• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

NATUURWET EN POSITIEVE WETTEN IN DE CHRISTELIJKE LEVENSBESCHOUWING

Moeilijke vraagstukken

Geliefde zonen en dochters! -

Onze bezinning op de leer van het Concilie over de mens als zedelijk wezen voert ons tot een tweetal opmerkingen. Beide zijn welbekend, maar hebben thans meer dan ooit herijking en verduidelijking nodig. Deze opmerkingen betreffen het bestaan van de natuurwet en dat van een originele christelijke zedenwet.

Het is duidelijk dat de wet van het handelen, de zedenwet, voortvloeit uit het zijn van de mens; van het 'zijn' hangt namelijk het 'moeten-zijn' af. Welnu, wat is de mens? Wat voor iemand is de Christen? Men moet enig begrip hebben (althans een instinctief, intuïtief) van 's mensen natuur om te weten hoe hij moet handelen; en men moet minstens een algemene notie hebben van de mens, die Christen is geworden, om te weten hoe hij zich als Christen moet gedragen.

Dit zijn eenvoudige woorden, maar zij hebben betrekking op bijzonder moeilijke en ingewikkelde vraagstukken. Hierop kunnen wij u thans zeker geen evenredige en volledige antwoorden geven. Wij duiden de oplossingen veeleer aan, opdat gij zoudt weten dat de morele vraagstukken, die door het Concilie naar voren werden gebracht - en nog meer nog door de wirwar van meningen en moderne ervaringen daarbuiten -, waard zijn dat eenieder, die waarachtig mens en waarachtig Christen wil zijn, ze opnieuw onderzoekt en zich een duidelijke en soliede overtuiging daarover vormt. 

De natuurwet is ingeboren

Wij stellen hier slechts enkele vragen. Vooreerst deze: bestaat er werkelijk een natuurwet? De vraag schijnt naïef, zó gemakkelijk en zeker schijnt het antwoord, Maar naïef is zij bepaald niet, als men denkt aan de tegenwerpingen, die men vandaag de dag van zoveel zijden tegen het bestaan van een natuurwet maakt. En ten dele begrijpt men het waarom. Waar de kijk op de mens zelf vervaagde en veranderingen onderging, daar ontstaan ook verwarring en wijzigingen in de kijk op zijn leven, zijn handelen, zijn zedelijk wezen.

Maar voor ons, Christenen, ligt de zaak enigszins anders. Dank zij eigen nadenken - daarbij voorgelicht, als u wilt, door stralen van christelijke wijsheid ·, geloven wij de aloude stelregel: 'Ken uzelf', waar te kunnen maken. Het innerlijk gevoelen van ons geweten, en méér nog het licht van de rede, zeggen ons dat wij onderworpen zijn aan een wet - een recht en een plicht tegelljk -, die voortspruit uit ons wezen zelf, uit onze natuur. Zij is geen geschreven, maar een 'beleefde' wet; "niet ten opgetekende, maar een ingeboren wet" (Cicero). Het is de wet, welke St. Paulus ook bij de heidenen, die buiten het licht der goddelijke openbaring leven, vaststelt wanneer hij zegt dat zij "zichzelf tot wet zijn" (Rom. 2, 14).

Overigens wordt in deze tijd van hervorming en 'contestatie' niemand er sterker dan wij aan herinnerd, dat de geheime drijfveer van de onrust op ethisch gebied niet zelden voortkomt uit het appèl - tegen de bestaande wetgeving in - op een hoger en menselijker recht. Het betreft een recht dat nog niet in wetten werd vastgelegd, maar dat niettemin krachtig opkomt uit de innerlijke ontdekking (juist of onjuist uitgelegd) van een wet, die zich met beslistheid wil uiten en beamen: de natuurwet.

Wij zijn nog altijd gevoelig voor het klassieke, vreselijke conflict van de Griekse tragedie, dat zich weerspiegelt in het zwak, maar oprecht-menselijk hart van Antigone, dat in opstand komt tegen de mateloze tirannie van Kreon. Wij zijn, méér dan ooit, verdedigers van de persoonlijkheid en de menselijke waardigheid. En waarom? Omdat wij in de mens een wezen erkennen, dat aanspraak maakt op een 'moeten-zijn', en wel krachtens een veeleisend beginsel, dat wij de natuurwet noemen.

Het 'rijk' van de genade

Een tweede vraag: Is deze natuurwet voldoende (helder en krachtig) om de mens in zijn sociaal leven tot gids te dienen? Neen, zij is niet voldoende daartoe; allereerst niet, als zij geen uitdrukkelijke wet wordt, op een of andere manier gecodificeerd en sociaal van aard. Zij heeft er geen behoefte aan geformuleerd te worden, zowel uitdrukkelijk gekend en erkend, als door een wettig gezag bekrachtigd te worden. Tot dit doel zijn er wetgevers, die juist de vertolkers moeten zijn van een natuurlijk (waarachtig of vermeend) recht, evenals de 'vertalers' ervan in openbare burgerlijke normen.

Maar vervolgens is de natuurwet in het bijzonder niet voldoende voor ons, Christenen. Wij zijn immers door de goddelijke openbaring bekend geworden met de bovennatuurlijke bestemming van de mens, met de droevige gevolgen van de erfzonde, met de wedergeboorte die Christus ons schenkt om tot de integratie en de volheid van ons leven te komen door het zijne. Voor ons is de wet van de genade nodig, met haar eigen economie, haar eigen 'rijk', waarin als regel de Kerk ons binnenvoert en vormt. Christus is noodzakelijk. Leven overeenkomstig zijn Woord en zijn Geest is onze redding.

Natuurwet en genadewet

Vervolgens rijst hier nog een andere vraag: Welke verhouding bestaat er tussen de twee genoemde wetten, die der natuur en die der genade? Erkennen zij elkaar of niet? Vormen zij soms een tegenstelling? Of vullen zij elkaar aan? Al te veel dingen zouden er over dit onderwerp te zeggen zijn. Gaarne verwijzen wij op dit ogenblik voor een eerste antwoord naar het Concilie, dat in tal van zijn geschriften het volgende naar voren brengt: De christelijke levensbeschouwing erkent de geldigheid en het bindend karakter van de natuurwetten en ook van de burgerlijke wetten die in gene hun grondslag hebben en die wij juist om die reden rechtvaardig noemen.

Stellen wij om tevreden met deze aanhaling:

"Velen van onze tijdgenoten schijnen te vrezen, dat door te nauwe verbondenheid van de wereldlijke activiteiten van de mens en de godsdienst de autonomie van mensen, gemeenschappen of wetenschappen belemmeringen ondervindt. Als wij onder autonomie van het aardse verstaan, dat de geschapen dingen en de gemeenschappen zelf eigen wetten en waarden bezitten die, door de mens stap voor stap onderkend, moeten worden aangewend en geordend, dan is het alleszins geoorloofd deze als eis naar voren te brengen, want dit wordt niet alleen gevraagd door de mensen van onze tijd, maar dit stemt ook overeen met de wil van de Schepper. Vanwege het feit immers, dat alle dingen zijn geschapen, hebben ze een eigen bestand met een eigen waarheid en goedheid, hebben ze ook eigen wetten en structuren, waarvoor de mens respect moet hebben, door de eigen methodieken van de verschillende wetenschappen of technieken te erkennen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36

Vandaar dit tweede antwoord: De wet die eigen is aan het mens-zijn, de natuurwet, en de wet die eigen is aan het Christen-zijn, de genadewet, d.w.z. het leven uit het geloof en de liefde, het genadeleven, kunnen en moeten elkaar aanvullen in de praktijk en in de groei der christelijke deugden, om aldus de mens zijn volmaakte vorm te kunnen geven. Cfr. SCHÜLLER, La théologie morale peut-elle se passer du droit naturel? in Nouv. Rev. Théol., mai 1966; FUCHS, Teologia e vita morale alla luce del Vaticano II, 1968

Ziehier nog twee aánvullende vragen. Vooreerst deze: Moet de Christen zich al dan niet onderscheiden in het beoefenen van de fundamentele natuurlijke deugden, zoals bijvoorbeeld van de oprechtheid en de rechtvaardigheid? Jazeker moet hij dat! Het is zelfs te hopen, dat de christelijke opvoeding van de jeugd steeds meer gericht zal zijn op het besef en op het beoefenen van de natuurlijke deugden, zoals met name op de waarachtigheid in woord en daad. evenals ook op de trouw inzake de rechtvaardigheid, in het bijzonder in de sociale betrekkingen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 30 En hetzelfde geldt ook van de overige natuurlijke deugden, die volgens de traditionele indeling de kardinale deugden genoemd worden. Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Officiis Ministrorum. 1, 27

Wij verheugen er ons dan ook over, bij de hedendaagse jeugd een krachtig en fier appèl te ontmoeten op deze fundamentele zedelijke beginselen, die aan het leven zijn authentieke en oprecht-menselijke gestalte verlenen. Ook moeten wij eraan toevoegen, dat deze ernstige poging om het waarachtige mensenbeeld te verwezenlijken een sterke stimulans, ja de kracht tot een bovenmenselijke roeping, kan vinden in de eisen van het Evangelie, heel bijzonder in die aanspraken, welke betrekking hebben op persoonlijke strengheid en op de menselijke betrekkingen. Dit streven is een der mooiste verschijnselen bij de nieuwe generatie, een der hoopvolle uitzichten op een betere toekomst.

De plicht tot zedelijke vooruitgang

De andere vraag (de laatste voor het ogenblik) stelt het probleem van de dynamiek der natuurlijke en christelijke zedenwet, namelijk deze: Is hier een voortdurende vooruitgang mogelijk? - Inderdaad, zedelijke ontwikkeling blijft steeds mogelijk; zij is zelfs een voortdurende plicht, maar altijd met behoud van dezelfde beginselen en fundamentele normen. De toepassing van de zedenwet is immers steeds voor vervolmaking vatbaar, De mens is altijd 'in fieri', in wording, hetzij om meer mens te worden in de dynamische zin van zijn wezensbepaling, hetzij om volmaakt te worden in de zin van het Evangelie, d.w.z. heilig.

De ware geschiedenis van de mens is die van zijn opvoeding of vorming; van zijn 'emancipatie', zoals Tommaseo (gest. 1874) zegt; van zijn 'bevrijding', zoals de wereld van vandaag het dikwijls dubbelzinnig uitdrukt. Alles ligt immers vervat in de vraag welke soort van bevrijding het is, die aan de mens de volheid van zijn wezen verleent. En wat van de individuele persoon geldt, dat kunnen wij ook zeggen van de menselijke maatschappij, van de beschaving. Zij moet zich in een voortdurend proces van zedelijke ontwikkeling bevinden; en deze evolutie moet tegelijk menselijk en christelijk zijn; hetgeen dan verder ook culturele, sociale, economische enz. vooruitgang wil zeggen.

Dit alles betekent uiteindelijk, dat de ware motor van ons bestaan de plicht is. Deze draagt voor ons, Christenen, nog een krachtigere en intiemere naam: liefde. Jezus zeide het aldus: "Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart; en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet" (Mt. 22, 37-40).

Document

Naam: NATUURWET EN POSITIEVE WETTEN IN DE CHRISTELIJKE LEVENSBESCHOUWING
Soort: H. Paus Paulus VI - Audiëntie
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 18 maart 1970
Copyrights: © 1978, Op audiëntie bij de Paus, Uitg. van Spijk, Venlo, blz. 159-163
Vert.: Dr. A. Emmen ofm en rector L.H. Geelen pr.; alineaverdeling en nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam