• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Aan deze opmerking omtrent de christologische aard van de mariale vroomheid dient naar Ons oordeel een tweede te worden toegevoegd, namelijk deze dat in de Maria-verering ook het nodige reliëf moet worden gegeven aan een ander volstrekt wezenlijk bestanddeel van het geloof: aan de persoon en het werk van de Heilige Geest.

De theologische reflectie en de heilige Liturgie zelf hebben in feite duidelijk in het licht gesteld, hoe de heiligende werking van de Geest in de Maagd van Nazareth gerekend moet worden onder zijn tussenkomsten in de geschiedenis van het heil. Zo hebben bijvoorbeeld sommige heilige Vaders en andere kerkelijke schrijvers de heiligheid van Maria vanaf haar oorsprong zelf gezien als het werk van de Geest, die Haar (zoals zij het uitdrukken) ”als het ware boetseerde en tot een nieuw schepsel omvormde”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 56. en de schrijvers die aldaar in noot 176 worden vermeld

Daarbij bezonnen zij zich op teksten van het Evangelie als deze: ”De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen” (Lc. 1, 35); “Maria... bleek zwanger te zijn van de Heilige Geest” ; en “het kind, dat zij in haar schoot draagt, is het werk van de Heilige Geest” (Mt. 1, 18.20). Aldus zagen zij in die tussenkomst van de Geest een daad, die de maagdelijke staat van Maria aan God toewijdde en vruchtbaar maakte Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Spiritu Sancto. II, 37-38: CSEL 79, blz. 100-101 Vgl. H. Johannes Cassianus, De incarnatione Domini. II, cap. 11: CSEL 17, blz. 247-249 Vgl. H. Beda Venerabilis, Homilia. 1,3: CCL 122, blz. 18 en blz. 20; die Maria omvormde in “het Paleis van de Koning” of “de Rustplaats van het Woord” Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Institutione Virginis. cap. XII, 79: PL 16 (uitg. 1880), 339 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Epistulae. 30,3 en Epistula 42,7: aldaar, 1107 en 1175 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Expositio Evangelii secundum Lucam. X, 132: S Ch, 52, blz. 200 Vgl. H. Proclus van Constantinopel, Oratio. I, 1 en Oratio V, 3: PG 65, 681 en 720 H. Basilius van Seleucië, Oratio XXXIX, 3: PG 85, 433; H. Andreas van Kreta, Oratio IV: PG 97, 868; H. Germanus van Konstantinopel, Oratio III, 15: PG 98, 305; in ”de Tempel” of “ de Tabernakel des Heren” Vgl. H. Hieronymus, Adversus Iovinianum. I, 33: PL 23, 267 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Epistulae. 63, 33: PL 16 (uitg. 1880), 1249 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Institutione Virginis. cap. XVII, 105: aldaar, 346 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Spiritu Sancto. III, 79-80: CSEL 79, blz. 182-183 Sedulius, Hymnus “A solis ortus cardine” , vv. 13-14: CSEL 10, blz. 164; Hymnus Acathistos, str. 23: uitg. I.B. Pitra, Analecta Sacra, I, blz. 261; H. Proclus van Konstantinopel, Oratio I,3: PG 65, 684; Oratio II, 6: aldaar, 700; H. Basilius van Seleuciç, Oratio IV: PG 97, 868; H. Joannes van Damascus, Oratio IV, 10: PG 96, 677; in ”de Ark van het Verbond” of “ de Ark van de heiliging” Vgl. Severus van Antiochië, Homilia 57: PO 8, blz. 357-358; Hesychius van Jerusalem, Homilia de sancta Maria Deipara: PG 93, 1464; Chrysippus van Jerusalem, Oratio in sanctam Mariam Deiparam, 2: PO 19, blz. 338; H. Andreas van Kreta, Oratio V: PG 97, 896; H. Joannes van Damascus, Oratio VI, 6: PG 96, 672, - titels die duidelijk de geest van de Bijbel ademen.

Zich verder verdiepend in het mysterie van de Menswording, zagen de genoemde schrijvers in de geheimnisvolle band tussen de Heilige Geest en Maria een bruidelijk aspect, dat Prudentius op dichterlijke wijze aldus weergeeft ”De Maagd, die niet gehuwd was, huwt de Geest” Prudentius, Liber Apotheosis, vv. 571,572: CCL 126, blz. 97.. Ook noemden zij Maria ”het Heiligdom van de Heilige Geest” H. Isidorus, De ortu et obitu Patrum, cap. LXVII, 111: PL 83, 148; H. Hildefonsus, De virginitate perpetua sanctae Mariae, cap. X: PL 96, 95; H. Bernardus, In Assumptione B. Virginis Mariae, Sermo IV, 4: PL 183, 428; In Nativitate B. Virginis Mariae, aldaar, 442; H. Petrus Damiani, Carmina sacra et preces II, Oratio ad Deum Filium: PL 145, 921; Antiphona “Beata Dei Genitrix Maria” : Corpus antiphonalium officii, uitg. R. J. Hesbert, Roma 1970, Bd IV, n. 6314, blz. 80, een spreekwijze die reliëf geeft aan het gewijde karakter van de heilige Maagd, die een duurzame verblijfplaats van de Geest Gods is geworden.

Evenzo dieper doordringend in de leer over de Paracleet, erkenden sommigen van hen dat uit Hem, als uit een bron, de volheid van genade in Maria is voortgevloeid Vgl. Lc. 1, 28 , evenals de overvloed van gaven, die Haar sierden. Vandaar dat zij dus ook aan de Geest toeschreven: het geloof, de hoop en de liefde, die het hart van de heilige Maagd bezielden; de kracht die haar hielp om zich blijvend met de wil van God te verenigen; de sterkte die haar ondersteunden bij haar lijden onder het Kruis Vgl. Paulus Diaconus, Homilia I, In Assumptione B. Mariae Virginis: PL 95, 1567; De Assumptione sanctae Mariae Virginis, toegeschr. aan Paschasius Radbertus, nn. 31, 42, 57, 83: ed. A. Ripberger, in “Spicilegium Friburgense”, n. 9, 1962, blz. 72, 76, 84, 96-97; Eadmerus van Canterbury, De exellentia Virginis Mariae, cap. IV-V: PL 159, 562-567; H. Bernardus, In laudibus Virginis Mariae, Homelia IV, 3: Sancti Bernardi Opera, ed. J. Leclerq-H. Rochais, IV, Romae 1966, blz. 49-50.

Zo wezen zij eveneens met betrekking tot de profetische lofzang van Maria Vgl. Lc. 1, 46-55 op een bijzondere ingeving van dezelfde Geest, die weleer door de profeten had gesproken Vgl. Origenes van Alexandrië, Preken over Lucas, In Lucam Homilia. VII, 3: PG 13, 1817; S Ch, 87, blz. 156 Vgl. H. Cyrillus van Alexandrië, Commentarius in Aggaeum prophetam. cap. XIX: PG 71, 1060 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De fide ad Gratianum. IV, 9, 113-114: CSEL 78, blz. 197-198 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Expositio Evangelii secundum Lucam. II, 23 en 27-28: CSEL 32, IV, blz. 53-54 en 55-56 Severianus van Gabala, In mundi creationem oratio VI, 10: PG 56, 497-498: Antipater van Bostra, Homilia in Sancitissimae Deiparae Annuntiationem, 16: PG 85, 1785.

Waar zij, tenslotte, hun beschouwingen wijdden aan de aanwezigheid van Jezus’ Moeder in de zaal van het Laatste Avondmaal, waarin de Geest is neergedaald over de opkomende Kerk Vgl. Hand. 1, 12-14 Vgl. Hand. 2, 1-4 , verrijkten zij het aloude thema “Maria-Kerk” met nieuwe gedachten Vgl. Eadmerus van Canterbury, De exellentia Virginis Mariae, cap. VII: PL 159, 571; H. Amedeus van Lausanne, De Maria Virginea Matre, Homilia VII: PL 188, 1337; S Ch, 72, blz. 184.

Doch bovenal namen zij hun toevlucht tot de voorspraak van de heilige Maagd, om van de Geest de kracht te verkrijgen om Christus in hun eigen ziel voort te brengen. Hiervan getuigt de H. Hildefonsus in een bede, die zowel door haar inhoud als door haar innerlijke gebedskracht uitmunt: ”Ik smeek U, ik smeek U, heilige Maagd, dat ik Jezus mag ontvangen van die Geest, door wie U Jezus ter wereld hebt gebracht. Moge mijn ziel Jezus ontvangen... door de werking van die Geest, door wie uw vlees diezelfde Jezus heeft ontvangen... Dat ik Jezus mag beminnen in diezelfde Geest, in wie U hem aanbiedt als uw Heer en aanschouwt als uw Zoon”. H. Hildefonsus, De virginitate perpetua sanctae Mariae. cap. XII: PL 96, 106

Document

Naam: MARIALIS CULTUS
Over de vernieuwing van de Maria-verering in liturgie en persoonlijke beleving
Soort: H. Paus Paulus VI - Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 2 februari 1974
Copyrights: © 1976, R.K. Initiatief-Comité Amsterdam
Bewerkt: 3 augustus 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam