• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

AD RESURGENDUM CUM CHRISTO
Over het begraven van de doden en het behoud van de as in het geval van crematie

Om met Christus te verrijzen, dienen wij met Christus te sterven, dienen wij “uit dit lichaam te verhuizen om onze intrek te nemen bij de Heer” (2 Kor. 5, 8). In zijn instructie Heilig Officie
Piam et constantem
Over de crematie
(5 juli 1963)
 van 5 juli 1963, had het Heilig Officie gevraagd “trouw te blijven aan het gebruik om het lichaam van gelovigen te begraven”, en preciseerde ook dat verbranding “op zich niet tegengesteld is aan de christelijke godsdienst” en dat men de sacramenten en uitvaart niet meer moest weigeren aan wie om lijkverbranding vragen, op voorwaarde dat zo een keuze niet gemotiveerd is door een “ontkenning van de christelijke dogma’s, een sektarische geest, of haat tegen de katholieke godsdienst of de Kerk”.  Deze verandering in de kerkelijke discipline werd daarna ingelast in de Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
en de Wetboek
Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium
Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken (1 oktober 1991)
.

Sindsdien heeft de praktijk van lijkverbranding zich in vele landen gevoelig verbreid, maar tegelijk hebben zich ook nieuwe ideeën verspreid die in tegenspraak zijn met het geloof van de Kerk. Na grondige consultatie van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Discipline van de Sacramenten, de Pauselijke Raad voor de Interpretatie van Wetsteksten en vele Bisschoppenconferenties en Bisschoppensynodes van de oosterse Kerken, achtte de Congregatie voor de Geloofsleer het opportuun een nieuwe Instructie uit te vaardigen om de doctrinaire en pastorale redenen opnieuw te bevestigen van de voorkeur om het lichaam te begraven; zij wou tevens de normen vastleggen voor het bewaren van de as in geval van verbranding.

De verrijzenis van Jezus is de hoogste waarheid van het christelijk geloof, dat sinds de oorsprong van het christendom als een wezenlijk deel van het Paasmysterie wordt gepredikt: “In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf” (1 Kor. 15, 3-4).

Door Zijn dood en verrijzenis heeft Christus ons van de zonde bevrijd en de toegang naar een nieuw leven geopend: “Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden” (Rom. 6, 4). Bovendien is de verrezen Christus het principe en de bron van onze toekomstige verrijzenis: “Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn. (...) Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven” (1 Kor. 15, 20-22).

Als het waar is dat Christus ons “op de laatste dag” zal opwekken, is het ook waar dat wij op enige manier reeds met Hem verrezen zijn. Trouwens, wij zijn door het doopsel ondergedompeld in de dood en de verrijzenis van Christus, wij zijn sacramenteel aan Hem gelijkvormig gemaakt: “In de doop zijt gij met Hem begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan” (Kol. 2, 12). In het doopsel met Christus verenigd, nemen wij reeds werkelijk deel aan het leven van de verrezen Christus. Vgl. Ef. 2, 6

Dank zij Christus heeft de christelijke dood een positieve betekenis. In de liturgie bidt de Kerk als volgt: “Gij neemt het leven, God, niet van ons af, Gij maakt het nieuw, dat geloven wij op uw woord; en als ons aardse huis – ons lichaam, afgebroken wordt, heeft Jezus al een plaats voor ons bereid in uw huis, om daar voorgoed te wonen”. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Editio typica tertio emendata 2002/2008, Missale Romanum (6 okt 2008). Prefatie van de overledenen, 1 Door de dood wordt de ziel van het lichaam gescheiden, maar bij de verrijzenis zal God het onvergankelijk leven aan ons getransformeerd lichaam teruggeven door het opnieuw met onze ziel te verenigen. Ook op onze dagen is de Kerk geroepen het geloof in de verrijzenis te verkondigen: “Het geloof van de christenen is de opstanding uit de doden: dat geloven, is verrijzen”. Tertullianus, De Resurrectione Carnis. 1,1: CCL 2, 921

Volgens de eeuwenoude christelijke traditie, beveelt de Kerk nadrukkelijk aan dat het lichaam van de overledenen zou begraven worden op een kerkhof of sacrale ruimte. Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1176. § 3 Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1205 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 876. § 3 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 868

In herinnering aan de dood, de begraving en verrijzenis van de Heer - het mysterie in wiens licht de christelijke betekenis van de dood tot uiting komt Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1681, is begraving vooreerst en vooral de meest geschikte vorm om het geloof en de hoop op de verrijzenis van het lichaam uit te drukken. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2300

Als een moeder, begeleidt de Kerk de Christen op zijn aardse pelgrimstocht; in Christus biedt zij aan de Christen de genade van de Vader aan en legt zijn stoffelijk overschot in de aarde, in de hoop dat hij in heerlijkheid zal verrijzen. Vgl. 1 Kor. 15, 42-44 Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1683

Door het lichaam van de gelovigen te begraven, bevestigt de Kerk het geloof in de verrijzenis van het lichaam Vgl. H. Augustinus, De cura pro mortuis gerenda. 3, 5; CSEL 41, 628 en wil zij de nadruk leggen op de grote waardigheid van het menselijk lichaam, als integrerend deel van de persoon, wiens lichaam deelneemt aan de geschiedenis. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 14 Zij kan dus geen houdingen en riten tolereren die verkeerde opvattingen over de dood impliceren, zoals de definitieve vernietiging van de persoon, of als het moment waarop de persoon met Moeder-natuur of met het universum versmelt, of als een fase in het reïncarnatieproces, of nog als de definitieve bevrijding van de ‘gevangenis’ van het lichaam.

Bovendien beantwoordt begraving op het kerkhof of een andere sacrale plaats op gepaste manier aan de vroomheid en het respect dat het lichaam van overleden gelovigen toekomt die, door het doopsel, een tempel geworden zijn van de Heilige Geest, en “een instrument en vaas” “waarvan de Geest zich heilig heeft bediend om zo veel goede werken te doen”. H. Augustinus, De cura pro mortuis gerenda. 3, 5: CSEL 41, 627

Tobit, de rechtvaardige, wordt geloofd voor de verdiensten die hij bij God verworven had door doden te begraven Vgl. Tob. 2, 9 Vgl. Tob. 12, 12 , een daad die de Kerk als een lichamelijk werk van barmhartigheid beschouwt. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2300

Het begraven van het lichaam van overleden gelovigen op het kerkhof of een andere sacrale plaats bevordert bovendien de herinnering aan de overledenen en het gebed van de familie en heel de Christengemeenschap voor hen, zonder de verering van martelaren en heiligen te vergeten.

Dank zij de begraving van lichamen op de kerkhoven, in kerken of ruimten die daarvoor gereserveerd worden, heeft de christelijke traditie de gemeenschap tussen levenden en doden bewaard en heeft zij zich tegen de tendens verzet om het gebeuren van de dood en de betekenis die zij voor Christenen heeft, te versluieren of te privatiseren.

Waar redenen van hygiënische, economische of sociale aard verbranding in de hand werken – een keuze die niet in tegenspraak moet zijn met de uitdrukkelijke wil of redelijk veronderstelde wil van de overleden gelovige – ziet de Kerk geen doctrinaire redenen om deze praktijk te verbieden. Verbranding van het lijk raakt namelijk de ziel niet en belet Gods almacht niet om het lichaam te doen verrijzen; zij bevat in zich dus niet de objectieve ontkenning van de christelijke leer over de onsterfelijkheid van de ziel en de verrijzenis van het lichaam. Vgl. Heilig Officie, Over de crematie, Piam et constantem (5 juli 1963). AAS 56 (1964), 822

De Kerk blijft wel voorkeur geven aan begraving van het lichaam omdat dit getuigt van een grotere achting voor de overledene; nochtans wordt verbranding niet verboden, “tenminste als zij niet verkozen werd om redenen die tegengesteld zijn aan de christelijke leer”. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1176. § 3 Vgl. Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 876. § 3

Wanneer er geen redenen zijn die tegengesteld zijn aan de christelijke leer, begeleidt de Kerk de keuze voor verbranding na de uitvaart, met gepaste liturgische en pastorale richtlijnen en waakt zij er vooral over om iedere vorm van ergernis of godsdienstige onverschilligheid te vermijden.

Indien men om geldige redenen opteert voor verbranding van het lijk, moet de as van de overledene normaal bewaard worden op een sacrale plaats, namelijk het kerkhof of desgevallend in een kerk of ruimte die hiervoor door de bevoegde kerkelijke autoriteit speciaal bestemd wordt.

Van in den beginne hebben de Christenen verlangd dat hun overledenen voor de Christengemeenschap het voorwerp zouden zijn van voorspraak en herinnering. Hun graven werden plaatsen van gebed, gedachtenis en overweging. De overleden gelovigen maken deel uit van de Kerk die gelooft in de gemeenschap “van hen die pelgrims zijn op aarde, van de overledenen die hun zuivering voltooien, van de gelukzaligen in de hemel, zodat allen samen één enkele Kerk vormen”. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 962

Bewaring van de as op een sacrale plaats kan ertoe bijdragen dat het gevaar beperkt wordt om overledenen te onttrekken aan het gebed en de herinnering van hun familie en van de Christengemeenschap. Zo worden eveneens eventuele vergetelheid of gebrek aan respect vermeden, wat vooral kan optreden na het verdwijnen van de eerste generatie, evenals ongepaste of bijgelovige praktijken.

Om bovengenoemde redenen, wordt het bewaren van de as in de huiselijke kring niet toegelaten. Alleen in geval van ernstige en buitengewone omstandigheden, verbonden aan culturele voorwaarden van lokale aard, kan de ordinaris met instemming van de Bisschoppenconferentie of de Bisschoppensynode van de Oosterse Kerken, toelating geven om as in de huiselijke kring te bewaren. Maar de as mag niet onder verschillende families verdeeld worden en men zal er steeds over waken om respectvolle en gepaste voorwaarden van bewaring te verzekeren.

Om ieder misverstand van pantheïstische, naturalistische of nihilistische aard te vermijden, wordt asverstrooiing in de lucht, op de grond, in het water of op een andere manier, niet toegelaten. Hetzelfde geldt voor het bewaren van de as na lijkverbranding, als souvenir, juweel of in andere voorwerpen. De hygiënische, sociale of economische redenen die de keuze voor verassing kunnen motiveren, zijn niet geldig voor deze handelwijze.

In het geval dat de gelovige op een manier die gekend is, verbranding en verstrooiing van zijn as in de natuur zou gevraagd hebben wegens redenen die tegengesteld zijn aan het christelijk geloof, moet men hem de uitvaart weigeren, in overeenstemming met de bepalingen van het recht. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1184 Wetboek, Codex van Canoniek Recht van de Oosterse Kerken, Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium (1 okt 1991), 876. § 3

Tijdens de audiëntie, op 18 maart 2016 verleend aan de Kardinaal prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, heeft Paus Franciscus deze Instructie goedgekeurd, waartoe besloten werd tijdens de gewone Zitting van dit Dicasterium op datum van 2 maart 2016 en heeft hij er de publicatie van bevolen.

Rome, op de zetel van de Congregatie voor de Geloofsleer, 15 augustus 2016, Hoogfeest van de Tenhemelopneming van de Allerheiligste Maagd Maria.

Gerhard Kard. Müller
Prefet

Luis F. Ladaria, S.I.
titulair Aartsbisschop van Thibica
Secretaris

Document

Naam: AD RESURGENDUM CUM CHRISTO
Over het begraven van de doden en het behoud van de as in het geval van crematie
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Gerhard Ludwig Kard. Müller, prefect
Datum: 15 augustus 2016
Copyrights: © 2016, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. uit het Frans (Zenit.org): maranatha-gemeenschap
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam