• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Doch wat ernstiger is, zij stellen een redmiddel voor, openlijk in strijd met de rechtvaardigheid, omdat goederen in privaateigendom te bezitten een recht is, de mens door de natuur geschonken.

Inderdaad ook hierin is een zeer groot verschil tussen de mens en het dier. De dieren immers kunnen zichzelf niet besturen, maar zij worden geleid en bestuurd door een tweevoudig natuurlijk instinct: daardoor wordt aan de ene kant het vermogen om te handelen wakker en worden hun krachten behoorlijk ontwikkeld en van de andere kant worden daardoor tevens hun bewegingen ieder afzonderlijk gewekt en bepaald. Door het ene instinct worden zij gedreven tot zelfbehoud en zelfverdediging, door het andere tot instandhouding van de soort. Tot dit dubbel doel geraken zij heel gemakkelijk door het gebruiken van datgene, wat voor het ogenblik onder hun bereik ligt: en zij kunnen het onmogelijk verder brengen, omdat zij alleen door de zinnen gedreven worden en door de concrete dingen, die zij met de zinnen waarnemen.

Geheel anders staat het met de menselijke natuur. Deze bezit wel het gehele en volle vermogen van het zinnelijk leven en daarom is het uit dien hoofde de mens gegeven, van de stoffelijke dingen te genieten, zeker niet in mindere mate dan de overige levende wezens. Maar de dierlijke natuur zelfs in haar hoogste volmaaktheid evenaart geenszins de menselijke natuur; neen, zij staat daar zelfs ver beneden en is geroepen, om haar te gehoorzamen en te dienen. Wat ons echter hoog plaatst boven het dier, waardoor de mens mens is en wezenlijk van het dier verschilt, is het verstand, de rede. En hierom juist, omdat namelijk alleen de mens met rede begaafd is, moeten aan de mens goederen verstrekt worden niet alleen ten gebruike, wat geldt van alle levende wezens, maar in vast en blijvend bezit en niet louter verbruiksartikelen, maar ook goederen, die na het gebruik nog in stand blijven.

Dit blijkt nog duidelijker als wij het wezen van de mens wat dieper beschouwen. Daar immers de mens met zijn rede ontelbare dingen omvat, de toekomst in verband brengt net het heden en meester is van zijn eigen handelingen, daarom bestuurt hij, onder leiding der eeuwige wet en Gods al-bestierende voorzienigheid, zichzelf met vooruitziend overleg; daardoor ook is hij in staat datgene te kiezen, wat volgens zijn mening dienstig is tot zijn verzorging, niet slechts voor het heden, maar ook voor de toekomst. Hieruit volgt, dat de mens niet alleen het eigendom moet hebben van de vruchten der aarde, maar ook van de aarde zelf, omdat hij ziet, dat uit haar opbrengst het noodzakelijke voor de toekomst hem verschaft wordt. De behoeften van iedere mens keren om zo te zeggen altijd door terug en vandaag bevredigd stellen zij nieuwe eisen voor morgen, Daarom moet de natuur aan de mens iets gegeven hebben dat duurzaam is en altijd blijvend, opdat daarvan een duurzame behoeftebevrediging kunne verwacht worden. Welnu niets anders dan de aarde met haar overvloed kan zulk een blijvende voorziening waarborgen.

Voor dit alles staatsvoorziening te eisen, is daarom onredelijk, wijl de mens ouder is dan de staat en hij het recht op bestaanszekerheid dus van nature moest bezitten, vóórdat van staatsvorming sprake was.

Dat echter God de aarde aan het mensdom in zijn geheel heeft gegeven, om er nut en voordeel uit te trekken, dit kan zeker op generlei wijze een beletsel zijn voor het privaatbezit. Want dat God de aarde als gemeen goed aan de mensen gegeven heeft, betekent niet, dat volgens Zijn bedoeling het eigendom er van bij allen tezamen zou zijn, maar dat Hij aan niemand in het bijzonder een deel ten bezit heeft aangewezen, terwijl Hij de afbakening der particuliere eigendommen overliet aan de persoonlijke inspanning der mensen en de instellingen der volkeren.

Overigens, hoe ook de aarde onder particulieren verdeeld zij, altijd blijft zij ten dienste staan van het gemeenschappelijk nut van alle mensen, aangezien er geen sterveling is, of hij wordt door de opbrengst der aarde gevoed. Wie verstoken is van vermogen, vult dit aan door arbeid: zo kan men naar waarheid zeggen, dat het middel, om zich levensonderhoud te verschaffen, enkele en alleen bestaat in de arbeid, welk men verricht of op eigen grond of in een of ander bedrijf tegen een loon, dat ten slotte alleen geput wordt uit de rijke opbrengst der aarde en daarvoor weer wordt ingeruild.

In dit alles ligt een nieuw bewijs, dat het privaatbezit geheel in overeenstemming is met de natuur. Wel immers schenkt de aarde in rijke overvloed alles, wat vereist wordt tot instandhouding en vervolmaking vooral van het leven, maar uit zichzelf, zonder door de mens bebouwd en verzorgd te worden, zou zij die dingen niet kunnen voortbrengen. Welnu, daar de mens de inspanning van de geest en de krachten van zijn lichaam ten beste geeft, om zich de goederen der natuur te verwerven, ontstaat juist hierdoor een band tussen hem en dat deel van de stoffelijke natuur, dat hij bewerkt heeft en waarop hij de stempel van zijn persoonlijkheid als het ware heeft ingedrukt: zodat het alleszins gerechtvaardigd moet heten, als hij dat gedeelte in eigendom bezit en het niemand vrijstaat, hem hoe dan ook in zijn recht te krenken.

De kracht dezer bewijzen is zó duidelijk, dat het verwonderlijk mag schijnen, hoe sommigen het er niet mee eens zijn en verouderde theorieën weer gangbaar willen maken. Zij kennen het individu wel het gebruik toe van de grond en de velerlei opbrengsten van de bodem, maar dat hij als eigenaar zou mogen bezitten de grond, waarop hij gebouwd heeft of het land, door hem bewerkt - dat recht ontkennen zij beslist. En met dit te ontkennen zien zij niet in, dat daardoor de mens onrechtvaardig zou beroofd worden van hetgeen hij door zijn arbeid heeft tot stand gebracht. Immers een stuk land, ontgonnen door de arbeid en de bekwaamheid van de bewerker, verandert geheel van gedaante: van bosgrond wordt het bouwland, van onvruchtbaar vruchtbaar. En alles wat de grond beter maakt, is zó met die grond één geworden en er zó in bewerkt, dat het voor het grootste deel onmogelijk er van te scheiden is. Zou het nu niet strijden met de rechtvaardigheid, als iemand zich meester maakt en geniet van datgene, waaraan een ander zijn beste krachten heeft gewijd? Gelijk het gevolg behoort bij de oorzaak, die het voortbracht, zo dient ook de vrucht van de arbeid in het bezit te blijven van hem, die de arbeid presteerde.

Met recht derhalve heeft het ganse mensdom zich niet in het minst laten beïnvloeden door de afwijkende meningen van enkelen, maar door de naarstige beschouwing van de natuur vond het in de natuurwet zelf de grondslag voor de verdeling der goederen en door de praktijk van alle eeuwen heeft het de privaateigendom gewettigd als zijnde volkomen in overeenstemming met de natuur van de mens en met een vreedzame en rustige samenleving. En de burgerlijke wetten, die, wanneer zij rechtvaardig zijn, haar kracht ontlenen aan de natuurwet, bevestigen dit recht, waarover wij spreken en beschermen het desnoods met de sterke arm. Datzelfde recht is bekrachtigd door het gezag der goddelijke wetten, die ten strengste verbieden het goed van een ander ook maar te begeren: "Gij zult de huisvrouw van uw naaste niet begeren, noch zijn huis, noch zijn akker, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort." (Deut. 5, 21)

Deze rechten nu, die de mens als individu bezit, blijken nog hechter gefundeerd te zijn, als zij beschouwd worden in verband en samenhang met de plichten van de mens in zijn gezinsleven.

Zonder twijfel staat het een ieder bij het kiezen van een levensstaat volkomen vrij, aan één van beide de voorkeur te geven, of wel Jezus Christus’ raad op te volgen over de maagdelijke staat óf wel zich te verbinden door de huwelijksband. Geen menselijke wetten kunnen het natuurlijk en oorspronkelijk recht om te huwen de mens ontnemen, noch het hoofddoel van het huwelijk, door Gods gezag in den beginne vastgesteld, hoe dan ook beperken: ”Wast aan en vermenigvuldigt u.” (Gen. 1, 28) Ziedaar dan het huisgezin, de huiselijke maatschappij, die, hoe klein dan ook, toch een maatschappij is in de volle zin van het woord en zelfs voorafgaat aan elk staatsverband; en daarom moet zij ook een aantal eigen rechten en plichten hebben, geheel en al onafhankelijk van de staat. Het eigendomsrecht, dat zoals wij bewezen hebben, door de natuur aan de mens als individu is verleend, moet dus ook toegekend worden aan de mens als hoofd van het gezin: zelfs is dit recht hier te sterker, naarmate de menselijke persoon in gezinsverband meer belangen bevat.

Het is een onschendbare natuurwet, dat de vader van het gezin voedsel en al het nodige verschaft aan wie hij het leven schonk; en eveneens streeft hij van nature er naar, om die kinderen, waarin immers de persoon van de vader zich afspiegelt en als het ware voortleeft, de middelen te verwerven en te verkrijgen, waardoor zij bij de wisselvalligheden des levens zich op passende wijze tegen rampspoed kunnen dekken. Doch dit is hem slechts mogelijk door het bezit van vruchtdragende goederen, die hij bij erflating aan zijn kinderen kan overdragen.

Gelijk de staat, zo is ook, gelijk wij zeiden, het huisgezin in de volle zin des woords een maatschappij, die door een eigen gezag, nl. dat van de vader, bestuurd wordt. Daarom ook heeft het huisgezin, natuurlijk binnen de grenzen door zijn naaste doel afgebakend, bij het kiezen en toepassen van de middelen, die het nodig heeft voor zijn behoud en rechtmatige onafhankelijkheid, minstens gelijke rechten als de burgerlijke maatschappij. Minstens gelijke rechten, zeiden wij: immers, daar de huishoudelijke samenleving èn logisch én feitelijk aan het staatsverband voorafgaat, volgt daaruit ook, dat zijn rechten ouder zijn en meer onmiddellijk uit de natuur voortvloeien. En indien de individuen, indien de gezinnen, deel uitmakend van de maatschappelijke en staatkundige samenleving, bij de staat zouden vinden in plaats van hulp belemmering, in plaats van bescherming vermindering hunner rechten, dan zou men die samenleving veeleer moeten verwerpen dan wensen.

Wij komen hier tot een punt van heel groot belang; en een goed begrip hiervan is noodzakelijk, om het juiste midden te houden. Immers, zo redeneert men, het bedrag van het loon wordt in vrije overeenkomst vastgesteld; als derhalve de patroon het overeengekomen loon heeft uitbetaald, dan heeft hij klaarblijkelijk ten volle aan zijn verplichting voldaan en is verder tot niets meer gehouden. Alleen dan, zo zegt men, geschiedt onrecht, als de patroon in gebreke blijft het loon volledig uit te betalen of de arbeider weigert het aangenomen werk geheel te verrichten; alleen in deze gevallen zou dan de staat tussen beide mogen komen, om ieders recht te handhaven, maar in geen enkel ander geval. – Als men de zaken billijk beschouwt, zal men met deze redenering niet licht noch geheel en al instemmen, omdat zij niet in alle opzichten volledig is; er ontbreekt een overweging aan van het grootste gewicht. Arbeiden immers is zich inspannen, om die goederen te verwerven, welke noodzakelijk zijn voor de verschillende levensbehoeften, allereerst voor de instandhouding van het leven zelf: “In het zweet uws aanschijns zult hij het brood eten.” (Gen. 3, 19) ’s Mensen arbeid heeft bijgevolg van nature een tweevoudig karakter: hij is vooreerst persoonlijk, omdat de werkkracht vast zit aan de persoon en het volle eigendom is van hem, door wie deze wordt uitgeoefend en tot wiens nut hij bestemd is; vervolgens is de arbeid ook noodzakelijk, omdat de mens de vrucht van zijn arbeid nodig heeft voor de instandhouding zijns levens. Welnu, het leven in stand te houden gebiedt de natuurwet, waaraan men zich in geen geval mag onttrekken.

Als men nu alleen ziet naar het persoonlijkheidskarakter van de arbeid, dan staat het de arbeider zonder twijfel volkomen vrij bij de overeenkomst genoegen te nemen met een karig loon; gelijk hij immers vrijwillig zijn arbeid aanbiedt, zo is hij er ook vrij in, tevreden te zijn met een schraal of zelfs met helemaal geen loon voor zijn arbeid.

Geheel anders moet het oordeel luiden, als men behalve op het persoonlijkheidskarakter van de arbeid ook let op zijn noodzakelijkheidskarakter, dat wel logisch, maar niet in werkelijkheid van het eerste kan gescheiden worden. Zijn leven in stand houden, is inderdaad een algemene plicht, die ieder afzonderlijk bindt, en zich daaraan onttrekken, is misdadig. Daaruit volgt noodzakelijk het recht op het verwerven der middelen, waardoor het leven wordt in stand gehouden; welnu slechts het loon, door arbeid verkregen, verleent de ondergeschikte de beschikking over die middelen.

Laat het dus waar zijn, dat arbeider en patroon vrij tot overeenstemming kwamen met name wat betreft het bedrag van het loon, altijd blijft daarbij van kracht de eis der natuurlijke rechtvaardigheid, dringender en ouder dan de vrije wil der contracterende partijen, dat nl. het loon niet ontoereikend mag zijn voor het onderhoud van een sober en oppassend werkman. En gesteld dat een werkman, door nood gedwongen of uit vrees voor erger hardere voorwaarden aanvaardt en die zelfs tegen zijn wil wel moet aanvaarden, omdat zij door de patroon of de aannemer worden opgedrongen, dan ondergaat die werkman geweld, waartegen de rechtvaardigheid in verzet komt.

Evenwel bij deze en alle dergelijke zaken, als bijv. hoe lang de arbeidstijd moet zijn in elke tak van bedrijf, welke hygiënische maatregelen, vooral in fabrieken, dienen getroffen te worden, moet de overheid niet te onpas ingrijpen, vooral daar de omstandigheden van zaken, tijden en plaatsen zeer verschillend kunnen zijn; beter zal het zijn, deze zaken over te laten aan het oordeel der verenigingen, waarover wij aanstonds nog zullen spreken of een andere weg in te slaan om de belangen der arbeiders naar behoren de beveiligen, zo nodig met bescherming en steun van de staat.

Ofschoon nu particuliere verenigingen haar bestaan leiden in de staat en als het ware even zo vele delen er van uitmaken, toch kan de staat in het algemeen en uiteraard haar bestaan niet verhinderen. Van nature immers bezit de mens het recht, om particuliere verenigingen op te richten; welnu, de staat is ingesteld tot bescherming, niet tot vernietiging van het natuurrecht. En als hij het oprichten van verenigingen onder de burgers zou verbieden, zou hij tegen zichzelf ingaan, omdat de staat zelf evenzeer als de particuliere verenigingen aan hetzelfde beginsel zijn oorsprong ontleent, dat nl. de mens van nature aaneensluiting zoekt.

Soms kunnen zich omstandigheden voordoen, dat de wet met recht dit soort verenigingen verbiedt: wanneer zij bijv. krachtens haar instelling een doel beogen, dat klaarblijkelijk in strijd is met de goede zeden, de rechtvaardigheid of de veiligheid van de staat. In deze gevallen zal de staat het recht hebben de oprichting van die verenigingen te verbieden en eveneens reeds bestaande op te heffen. Evenwel moet hij hier met de grootste omzichtigheid te werk gaan, om geen inbreuk te maken op de rechten der burgers, en onder voorwendsel van het algemeen belang niets vast te stellen, wat strijdig is met de rede. In zoverre immers is men verplicht de wetten te gehoorzamen, als zij overeenstemmen met de gezonde rede en dus met de eeuwige wet Gods. ( “De menselijke wet heeft in zoverre kracht van wet, als zij overeenstemt met de gezonde rede, en dan is het ook duidelijk, dat zij een uitvloeisel is van de eeuwige wet. In zoverre zij van de gezonde rede afwijkt, wordt de wet onrechtvaardig genoemd en heeft niet het karakter van een wet, maar veeleer van een zekere gewelddadigheid”, H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II q. XCIII, a. III ad 2)

Document

Naam: RERUM NOVARUM
Over kapitaal en arbeid
Soort: Paus Leo XIII - Encycliek
Auteur: Paus Leo XIII
Datum: 15 mei 1891
Copyrights: © 1961, Ecclesia Docens (0158) 5e druk, Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: p. fr. L. Zeinstra ofm; tussentitels: redactie Ecclesia Docens
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam