, dat zij ook in daden zich uite, m.a.w. een sociale rechtsorde scheppe, waardoor heel het economisch leven als in nieuwe vormen wordt gegoten. Maar de sociale liefde moet zijn als de ziel van deze orde, en het staatsgezag moet met ijver de krachtdadige bescherming en verdediging van die orde op zich nemen. Dit zal des te gemakkelijker kunnen gebeuren, wanneer de staat die lasten van zich afschudt, welke, zoals wij boven reeds zeiden, niet tot zijn werkkring behoren.
Meer nog: aangezien de verschillende naties in economisch opzicht in zo hoge mate van elkaar afhankelijk zijn en op onderlinge steun zijn aangewezen, behoren zij ook met gemeenschappelijk overleg en vereende krachten er naar te streven, door doeltreffende conventies en instellingen een internationale samenwerking op economisch gebied te bevorderen, die niet anders dan heilzaam en vruchtbaar kan wezen.
Wanneer in deze geest de organen van het maatschappelijk lichaam worden hersteld, en een leidend beginsel wordt teruggegeven aan het economisch-sociaal leven, dan zal ook van dit lichaam in zekere zin gezegd kunnen worden, wat de apostel zegt van het mystieke lichaam van Christus: „Het ganse lichaam wordt samengevoegd en samengebonden, omdat elk gewricht zijn taak vervult met de kracht, die ieder lid in het bijzonder is toegemeten; en zo voltrekt zich de groei van het lichaam tot eigen opbouw in liefde.” (Ef. 4, 16)
Zoals eenieder weet, zijn onlangs een bijzonder soort syndicaten en bedrijfsorganisaties opgekomen, waaraan wij, in verband met de inhoud van deze encycliek, een korte bespreking willen wijden met enkele niet-ondienstige opmerkingen.
Het staatsgezag zelf kent aan dergelijke organisaties rechtspersoonlijkheid toe, en wel in die mate, dat daarmee tegelijk een zeker monopolie wordt toegestaan, doordat uitsluitend bij deze aldus erkende vakorganisaties de bevoegdheid berust, voor de rechten van werknemers en werkgevers (al naar de aard van de organisaties) op te komen, over arbeidsdvereenkomsten te onderhandelen, en de zg. collectiéve contracten te sluiten. Het lidmaatschap is niet verplichtend, en slechts in zoverre kan zulk een organisatie dus vrij heten; maar overigens worden zowel de contributie alsook enkele bijzondere bijdragen gevorderd van allen zonder uitzondering, die tot dit of dat bepaalde vak of beroep behoren, van arbeiders zowel als van patroons, terwijl de collectieve contracten, door de wettelijke erkende organisatie aangegaan, bindende kracht bezitten voor allen. Intussen heeft men van officiële zijde verklaard, dat deze wettelijk erkende organisaties geen beletsel vormen voor het bestaan van andere vakverenigingen, die niet wettelijk erkend zijn.
Corporaties of lichamen worden gevormd uit afgevaardigden van beide groeperingen (d.w.z. der arbeiders en der patroons) van hetzelfde vak of beroep, die, als ware en eigenlijke staatsorganen en staatsinstellingen, de leiding hebben over de vakorganisaties zelf, en ze, waar het gemeenschappelijke belangen geldt, tot samenwerking brengen.
Stakingen zijn verboden; wanneer de partijen niet tot overeenstemming kunnen geraken, komt de overheid tussenbeide.
Wat nu de voordelen zijn van dit instituut, dat wij in ruwe trekken getekend hebben, zal ieder reeds bij een vluchtige beschouwing gemakkelijk inzien: een vreedzame samenwerking tussen de verschillende klassen, terugdringen der socialistische verenigingen en belemmering van haar actie, een speciale magistratuur bekleed met regelende macht. Om echter in een zo gewichtige aangelegenheid niets te veronachtzamen, en om alles in overeenstemming te doen zijn zowel met de meer algemene beginselen, waaraan wij boven herinnerden, als ook met die, welke wij aanstonds er aan zullen toevoegen, moeten wij verklaren, dat het ons niet onbekend is, hoe sommigen vrezen, dat de staat, die zich moest beperken tot het verlenen van de vereiste en genoegzame steun, het particulier initiatief zal overnemen. Gevreesd wordt ook, dat die nieuwe ordening van syndicaten en corporaties al te sterk bureaucratisch en politiek getint zal zijn, en dat zij (ondanks de algemene voordelen, die gaarne erkend worden) veeleer tot het bereiken van particuliere politieke doeleinden zal dienst doen, dan bevorderlijk zijn voor het herstel en de vervolmaking van een betere maatschappelijke orde.
Om dit laatste edele doel te bereiken, en op een juiste en duurzame wijze het algemeen welzijn krachtig te bevorderen, achten wij het op de allereerste plaats absoluut noodzakelijk, dat God in Zijn goedertierenheid ons bijstaat, en op de tweede plaats, dat allen, die van goede wil zijn, eenparig hieraan zullen medewerken. Wij houden ons verder, op grond van het voorafgaande, overtuigd, dat dit doel des te zekerder zal bereikt worden, naarmate steeds meerderen bereid zijn, hun technische, vakkundige, of sociale bekwaamheid hiervoor aan te wenden, maar ook en vooral, naarmate de katholieke beginselen hierbij ruimer toegepast en in praktijk gebracht worden, niet door de Katholieke actie (die geen eigenlijke vakactie of politieke actie wil voeren), maar door diegenen onder onze zonen, die door de Katholieke actie van deze beginselen worden doordrongen en uitgerust tot het apostolaat onder leiding en gezag der Kerk. De Kerk, die ook op dit door ons in hoofdtrekken aangegeven terrein, evenals overal, waar morele aangelegenheden ter sprake komen of ir. discussie zijn, de haar door God opgelegde taak om te waken en te leren nimmer kan veronachtzamen of verwaarlozen.
Wat wij echter geleerd hebben over het herstel en de vervolmaking der maatschappelijke orde, kan natuurlijk onmogelijk verwezenlijkt worden zonder een hervorming der zeden. Dat bewijst reeds de geschiedenis onweerlegbaar. Want eens bestond er een zekere sociale orde, die weliswaar niet volmaakt was, noch volkomen onberispelijk, maar die toch overeenkomstig de omstandigheden en de eisen van de tijd met de door ons verstand gevorderde ordening tot op zekere hoogte overeenstemde. En wanneer deze orde reeds sedert lang te loor is gegaan, dan is dat voorzeker niet daaraan te wijten, dat zij zich aan de veranderde omstandigheden en behoeften niet door ontwikkeling heeft kunnen aanpassen, en om zo te zeggen niet heeft kunnen uitgroeien, maar veeleer aan het feit, dat de mensen, ongevoelig geworden door hun verregaand egoïsme, in die orde geen plaats wilden inruimen aan de groeiende massa, zoals hun plicht geweest was, of omdat zij, gelokt door de valse vrijheidsidee of andere valse opvattingen, geen enkele macht meer boven zich duldden, en alle gezag trachtten af te schudden.
Zo rest dus nog de taak, de tegenwoordige wijze van volkshuishouding en haar felste aanklager, het socialisme, nogmaals voor de vierschaar te roepen, openlijk over beide een rechtvaardig oordeel uit te spreken, om daarna de oorzaak van zoveel rampen zo diep mogelijk na te sporen, en ten slotte te wijzen op het eerste en noodzakelijkste redmiddel: hervorming der zeden.

Document

Naam: QUADRAGESIMO ANNO
Over de aanpassing van de sociale orde
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 15 mei 1931
Copyrights: © 1948, Ecclesia Docens 0159, Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: Dr. O. Janssen O.F.M., Dr. L. Zeinstra O.F.M.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam