• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
   Dit is een werkvertaling

Ook als de ouders de school nodig hebben om een basisopleiding voor hun kinderen te garanderen, mogen zij nooit de morele vorming helemaal delegeren. De affectieve en ethische ontwikkeling van een persoon vereist een fundamentele ervaring: geloven dat de eigen ouders betrouwbaar zijn. Dit vormt een opvoedkundige verantwoordelijkheid: met genegenheid en getuigenis vertrouwen wekken in zijn kinderen, hun een liefdevol respect inboezemen. Wanneer een kind niet meer voelt dat het voor zijn ouders kostbaar is, ondanks dat het niet volmaakt is, of niet gewaar wordt dat zij een oprechte bezorgdheid koesteren voor hem, dan veroorzaakt dat diepe wonden, die veel moeilijkheden in zijn rijping tot gevolg hebben. Deze afwezigheid, dit affectief in de steek laten veroorzaakt een dieper verdriet dan een eventuele terechtwijzing die het zou kunnen krijgen voor een misstap.

De taak van de ouders omvat een opvoeding van de wil en een ontwikkeling van goede gewoonten en affectieve neigingen ten gunste van het goede. Dit houdt in dat deze worden gepresenteerd als gedragingen die geleerd moeten worden, en neigingen die men moet ontwikkelen. Het gaat echter steeds om een proces dat gaat van onvolmaaktheid tot grotere volheid. Het verlangen zich aan de maatschappij aan te passen of de gewoonte af te zien van een onmiddellijke bevrediging om zich aan te passen aan een norm en te zorgen voor een goede samenleving is op zich al een beginwaarde die gesteldheden schept om zich vervolgens te verheffen tot hogere waarden. De morele vorming zou zich altijd moeten verwezenlijken met actieve methodes en een opvoedkundige dialoog die rekening houdt met de gevoeligheid en de taal die specifiek is voor de kinderen. Bovendien moet deze vorming inductief tot stand komen, zodat het kind ertoe komt vanzelf het belang van bepaalde waarden, principes en normen te ontdekken, in plaats van ze op te leggen als een waarheid waarover niet te praten valt.

Om goed te handelen is het niet voldoende “adequaat te oordelen” of duidelijk te weten wat men moet doen, hoewel dat wel de voorrang heeft. Vaak zijn wij inconsequent in onze persoonlijke overtuigingen, zelfs wanneer het vaste overtuigingen zijn. Hoewel het geweten ons een bepaald moreel oordeel voorschrijft, hebben soms andere zaken die voor ons aantrekkelijk zijn meer macht, als wij het ons niet eigen hebben gemaakt dat het goede dat hetgeen door de geest als goed wordt begrepen, in ons geworteld is als een diepe affectieve neiging, als een genoegen dat men beleeft aan het goede, dat meer weegt dan andere aantrekkelijkheden en dat ons doet gewaarworden dat wat wij hebben begrepen als goed, dat ook hier en nu “voor ons” is. Een doeltreffende ethische vorming houdt in de persoon laten zien tot hoever goed handelen voor hemzelf moet gaan. Tegenwoordig is het vaak niet effectief iets te vragen dat inspanning en afzien vraagt zonder duidelijk het goede te laten zien dat men daarmee zou kunnen bereiken.

Het is noodzakelijk gewoonten te ontwikkelen. Ook door kinderen verworven gewoonten hebben een positieve functie, omdat zij het mogelijk maken dat de grote verinnerlijkte waarden vertaald worden in uiterlijk gezond en stabiel gedrag. Iemand kan sociale gevoelens en een goede gesteldheid jegens anderen hebben, maar als hij gedurende lange tijd op aandringen van volwassenen niet gewend is geraakt om “alsjeblieft”, “mag ik”, “dankjewel” te zeggen, zal zijn goede innerlijke gesteldheid zich niet gemakkelijk vertalen in deze uitdrukkingen. De versterking van de wil en het herhalen van bepaalde handelingen vormen het morele gedrag en zonder een bewuste, vrije en gewaardeerde herhaling van bepaalde goede gedragingen wordt de opvoeding tot dit gedrag niet tot een goed einde gebracht. De motiveringen of de aantrekkingskracht die wij voor een bepaalde waarde voelen, worden geen deugd zonder deze op adequate wijze gemotiveerde handelingen.

Vrijheid is iets geweldigs, maar wij kunnen haar verliezen. De morele opvoeding is een aankweken van vrijheid door middel van voorstellen, motiveringen, praktische toepassingen, prikkels, beloningen, voorbeelden, modellen, symbolen, reflecties, aansporingen, herzieningen van een handelwijze en dialogen die de personen helpen de innerlijke stabiele principes te ontwikkelen die ertoe kunnen aanzetten het goede spontaan te doen. De deugd is een overtuiging die in een innerlijk en stabiel principe van handelen is veranderd. Een deugdzaam leven vormt derhalve de vrijheid, het versterkt haar en voedt haar op en vermijdt dat de persoon slaaf wordt van dwangmatige ontmenselijkende en antisociale neigingen. De menselijke waardigheid vereist immers dat ieder

"handelt in wel bewuste en vrije keuze, persoonlijk, namelijk van binnen uit bewogen een aangezet". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 17

Document

Naam: AMORIS LAETITIA
Over vreugde van de liefde
Soort: Paus Franciscus - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 19 maart 2016
Copyrights: © 2016, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / summacatholica.blogspot.nl / SRKK
Werkvert.: Dr. Jörgen Vijgen;
© 2016 'Theologie van het Lichaam' en 'De kracht van het gezin': Betsaida, 's-Hertogenbosch 2016;
Trefwoordenlijst: redactie
Bewerkt: 22 oktober 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam