• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE GEVORDERDE LEEFTIJD VERPLICHT ALS NATUURLIJKE LEVENSFASE VOOR DE SAMENLEVING
Aan de voorzitter van de Wereldassemblee van de Verenigde Naties over de problemen van het ouder worden van de bevolking, welke in Wenen, Oostenrijk, werd gehouden

Meneer de voorzitter,

Reeds bij verschillende gelegenheden heeft de Heilige Stoel met veel belangstelling en verwachtingen het initiatief van de Verenigde Naties begroet een wereldassemblee Deze assemblee kwam in Wenen, Oostenrijk bijeen van 26 juli-6 augustus. Er nam ook een delegatie van de Heilige Stoel aan deel onder leiding van mgr F. Cox Huneeus, secretaris van de Pauselijke Raad voor het gezin (red.). te bevorderen over het probleem van het ouder worden van de bevolking en de gevolgen daarvan voor iedereen en dus ook voor de samenleving. Sinds deze onderneming haar beslag kreeg, maken we de verruiming en verdieping mee van een bewustwording van het demografisch verschijnsel van onze tijd, dat de landen en de internationale samenleving verplicht zich vragen te stellen over het lot, de behoeften, de rechten en de bijzondere vermogens van de oudere generaties, waarvan het aantal toeneemt. Behalve tot de personen moet deze bezinning zich uitstrekken tot de organisatie zelf van de samenleving ten aanzien van deze laag van haar bevolking.

De aandachtige bestudering van de voorbereidingswerkzaamheden voor deze wereldassemblee en van het huidige actieplan, dat aan een onderzoek van alle lidstaten van de Verenigde Naties is onderworpen, doet verschillende punten naar voren komen, die een bijzondere instemming vinden van de kant van de Heilige Stoel. Ik ben zo vrij ze aan te halen: de aandacht welke aan de bejaarden als zodanig wordt geschonken en aan de hoedanigheid van hun leven vandaag; het respect voor hun rechten actieve leden te blijven in een samenleving die zij hebben meehelpen opbouwen; de wil een sociale organisatie te bevorderen waarin iedere generatie zijn bijdrage kan leveren in verbondenheid met anderen; het beroep tenslotte op de vindingrijkheid van ieder sociaal-cultureel milieu, opdat er bevredigende antwoorden worden gevonden voor de handhaving van bejaarden in werkzaamheden die beantwoorden aan hun grote verscheidenheid van herkomst en opleiding, bekwaamheden en ervaringen, cultuur en geloof. De bovenvermelde thema's maken reeds duidelijk, dat het niet over abstracte of louter technische problemen gaat, maar wel over het lot van menselijke personen met hun bijzondere geschiedenis, welke is gevormd uit gezinswortels, sociale banden, beroepssuccessen of -mislukkingen, die hun leven hebben getekend en nog tekenen.

Aan uw belangrijke assemblee welke zich over deze werkelijkheden buigt om ze grondig te bestuderen en er concrete en verstandige oplossingen voor te vinden, zou de kerk de bijdrage van haar bezinning, ervaring en geloof in de mens willen leveren. Praktisch stelt zij u haar menselijke en christelijke kijk op de ouderdom voor, haar overtuiging omtrent het gezin of instellingen met een gezinskarakter als de meest geschikte plaatsen voor de ontplooiing van de bejaarden en haar steun aan de belangstelling van de hedendaagse samenleving voorde dienst aan oudere generaties. 

Ik herinner me met ontroering mijn H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
In de beproevingen van de ouderdom vergezeld u Christus op de kruisweg
Tot de bejaarden in de Liebfrauendom van M√ľnchen, Bondsrepubliek Duitsland
(19 november 1980)
. Ik heb toen benadrukt, dat de menselijke ouderdom een natuurlijk stadium van het bestaan is en dat zij er in het algemeen de bekroning van moet zijn. Deze kijk veronderstelt duidelijk, dat de ouderdom -wanneer iemand haar bereiktmoet worden begrepen als een element, dat zijn bijzondere waarde heeft voor het innerlijkste van alles van het menselijk leven,enzij vereist eveneens een nauwkeurig begrip van de persoon, die tegelijk lichaam en ziel is. In dit perspectief spreekt de bijbel dikwijls met respect en bewondering over de vergevorderde leeftijd of over de bejaarden. Het boek Ecclesiasticus begint bijvoorbeeld, wanneer het de wijsheid heeft geprezen welke verbonden is met de grijze haren (Sir. 25, 4-6), een lange lofrede op de voorouders van wie 'de lichamen in vrede zijn begraven, terwijl hun naam blijft van geslacht tot geslacht'. Vgl. Sir. 44-51 En het Nieuwe Testament is vervuld van eerbied voorde ouderen. De heilige Lucas schildert met ontroering het beeld van de grijsaard Simeon en de profetes Hanna, die Christus in de tempel ontvangen. En in de tijd van de eerste christelijke gemeenschappen zien wij de apostelen oudsten aanwijzen om over hun jonge stichtingen te waken. De kerk wenst vurig, dat het actieplan openstaat voor deze opvatting van de ouderdom, welke niet alleen wordt beschouwd als een onverbiddelijk proces van biologisch verval of een periode welke losstaat van de andere seizoenen van het bestaan, maar als een mogelijke fase van de natuurlijke ontwikkeling van het leven, waarvan zij de voltooiing vertegenwoordigt.

Het leven is waarlijk een gave van God aan de mensen, die door liefde naar zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen. Dit begrip van de onaantastbare waardigheid van de menselijke persoon brengt ertoe aan alle mijlpalen in het leven een waarde toe te kennen. Dat is een kwestie van verband en rechtvaardigheid. Het is namelijk onmogelijk het leven van een oude mens werkelijk te waarderen, zonder werkelijk het leven van een kind vanaf het begin van zijn ontvangenis te waarderen. Niemand weet hoever men zou kunnen gaan, wanneer het leven niet meer zou worden gerespecteerd als een onvervreemdbaar en onaantastbaar goed. Met de Congregatie voor de Geloofsleer in haar Congregatie voor de Geloofsleer
Iura et Bona
Verklaring over euthanasie
(5 mei 1980)
moet daarom krachtig worden bevestigd, dat 'volstrekt niemand op enigerlei wijze kan toestaan dat een onschuldig menselijk wezen wordt gedood, of het nu een foetus is of een embryo, een kind of een volwassene, een bejaarde, ongeneeslijk zieke of iemand die in doodsstrijd verkeert. .. Het gaat hierbij om een schending van de goddelijke wet, een aanslag op de waardigheid van de menselijke persoon, om een misdaad tegen het leven, een misdrijf tegen de mensheid'. Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring over euthanasie, Iura et Bona (5 mei 1980), 2 Het is zeer goed er nog aan toe te voegen wat dezelfde verklaring zei over het gebruik van therapeutische middelen: 'In onze tijden is het van groot belang dat het ogenblik van de dood de waardigheid van de menselijke persoon en de christelijke betekenis van het leven intact laat, doordat men zich hoedt voor een zekere 'vertechnisering', zoals men dat noemt, die het gevaar voor misbruik met zich brengt'. Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring over euthanasie, Iura et Bona (5 mei 1980), 4 De dood maakt deel uit van onze menselijke horizon en geeft er zijn werkelijke en mysterievolle dimensie aan. De hedendaagse wereld, vooral in het Westen, moet leren de dood opnieuw in het menselijk leven op te nemen. Wie kan voor zijn medemensen niet wensen en voor zichzelf verlangen om deze laatste daad van het aardse bestaan in waardigheid en gemoedsrust te aanvaarden en op zich te nemen, hetgeen zeker mogelijk is voor gelovigen?

Ik zou nu met u de kenmerkende eigenschappen van de vergevorderde leeftijd willen beschouwen. De eerste zijn pijnlijk, moeilijk te aanvaarden, vooral wanneer men alleen is. De andere zijn een bron van rijkdom voor zichzelf en voor anderen. Samen maken ze deel uit van de menselijke ervaring van hen die vandaag oud zijn en van hen die het morgen zullen zijn.

De grondaspecten van de derde en vierde leeftijd houden natuurlijk de verzwakking in van de lichameljjke krachten, minder beweeglijkheid van de geestelijke vermogens, een geleidelijk afnemen van de werkzaamheden waaraan men gehecht was, ziekten en gebrekkigheden die onverwachts opkomen, het vooruitzicht van affectieve scheidingen welke het vertrek naar het hiernamaals meebrengt. Deze pijnlijke kenmerken kunnen worden omgevormd door filosofische overtuigingen en vooral door de zekerheden van het geloof voor hen die het geluk hebben te geloven. Voor deze laatsten kan de laatste etappe van het aardse leven namelijk worden beleefd als een mysterievol vergezellen van Christus, de Verlosser, door zijn smartelijke kruisweg af te leggen voor het stralende begin van pasen. Maar, ruimer kan men verklaren, dat de manier waarop een beschaving de hoge leeftijd en de dood aanvaardt als een basiselement van het leven en de manier waarop zij haar bejaarde leden helpt hun dood te beleven, een beslissende maatstaf zijn voor het respect dat ze de mens toedraagt.

De weldadige aspecten van de ouderdom bestaan eveneens. Het is de tijd dat mannen en vrouwen de ervaring van heel hun leven kunnen oogsten, onderscheid kunnen maken tussen het bijkomstige en wezenlijke, een niveau van grote wijsheid en diep inzicht bereiken. Het is de tijd dat zij over veel tijd beschikken, en zelfs over al hun tijd, om van hun gewone of toevallige omgeving te houden meteen onbaatzuchtigheid, een geduld en een bescheiden vreugde, waarvan zoveel bejaarden bewonderenswaardige voorbeelden geven. Het is voor de gelovigen ook een hoogst gelukkige gelegenheid over de schoonheid van het geloof na te denken en meer te bidden.

De rijkdom van deze waarden en hun voortbestaan zijn gebonden aan twee onverbrekelijke voorwaarden. De eerste vereist van de bejaarden zelf, dat zij hun ouderdom diep aanvaarden en de mogelijke rijkdommen ervan waarderen. De tweede voorwaarde hangt van de hedendaagse samenleving af. Ze moet weer in staat zijn de morele, affectieve en religieuze waarden te erkennen, die de geest en het hart van bejaarden bewonen en ze moet werken aan hun opneming in onze beschaving, welke een verontrustend verschil duldt tussen haar technisch niveau en haar ethisch niveau. De bejaarden kunnen namelijk niet alleen maar moeilijk in een wereld leven, die zich niet bewust is geworden van haar geestelijke dimensie. Zij komen ertoe zichzelf onder te waarderen, wanneer zij zien, dat de rendabiliteit van de burgers voorrang boven alles heeft en dat de andere rijkdommen van de menselijke persoon worden genegeerd of geminacht. Een dergelijk klimaat gaat tegen de ontplooiing en rijkdom van de ouderdom in en veroorzaakt noodzakelijk het terugtrekken op zichzelf, het pijnlijk gevoel van onbruikbaarheid en tenslotte van wanhoop. Maar ook moet benadrukt worden, dat heel de samenleving zich berooft van verrijkende en ordenende elementen, wanneer zij het waagt alleen maar haar jonge en volwassen leden in het volle bezit van hun krachten als deugdelijk voor haar ontwikkeling te erkennen en de anderen onder de niet-productieven te rekenen, terwijl talrijke ervaringen en verstandige gedragingen het tegendeel bewijzen.

In mijn apostolische exhortatie H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Familiaris Consortio
Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd
(22 november 1981)
heb ik in het licht van de goddelijke oorsprong van het gezin eraan herinnerd, dat zijn wezen en taken worden bepaald door de liefde: 'gesticht als intieme gemeenschap van leven en liefde ... ontvangt het gezin de zending de liefde te bewaren, te openbaren en mede te delen ... Alle leden van het gezin, ieder volgens eigen gaven, hebben de genade en de verantwoordelijkheid om dag na dag de omgang van de personen met elkaar op te bouwen en om van het gezin een 'school van meer volmaakte en rijkere menselijkheid' te maken'. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 17.21  

Dit staat ons toe de mogelijkheden te vermoeden welke door het gezin aan de bejaarden worden geboden zowel door de trouwe steun welke zij er terecht van verwachten als voor hun mogelijke inbreng voor zijn leven en zending. Het is wel waar, dat de voorwaarden om bejaarden in het gezin van hun kinderen of van andere verwanten op te nemen niet altijd bestaan en dat deze opneming soms zelfs onmogelijk blijkt. Dan moet een andere oplossing worden overwogen op voorwaarde dat door de kinderen of andere leden van het gezin geregelde en hartelijke banden worden onderhouden met hem of haar die een bejaardenhuis heeft moeten betrekken. Dit gezegd zijnde, is het heel zeker, dat de bejaarden, wanneer zij te midden van de hunnen blijven, hen met de altijd vereiste gepastheid en bescheidenheid kunnen doen profiteren van de genegenheid en wijsheid, het begrip en de inschikkelijkheid, de raad en de steun, het geloof en het gebed, welke meestal de charisma's van de levensavond zijn. Door zich zo te gedragen, dragen zij eveneens bij om vooral door hun voorbeeld gedragingen in ere te houden die vandaag dikwijls gedevalueerd zijn, zoals het luisteren, het wegcijferen van zichzelf, de gemoedsrust, het belangeloze geven, de innerlijkheid, de bescheiden en uitstralende vreugde ... Ook zou nog benadrukt moeten worden, dat de gewoonlijke of toevallige aanwezigheid van bejaarden te midden van de hunnen dikwijls een kostbare factor is tot ontmoeting en begrip tussen de generaties die noodzakelijk verschillend zijn en elkaar aanvullen. Zo kan dit nauwer toehalen van het gezinsleven welke ik voor de geest heb geroepen, en overeenkomstig de mogelijke wijzigingen, een bron van evenwicht en spiritualiteit zijn voor deze fundamentele cel van heel de samenleving, en welke de meest uitgesproken naam in alle talen van de wereld draagt: 'de familie'. 

Met de huidige demografische ontwikkeling ziet de samenleving een nieuw werkterrein opengaan in dienst van de menselijke persoon om aan de bejaarden de plaats te verzekeren welke hun in de burgergemeenschap toekomt en hun bijzondere bijdrage aan haar ontwikkeling bevorderen.

De oudere generaties die zich in bepaalde wetssystemen en sociale systemen steeds vroeger zien teruggenomen uit de kringloop van de economische productie, stellen zich - soms met angst - vragen over de plaats en functie welke dit soort nieuwe samenleving voor hen overlaat. Waarvoor zullen zij deze voortijdige pensionering die hen wordt opgelegd, gebruiken? Verwacht de huidige samenleving voor haar ontwikkeling en oriëntatie nog iets van haar bejaarde, gepensioneerde leden?

Het blijkt, dat de hele samenleving, en natuurlijk haar verantwoordelijken, tegenover dit nieuwe en veelomvattende probleem ernstig geschikte oplossingen moeten overwegen om aan de verlangens van de bejaarden te beantwoorden. De oplossingen mogen niet van een enkele soort zijn. Indien het normaal is dat de samenleving de handhaving van de bejaarden in hun gezin en hun leefmilieu bevordert, wanneer deze oplossing mogelijk en wenselijk blijkt te zijn, moeten andere middelen worden geboden aan de derde en vierde leeftijd. Op dit gebied moet een samenleving welke zich werkelijk bewust is van haar verplichtingen jegens de generaties die hebben bijgedragen de geschiedenis van het land te maken, geëigende instellingen opzetten. En om in het verlengde te blijven van wat de bejaarden hebben gekend en beleefd, is niets wenselijker dan dat deze instellingen een gezinsmodel hebben, dat wil zeggen, dat ze zich inspannen de bejaarden de menselijke warmte te geven welke voor elk tijdstip van het leven zo noodzakelijk is, maar vooral voor het stadium van de hoge ouderdom, maar eveneens een zekere zelfstandigheid welke verenigbaar is met de onvermijdelijkheden van het gemeenschappelijke leven, een waaier van activiteiten die overeenkomt met hun lichamelijke vermogens en vakbekwaam heden en kortom al Ie verzorgingen die door de gevorderde leeftijd worden vereist. Er bestaan reeds verwezenlijkingen van dit soort. Maar ze moeten ongetwijfeld ontwikkeld worden. U staat me toe dienaangaande te herinneren aan het liefdadigheidswerk van de kerk door zoveel instellingen voor bejaarde mensen, en sedert zo lang. Dat zij gewaardeerd en aangemoedigd mogen worden! Het strekt een samenleving in hoge mate tot eer, wanneer zij in respect voor de bejaarden en de verschillende instellingen die hen opvangen, deze wegen in dienst van de mens beter doen samengaan.

Het lijkt me nuttig kort nog enkele nieuwe diensten voor de geest te roepen, welke de samenleving aan gepensioneerden en bejaarden zou kunnen verlenen om hen een plaats en een rol in de menselijke gemeenschap te verzekeren. Ik denk aan de voortdurende vorming die in verschillende landen in praktijk wordt gebracht en ontwikkeld voor degenen die er hun voordeel mee willen doen, niet alleen als persoonlijke verrijking, maar ook als mogelijkheden tot aanpassing en deelneming aan het dagelijks leven van de samenleving. De ouderen bezitten werkelijk reserves aan kennis en ervaring die bijgehouden en zelfs aangevuld door een goed aangepast proces van voortdurende vorming, zouden kunnen worden belegd in sectoren vanaf opvoeding tot bescheiden sociaal-charitatieve diensten. Op dit vlak zouden nieuwe initiatieven kunnen worden gezocht met de belanghebbenden zelf of met de verenigingen die hen vertegenwoordigen. Ik denk ook, dat de samenleving op middelen moet zinnen om, zorgvuldig rekening houdend met de individuele capaciteiten van de bejaarden en de sterk verschillende situaties op de continenten, de mogelijkheid te scheppen van een zekere verscheidenheid van activiteiten. Tussen vervelende eenvormigheid en voortdurende invallen, is het mogelijk een verstandige verbinding te vinden tussen beroepswerk en ander werk, lezen of zelfs studeren, vrije tijd, vrije of georganiseerde ontmoetingen met andere personen en andere milieus, tijden van rustige en biddende overdenking. Een dienst welke de samenleving ook nog aan de bejaarde generaties kan verlenen, is de oprichting aanmoedigen van verenigingen voor bejaarden, wanneer daar plaats voor is, en de reeds bestaande ondersteunen. Ze hebben reeds vruchten gedragen door hen die het stadium van de pensionering en de ouderdom bereikten uit het isolement en de pijnlijke indruk te halen voortaan overbodig te zijn. Dergelijke verenigingen moeten worden erkend door de verantwoordelijken van de samenleving als de stem van de bejaarden, en onder hen van degenen die de meest behoeftigen zijn. Ik denk tenslotte aan de rol welke de sociale communicatiemiddelen, vooral de televisie en de radio zouden kunnen en moeten spelen om een nauwkeuriger en ander beeld te verbreiden van de hoge leeftijd, van haar mogelijke bijdrage aan de vitaliteit en evenwichtigheid van de samenleving. Dit vereist, dat de verantwoordelijken van de televisie en de pers overtuigd zijn van een begrip van het menselijk leven of dat tenminste respecteren, dat niet alleen gebaseerd is op zijn economisch en louter materieel nut, maar op de volledige betekenis ervan, welke ontwikkelingen kent en een bewonderenswaardige ontplooiing tot aan het einde van het aardse traject, vooral wanneer de omgeving een dergelijke mogelijkheid bevordert.

Aan het eind van deze overwegingen en suggesties rest mij, meneerde voorzitter, te wensen, dat de besluiten van de wereldassemblee van Wenen over het probleem van de ouderdom geleidelijk overvloedige en duurzame vruchten dragen. Op dit gebied, zoals op vele andere welke reeds door de assemblee van de Verenigde Naties zijn bestudeerd en bevorderd, het kind, de wereld van de gehandicapten, enz., gaat het tenslotte om het heden en de toekomst van de menselijke beschaving. Elke cultuur, op welk continent of in welk land ook en in elk tijdperk van de geschiedenis, kan zijn waarde en uitstraling slechts ontlenen aan de voorrang welke altijd aan de algehele ontwikkeling van de menselijke persoon wordt gegeven vanaf de eerste tot de laatste etappe van zijn aardse loopbaan, en dat in tegenstelling met de verleiding van een samenleving die duizelig is geworden van het produceren van dingen en het verbruik ervan. Mogen de verantwoordelijken van de huidige wereld samenwerken voor een werkelijke ontwikkeling van de mens, en hun volken in dit spoor mee voeren. Dit is niet alleen het voorwerp van mijn vurige wensen, maar ook van mijn voortdurend gebed tot God, de bewerker van alle goeds. 

Document

Naam: DE GEVORDERDE LEEFTIJD VERPLICHT ALS NATUURLIJKE LEVENSFASE VOOR DE SAMENLEVING
Aan de voorzitter van de Wereldassemblee van de Verenigde Naties over de problemen van het ouder worden van de bevolking, welke in Wenen, Oostenrijk, werd gehouden
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Boodschap
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 22 juli 1982
Copyrights: © 1982, Teksten uit de R.K. Kerk (5), uitg. De Horstink, Amersfoort
Vert.: Archief van de Kerken
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam