• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET MYSTERIE VAN DE VROUW WORDT GEOPENBAARD IN HET MOEDERSCHAP
Theologie van het Lichaam,
Deel 1, De oorspronkelijke eenheid van man en vrouw,
catechese over het Boek Genesis
nr. 21

In de vorige meditatie hebben we de zin van Genesis 4, 1 geanalyseerd, in het bijzonder over het woord "kennen". De oorspronkelijke tekst gebruikt dit woord om de gemeenschappelijke eenheid te definiëren.

'Kennen' in de Bijbelse betekenis van het woord is dus een soort persoonsbetrokken archetype. De archetypen worden door C.G. Jung beschreven als 'a priori'-vormen van verschillende functies van het psychisch leven: waarneming van relaties, scheppende verbeelding. De vormen krijgen inhoud met het materiaal van de ervaring. Ze zijn niet inert maar eerder geladen met gevoelens en neigingen'. Zie vooral Die psychologisch en Aspekte des Mutter-archetypus, Eranos 6, 1938, blzz. 405-409
Volgens die opvatting kan een archetype gevonden worden in de wederzijdse man-vrouwrelatie, welke relatie gebaseerd is op de tweevoudige en complementaire verwezenlijking van de mens in twee seksen. Het archetype wordt met inhoud gevuld door middel van de individuele en collectieve ervaring en kan de scheppende verbeelding in beweging brengen. Gepreciseerd dient te worden dat het archetype:

  1. zich niet beperkt tot de fysieke relaties en daarin ook niet opgaat maar eerder de relatie van het 'kennen' insluit;
  2. geladen is met aandriften: verlangen-vrees, gave-bezit;
  3. als 'oerbeeld' beelden voortbrengt.

Door het derde aspect kunnen we overgaan naar de hermeneutiek, in concreto van de schriftteksten en van de traditie. De religieuze oertaal is symbolisch. [c:vgl. W. Stählin, Symbolon, 1958; I. Macquarrie, God Talk, 1968; T. Fawcett, The Symbolic language of Religion, 1970 Bij die symbolen is er een voorkeur voor enkele, radicale of exemplarische, die wij archetypisch kunnen noemen. Van deze gebruikt de Bijbel die van de huwelijksrelatie, die zich concreet op het niveau van het beschreven 'kennen' bevindt. Een van de eerste gedichten in de Bijbel die het huwelijksarchetype toepast op de relaties van God met zijn volk, vindt zijn hoogtepunt in het becommentarieerde werkwoord: weyadacta et Yhwh '(als mijn bruid) zult gij Jahwe leren kennen' (Hos. 2, 22): verzacht tot weyadacte kî 'ani Yhwh 'Dan zult gij erkennen dat ik Jahwe ben' .(Jes. 49, 23; Jes. 60, 16; Ezech. 16, 62 de drie bruidsliederen). De traditie die hier zijn oorsprong neemt zal haar hoogtepunt vinden in de paulinische toepassing van Ef. 5 op Christus en de kerk; vandaar loopt ze door naar de traditie van de kerkvaders en naar die van de grote mystici (bijv. 'Llama de amor viva' van Sint-Jan van het Kruis).
In de verhandeling Grundzüge der Litteratur- und Sprachwis­senschaft, deel I München 1976', blz. 462 worden de archetypen als volgt gedefinieerd: 'Archaische beelden en motieven die volgens Jung de inhoud vormen van het collectief onbewuste dat alle mensen gemeen hebben; zij stellen symbolen voor die in alle tijden en bij alle volken op een beeldende manier levend maken wat beslissend is voor de mensheid inzake ideeën, voorstellingen en instincten.' Freud bedient zich niet van het begrip archetype. Hij heeft wel een symboliek of code van vaste overeenstemming tussen openlijk voorgestelde beelden en latente beelden opgesteld. De symbolen hebben een vaste, zij het niet noodzakelijk enige betekenis: ze kunnen herleid worden tot een laatste op haar beurt onherleidbare gedachte die gewoonlijk een ervaring uit de kindertijd is. Deze zijn primair en van seksuele aard (maar hij noemt ze geen archetypen). Zie T. Todorov, Théories du symhole, Parijs 1977, blz. 317vv: bovendien: J. Jacoby, Komplex, Archetyp, Symbol in der Psychologie C.G. Jung, Zürich 1957] ... van de menselijke lichamelijkheid en seksualiteit. Dit blijkt absoluut fundamenteel voor het begrijpen van de mens, die 'van het begin af' op zoek is naar de betekenis van zijn eigen lichaam. Die betekenis ligt nu juist ten grondslag aan de theologie van het lichaam. De term 'kende'-'had gemeenschap met' Vgl. Gen. 4, 1-2 vat heel de geladenheid van de tot dusver geanalyseerde Bijbeltekst samen.

De 'mens' die volgens Genesis 4, 1 de vrouw, zijn echtgenote, voor de eerste maal 'kende' in de daad van de huwelijksgemeenschap, is dezelfde mens die zich door namen te geven, dat wil ook zeggen 'door te kennen', 'gedifferentieerd' heeft van heel de wereld van de levende wezens of animalia, waarmee hij zichzelf bevestigde als persoon en als subject. De 'kennis' waarover Genesis 4, 1 spreekt, verwijdert hem niet, en zou hem ook niet kunnen verwijderen, van het niveau van dat fundamentele en oorspronkelijke zelfbesef. Wat een eenzijdige naturalistische mentaliteit hieromtrent ook zou mogen zeggen, kan er in Genesis 4, 1 dus geen sprake zijn van een passief aanvaarden dat de mens gedetermineerd is door zijn lichaam en sekse - juist omdat het om 'kennen' gaat.

Het is integendeel een verdere ontdekking van de betekenis van het eigen lichaam, een gemeenschappelijke en wederkerige ontdekking, zoals het bestaan van de mens die 'God man en vrouw schiep' van het begin af wederkerig en gemeenschappelijk is. Het 'kennen' dat ten grondslag lag aan de oorspronkelijke eenzaamheid van de mens, blijkt nu ten grondslag te liggen aan die eenheid van man en vrouw, waarvan God het duidelijk perspectief reeds in het scheppingsmysterie zelf had gelegd (Gen. 1, 27)(Gen. 2, 23). Door die 'kennis' bevestigt de man de betekenis van de naam die hij zijn vrouw heeft gegeven: 'Eva, want zij is de moeder geworden van alle levenden' (Gen. 3, 20).

Baren en verwekken in de diepe betekenis van kennen

Volgens Genesis 4, 1 is degene die 'kent' de man, en degene die gekend wordt de vrouw, de echtgenote, alsof al wat de eigenlijke diepte van haar vrouw-zijn uitmaakt, verborgen werd gehouden door het specifiek gedetermineerd zijn van de vrouw via haar eigen lichaam en sekse. Daartegenover is de man de eerste die, na de zonde, schaamte gevoeld heeft over zijn naaktheid; hij die als eerste gezegd heeft: 'Ik werd bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen' (Gen. 3, 10). We zullen op beider gemoedsgesteldheid na het verlies van de oorspronkelijke onschuld nog afzonderlijk moeten terugkomen. Nu echter moeten wij reeds vaststellen dat in het 'kennen' waarover Genesis 4, 1 spreekt, het mysterie van het vrouw-zijn duidelijk naar voren komt en ten volle onthuld wordt door het moederschap, zoals de tekst zegt: 'zij werd zwanger en bracht ... ter wereld'. De vrouw staat tegenover de man als moeder, draagster van nieuw menselijk leven dat in haar ontvangen is en tot verdere ontwikkeling komt en dat uit haar wordt geboren, ter wereld gebracht. En zo onthult zich ook ten volle het mysterie van de mannelijkheid van de man, dat wil zeggen de verwekkende en 'vaderlijke' betekenis van zijn lichaam. Het vaderschap is een van de meest beschouwde aspecten van het mens-zijn in de heilige Schrift. De tekst van Genesis 5, 4: 'Adam ... verwekte een zoon die op hem geleek en zijn beeld was' hangt uitdrukkelijk samen met het verhaal van de schepping van de mens (Gen. 1, 27; Gen. 5, 1) en schijnt de aardse vader het deelgenootschap toe te schrijven in het goddelijk werk van het doorgeven van het leven en misschien ook in die vreugde die gelegen is in de uitspraak: 'hij bezag wat hij gemaakt had en hij zag dat het heel goed was' (Gen. 1, 31).

De theologie van het lichaam die in het boek Genesis ligt opgesloten, is bondig en karig met woorden. Er blijken fundamentele elementen in uitgedrukt; definitieve oerelementen, zou men kunnen zeggen. Men vindt ze alle op eigen wijze terug in dat bijbelse 'kennen'. De constitutie van de vrouw is anders dan bij de man (en tegenwoordig weten wij dat die zelfs anders is tot in de allerdiepste biofysiologische determinanten ervan). Uiterlijk komt zij slechts in zekere mate tot uiting in de bouw en de gestalte van haar lichaam. Van binnen uit komt die constitutie tot uiting door het moederschap via een bijzonder potentieel vermogen van de vrouwelijke organen die dank zij de karakteristieke scheppende aard ervan dienen om met medewerking van de man zwanger te worden en een mens ter wereld te brengen. De 'kennis' is voorwaarde voor het ter wereld brengen.

De voortplanting is een perspectief dat man en vrouw inschakelen in hun wederzijds 'kennen'. Dit gaat dan ook de grenzen te buiten van het subject-object dat man en vrouw afwisselend schijnen te zijn, daar de 'kennis' enerzijds hem die 'kent' aanduidt en anderzijds haar die 'gekend wordt', en omgekeerd. In die 'kennis' ligt ook de voltrekking van het huwelijk opgesloten, het specifieke consummatum. Zo komt men tot de 'objectiviteit' van het lichaam die verborgen ligt in de lichamelijke vermogens van man en vrouwen tevens tot de objectiviteit van de mens die dat lichaam 'is'. Via het lichaam is de menselijke persoon 'echtgenoot' en 'echtgenote'. Tegelijk schijnt zich in die bijzondere 'kennis' -act door middel van de persoonsbetrokken mannelijkheid en vrouwelijkheid ook de ontdekking te verwezenlijken van de 'zuivere' subjectiviteit van de gave: dat wil zeggen de wederzijdse zelfverwezenlijking in de gave.

De voortplanting maakt dat 'man en vrouw (als echtgenote)' elkaar wederkerig kennen in de door hen beiden voortgebrachte 'derde'. Daarom wordt die 'ken­nis' een ontdekking, een openbaring in zekere zin van het nieuwe menselijke wezen waarin beiden, man en vrouw, zichzelf, hun mens-zijn, hun levende beeld nogmaals herkennen. In al wat door beiden via hun lichaam en sekse gedetermineerd is, voegt de 'kennis' een levende en reële inhoud in. Vandaar dat het 'kennen' in bijbelse zin betekent dat het 'biologische' gedetermineerd zijn van de mens, door zijn lichaam en zijn sekse, niet langer iets passiefs is, maar een niveau en een inhoud krijgt die specifiek zijn voor - 'zich van zichzelf bewuste' en 'zelf beschikkende' - personen; ze houdt dus een bijzonder besef in van de betekenis van het menselijk lichaam die verbonden is aan het vaderschap en het moederschap.
Heel de uiterlijke lichaamsbouw van de vrouw, het bijzonder aspect ervan en de hoedanigheden die met de kracht van een altijd voortdurende aantrekkelijkheid aan de oorsprong liggen van de 'kennis' waarover sprake is in Genesis 4, 1 (Adam 'kende' zijn vrouw Eva), hangen nauw samen met het moederschap. De bijbel (en in aansluiting daarop de liturgie) eert en looft met de hem eigen eenvoud alle eeuwen door 'de schoot die u gedragen heeft en de borsten die u hebben gevoed' (Lc. 11, 27). Deze woorden zijn een loftuiting op het moederschap, op de vrouwelijkheid, op het lichaam van de vrouw in zijn typische uitdrukkingsvorm van scheppende liefde. Het zijn woorden die in het evangelie slaan op de moeder van Christus, Maria, de tweede Eva. De eerste vrouw daarentegen zei, op het ogenblik dat de moederlijke rijpheid van haar lichaam bleek, toen zij 'zwanger werd en baarde': 'met de hulp van Jahwe heb ik een mannelijke mens voortgebracht' (Gen. 4, 1).

Deze woorden drukken heel de theologische diepte uit van de functie van 'verwekken-voortbrengen'. Het lichaam van de vrouw wordt de plaats van de ontvangenis van de nieuwe mens. [c:Volgens de tekst van Genesis 1,26 is het in het bestaan 'roepen' tegelijk overdracht van het goddelijke beeld en de goddelijke gelijkenis. De mens moet dat beeld blijven overdragen, zodoende het werk van God voortzettend. Het verhaal van de verwekking van Set beklemtoont dit aspect: 'Toen Adam honderddertig jaar was, verwekte hij een zoon die op hem geleek en zijn beeld was' (Gen. 5,3).
Aangezien Adam en Eva beelden van God waren, heeft Set van zijn ouders die gelijkenis geërfd om haar weer door te geven aan anderen. Maar in de Heilige Schrift is elke roeping nauw verbonden met een zending: het in het bestaan roepen is dus al voorbeschikking op het werk van God: 'Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit: voordat ge geboren werd, bestemde Ik u voor Mij' (Jer. 1, 5, vgl. ook Jes. 44, 1-2; Jes. 44, 1-2; 49, 1.5). God is niet alleen Degene die in het bestaan roept maar het leven ook in stand houdt en verder ontwikkelt vanaf het eerste moment van de ontvangenis: 'Gij deed mij de moederschoot uitgaan / aan haar borst hebt Gij mij gevlijd / U viel ik toe, nauwelijks geboren / van mijn oorsprong afzijt Gij mijn God' (Ps. 22,10-11: vgl. Ps. 139, 13-15). De aandacht van de Bijbelse schrijver is gericht op het eigenlijke feit van het schenken van het leven. De belangstelling voor de manier waarop dat gebeurt, is eerder bijkomstig en blijkt slechts uit de volgende passages (vgl. Job 10, 8 en 11; 2 Makk. 7,22-23; Wijsh. 7, 1-3). ] In haar schoot neemt het ontvangen wezen zijn eigen menselijk aspect aan nog voor het ter wereld wordt gebracht. De somatische homogeniteit van man en vrouw heeft haar eerste uitdrukking gevonden in de woorden: 'Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees' (Gen. 2, 23); en deze wordt weer bevestigd door de woorden van de eerste vrouw die moeder is: 'ik heb een mannelijke mens voortgebracht'. De eerste barende vrouw is zich ten volle bewust van het scheppingsmysterie dat in de menselijke voortplanting wordt vernieuwd. Zij beseft ook ten volle de scheppende medewerking die God gelegd heeft in de menselijke voortplanting door toedoen van haar en haar man, want zij zegt: 'Met de hulp van Jahwe heb ik voortgebracht'.

Er kan geen enkele verwarring bestaan omtrent de werkingssferen van de oorzaken. De eerste ouders dragen - zelfs na de zonde, tegelijk met de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad en bij wijze van spreken op de drempel van alle 'historische' ervaringen - de eerste ouders dus dragen volgens de natuurwetten aan alle andere ouders de fundamentele waarheid over omtrent de geboorte van de mens als beeld van God. In deze nieuwe mens - geboren uit de barende vrouwen de verwekkende man - wordt telkens het eigen 'beeld van God' gereproduceerd, van die God die het mens-zijn van de eerste mens heeft ingesteld: 'God schiep de mens als zijn beeld ... man en vrouw schiep Hij hen' (Gen. 1, 27).

'Kennis' en wederzijds bezit
Hoewel er diepgaande verschillen bestaan tussen de staat van oorspronkelijke onschuld en de erfzonde­toestand van de mens, vormt dit 'beeld van God' een grondslag voor continuïteit en eenheid. De 'kennis' waarvan sprake is in Genesis 4, 1, is de daad die het 'zijn' verwekt, dat wil zeggen die in vereniging met de Schepper een nieuwe mens in het bestaan plaatst. In zijn transcendentale eenzaamheid heeft de eerste mens bezit genomen van de voor hem geschapen zichtbare wereld door het kennen en benoemen van alle levende wezens (animalia). En die zelfde mens als man en vrouw, die elkaar over en weer kennen in dat specifieke samenzijn als gemeenschap van personen, waarin man en vrouw zich zo aan elkaar hechten dat zij 'één vlees' worden, vormt het mens-zijn, dat wil zeggen bevestigt en hernieuwt het bestaan van de mens als beeld van God. Telkens nemen beiden, man en vrouw, bij wijze van spreken dat beeld van het scheppingsmysterie weer op en dragen het 'met de hulp van Jahwe-God' over.

De woorden van Genesis zijn een getuigenis van de eerste geboorte van de mens op aarde. Zij bevatten tegelijkertijd alles dat kan en moet gezegd worden over de waardigheid van de menselijke gemeenschap.

Document

Naam: HET MYSTERIE VAN DE VROUW WORDT GEOPENBAARD IN HET MOEDERSCHAP
Theologie van het Lichaam,
Deel 1, De oorspronkelijke eenheid van man en vrouw,
catechese over het Boek Genesis
nr. 21
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 12 maart 1980
Copyrights: © 1981, "Naar Gods beeld, man en vrouw", uitg. Nieuwe Stad, Antwerpen
Aanvullende vertalingen: Stg. InterKerk, Poeldijk
Bewerkt: 23 juli 2018

Referenties naar dit document

 
Geen dossiers gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam