• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE VASTSTELLING EN DE ONTDEKKING VAN DE ECHTELIJKE BETEKENIS VAN HET LICHAAM
Theologie van het Lichaam,
Deel 1, De oorspronkelijke eenheid van man en vrouw,
catechese over het Boek Genesis
nr. 14

Bij het lezen en analyseren van het tweede scheppings­verhaal, de jahwistische tekst dus, moeten wij ons afvragen of de eerste 'mens ('adam) in zijn oorspron­kelijke eenzaamheid de wereld werkelijk als een gave 'beleefde', in een houding dus die past bij de effectieve omstandigheid van iemand die - zoals uit het eerste hoofdstuk blijkt - een gave heeft gekregen. Het tweede verhaal nu toont ons de mens in 'de tuin van Eden' vgl. Gen. 2, 15; maar men dient op te merken dat zelfs in die situatie van oorspronkelijk geluk, de Schepper zelf (Jahwe-God) en vervolgens ook de mens - in plaats van het aspect te beklemtonen dat de wereld als een voor de mens subjectief gelukkig maken de gave is geschapen vgl. het eerste verhaal en met name Genesis 1, 26-29, - erop wijzen dat de mens 'alleen' is.

Wij hebben de betekenis van de oorspronkelijke eenzaamheid al geanalyseerd, maar nu dient echter noodzakelijk opgemerkt te worden dat in dit goede voor het eerst duidelijk een leemte blijkt te bestaan: 'Het is niet goed dat de mens (man) alleen is,' zegt Jahwe-God. 'Ik ga een hulp voor hem maken ... ' (Gen. 2, 18). De eerste 'mens' zegt hetzelfde; nadat hij terdege zijn eigen eenzaamheid is gaan beseffen midden tussen alle wezens die op aarde leven, ziet ook hij uit naar een 'hulp die bij hem paste' (vgl. Gen. 2, 20). Want geen van deze wezens (animalia) biedt de mens de basisvoorwaarden die het mogelijk maken om met hem in een relatie van wederkerige gave te leven.

De gave: mysterie van het gelukkig makend begin
Zo schijnen deze twee woorden, het bijvoeglijk naamwoord 'alleen' en het zelfstandig naamwoord 'hulp' dus echt de sleutel te vormen om op het niveau van de mens de eigenlijke essentie te begrijpen van de gave als existentiële inhoud die opgesloten ligt in de waarheid van het 'beeld van God'. De gave onthult namelijk een bijzondere karakteristiek van het bestaan als persoon of liever gezegd van de eigenlijke essentie van de persoon. Wanneer Jahwe-God zegt: 'Het is niet goed dat de mens alleen blijft' (Gen. 2, 18), dan zegt hij dat de mens die essentie 'alléén' niet helemaal waarmaakt. Hij maakt die slechts waar als hij 'samen met iemand' bestaat - en dieper nog en vollediger als hij 'voor iemand' bestaat.

Die bestaansnorm als persoon staat in het boek Genesis aangegeven als karakteristiek van de schepping, juist door de betekenis van deze twee woorden 'alleen' en 'hulp'. Door deze woorden wordt aangegeven hoe fundamenteel en constituerend de relatie en de gemeenschap van personen voor de mens zijn. Gemeenschap van personen betekent 'voor' elkaar bestaan, in een relatie van wederzijdse gave. En die relatie is juist de vervulling van de oorspronkelijke eenzaamheid van de 'mens'.

Die vervulling is in haar oorsprong gelukkig makend. Zij is ongetwijfeld mee inbegrepen in het oorspronkelijk geluk van de mens, en zij maakt juist het geluk uit dat behoort tot het mysterie van de uit liefde gebeurde schepping, dat wil zeggen dat zij behoort tot het eigenlijke wezen van de scheppende gave. Wanneer de 'man', uit zijn genetische diepe slaap ontwaakt, de uit hem genomen 'vrouw' ziet, zegt hij: 'Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees' (Gen. 2, 23); in zekere zin drukken deze woorden het gelukkig makend begin van het bestaan van de mens in de wereld uit. Juist het feit dat dit 'in het begin' gebeurd is, bevestigt het individualisatieproces van de mens in de wereld en maakt dat het juist uit de diepte van de menselijke eenzaamheid is voortgekomen dat hij als persoon leeft tegenover alle andere schepsels en alle andere levende wezens (animalia).

Ook dat 'begin' behoort dus tot een adequate antropologie en kan altijd op basis daarvan geverifieerd worden. Die zuiver antropologische verificatie brengt ons tegelijkertijd tot het thema van de 'persoon' en tot dat van het 'lichaam als sekse'.

Die gelijktijdigheid is essentieel. Als wij namelijk de sekse zouden behandelen zonder de persoon, zou het 'adequaat' karakter van de antropologie die we vinden in het boek Genesis geheel en al verdwijnen. En in onze theologische studie zou dan het essentiële licht van de openbaring van het lichaam dat in deze eerste bevestigingen zo helder doorschijnt, versluierd blijven.

Er is een zeer sterke band tussen het mysterie van de schepping als gave die voortvloeit uit de liefde en dat gelukkig makend 'begin' van het bestaan van de mens als man en vrouw, in heel de waarheid van hun lichaam en hun sekse, die louter en alleen de waarheid is van een gemeenschap tussen de personen. Toen de eerste man bij het zien van de eerste vrouw uitriep: 'Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees' (Gen. 2, 23), bevestigde hij gewoon de menselijke identiteit van beiden. Met die uitroep schijnt hij te zeggen: eindelijk een lichaam dat de 'persoon' uitdrukt.

Volgens een daaraan voorafgaande passage van het jahwistische verhaal kan men ook zeggen: dit 'lichaam' onthult de 'levende ziel' die de mens werd toen Jahwe-God hem het leven inblies vgl. Gen. 2, 7, waardoor zijn eenzaamheid tegenover alle andere levende wezens begon. Juist uit de diepte van die oorspronkelijke eenzaamheid stappend, rijst de mens nu omhoog naar de dimensie van de wederzijdse gave, waarvan de uitdrukkingsvorm het menselijk lichaam is (en juist daarom ook uitdrukkingsvorm van zijn bestaan als persoon) in heel de oorspronkelijke waarheid van de mannelijkheid en de vrouwelijkheid daarvan.

Het lichaam dat het vrouw-zijn uitdrukt 'voor' het man-zijn en omgekeerd het man-zijn 'voor' het vrouw-zijn, laat de wederkerigheid en de gemeenschap van personen zien. Het drukt die uit in de gave als fundamentele karakteristiek van het bestaan als persoon. Dat is dus het lichaam: een getuige van de schepping als fundamen­tele gave, dus een getuige van de liefde als bron waaruit dit 'geven' zelf ontstaan is. Het man-zijn en vrouw-zijn - de sekse dus - is het oorspronkelijke teken van een scheppende schenking, van een bewustwording bij de mens, man en vrouw, van een gave die bij wijze van spreken in de oorspronkelijke vorm wordt beleefd. En met die betekenis gaat de sekse een plaats innemen in de theologie van het lichaam.

Ontdekking van de 'echtelijke' betekenis van het lichaam
Dit gelukkig makend 'begin' van het 'zijn en bestaan' van de mens als man en als vrouw, hangt samen met de openbaring en de ontdekking van de betekenis van het lichaam die men 'echtelijk' dient te noemen. Als wij over openbaring en tegelijkertijd over ontdekking spreken, doen wij dit in verband met het specifiek karakter van de jahwistische tekst, waarin de theologi­sche draad ook antropologisch is en zelfs als een door de mens bewust beleefde realiteit naar voren treedt. Wij hebben al vastgesteld dat de woorden die de eerste vreugde uitdrukken over het gaan bestaan van de mens als 'man en vrouw' (Gen. 2, 23) onmiddellijk gevolgd worden door het vers dat hun huwelijkseenheid vaststelt (Gen. 2, 24) en vervolgens door het vers dat getuigt van de naaktheid van beiden 'die geen schaamte voor elkaar voelden' (Gen. 2, 25). Juist wegens deze veelzeggende confrontatie kunnen wij spreken over de openbaring en tevens over de ontdekking van de 'echtelijke' betekenis van het lichaam in het mysterie van de schepping.

Die betekenis (als geopenbaard, maar eveneens als bewust 'beleefd' door de mens) bevestigt terdege dat de scheppingsgave die uit de liefde voortspruit in het oorspronkelijk bewustzijn van de mens is doorgedron­gen en zo ervaring is geworden van wederzijdse gave, zoals men reeds in de oude tekst kan zien. Daarvan schijnt ook de van alle schaamtegevoel gespeende naaktheid van onze voorouders te getuigen en misschien wel heel specifiek.

Genesis 2, 24 spreekt over de finaliteit van het man- en vrouw-zijn van de mens in het leven van echtgenoten die kinderen verwekken. vgl. ook Gen. 3,20; Gen. 4, 1 Als zij zich zo nauw met elkaar verenigen dat zij 'één vlees' worden, onderwerpen zij hun mens-zijn in zekere zin aan de zegening van de vruchtbaarheid, dat wil zeggen van de voortplanting waarover het eerste verhaal spreekt. vgl. Gen. 1, 28 De mens dringt ten volle door in het bestaan met het besef van die finaliteit van zijn eigen, man- of vrouw-zijn, dat wil zeggen van zijn eigen seksualiteit. Tegelijkertijd schijnen de woorden van Genesis 2, 25 'Zij waren beiden naakt, maar zij voelden geen schaamte voor elkaar' aan die fundamentele waarheid over de betekenis van het menselijk lichaam, over zijn man-zijn en zijn vrouw-zijn, nog een andere, niet minder essentiële en fundamentele waarheid toe te voegen. Zich bewust van het voortplantingsvermogen van zijn eigen lichaam en van zijn sekse, is de mens tegelijkertijd bevrijd van de 'dwang' van zijn eigen lichaam en sekse.

Die oorspronkelijke naaktheid, die wederkerig is en tegelijk vrij van alle schaamtegevoel, drukt die innerlijke vrijheid van de mens uit. Is dit de vrijheid van het seksuele instinct? Het begrip 'instinct' houdt reeds een innerlijke dwang in, analoog aan het instinct dat de vruchtbaarheid en de voortplanting in heel de wereld van de levende wezens (animalia) stimuleert. Het ziet er echter naar uit, dat de twee teksten uit het boek Genesis, het eerste en het tweede scheppingsver­haal van de mens, het perspectief van de voortplanting genoegzaam verbinden met de fundamentele karakteris­tiek, in persoonsbetrokken zin, van het menselijk bestaan. Bijgevolg is de analogie van het menselijk lichaam en van de sekse met betrekking tot de dierenwereld - die wij 'analogie van de natuur' zouden kunnen noemen - in beide verhalen (zij het op verschillende manier) in zekere zin ook verheven tot het niveau van 'beeld van God' en tot het niveau van persoon en gemeenschap tussen personen.

Verdere analyse zal gewijd worden aan dit essentiële probleem. Voor het bewustzijn van de mens - en ook voor de moderne mens - is het belangrijk te weten dat de openbaring van de "echtelijke betekenis van het lichaam" gevonden wordt in de bijbelse teksten die spreken over het "begin" van de mens. Maar het is evenzeer van belang om precies vast te stellen wat deze betekenis wil uitdrukken.

Document

Naam: DE VASTSTELLING EN DE ONTDEKKING VAN DE ECHTELIJKE BETEKENIS VAN HET LICHAAM
Theologie van het Lichaam,
Deel 1, De oorspronkelijke eenheid van man en vrouw,
catechese over het Boek Genesis
nr. 14
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 9 januari 1980
Copyrights: © 1981, "Naar Gods beeld, man en vrouw", uitg. Nieuwe Stad, Antwerpen
Aanvullende vertalingen: Stg. InterKerk, Poeldijk
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam