• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het fundamentele geneesmiddel.

Zoals in elke stormachtige periode van de Kerk, zo ligt ook nu het eerste en voornaamste geneesmiddel in een oprechte vernieuwing van het particuliere en openbare leven naar de beginselen van het Evangelie bij hen allen, die er zich op beroemen tot de schaapstal van Christus te behoren, zodat zij inderdaad worden het zout van de aarde, dat de maatschappij tegen zeden­bederf vrijwaart.

Wij betuigen dan ook onze innige en blijvende dankbaarheid jegens de Vader des Lichts, van Wien voortkomt "niets dan goede gift en volmaakte gave" (Jak. 1, 17), dat Wij tot onze grote troost overal de verblijdende tekenen van deze geestelijke vernieuwing aanschouwen, niet alleen bij die uitgelezen schare van mannen en vrouwen, die in de laatste tijd de hoogste trap van heiligheid bereikt hebben en bij het dagelijks groeiend aantal van hen, die edelmoedig dit heerlijk doel nastreven, maar ook in de opbloei van een oprechte, diep doorleefde godsdienstzin in alle zelfs de meest ontwikkelde kringen, zoals Wij hebben opgemerkt in het Motu proprio "Paus Pius XI - Motu Proprio
In multis solaciis
Reorganisatie van de Pauselijke Academie van Wetenschappen (28 oktober 1936)
" van 28 oktober 1936 bij de reorganisatie van de Pauselijke Academie van Wetenschappen.

Toch moeten Wij erkennen, dat er nog veel moet gedaan worden, om die geestelijke vernieuwing te bespoedigen. Immers zelfs in Katholieke streken zijn er al te velen, die zo goed als alleen in naam Katholiek zijn, al te velen, die weliswaar de allernoodzakelijkste plichten van de door hen met trots beleden godsdienst min of meer getrouw vervuilen, maar die zich niet beijveren de godsdienst steeds dieper te leren kennen en geen pogingen aanwenden om een innige en echte geloofsovertuiging te verkrijgen, met het gevolg, dat bij hen aan de uiterlijke schijn van hun godsdienst heel weinig beantwoordt de innerlijke glans van een goed en rein geweten, dat al zijn plichten ziet en vervult voor het oog van God. En Wij weten toch, hoezeer onze Goddelijke Verlosser deze lege en bedrieglijke uiterlijkheid verafschuwt, volgens Wiens bevel allen de Vader moeten aanbidden "in geest en waarheid" (Joh. 4, 23). Wie zijn leven niet richt naar de voorschriften van het geloof dat hij belijdt, zal zich niet lang staande kunnen houden, nu de storm van vervolging zo hevig woedt, maar worden meegesleurd in deze dreigende vloedgolf van het kwaad en niet alleen zichzelf de ondergang bereid hebben, maar ook het christendom aan bespotting prijsgeven.

Onthechting aan het aardse.

Op deze plaats, Eerbiedwaardige Broeders, willen Wij vooral de nadruk leggen op twee lessen van de Heer, die bij uitstek passen op de huidige toestand van het mensdom: onthechting aan het aardse en het vervullen van het gebod van de naastenliefde. "Zalig de armen van geest," dit waren de eerste woorden, die van de lippen van de Goddelijke Meester vloeiden, toen Hij Zijn leerlingen op de berg toesprak (Mt. 5, 3). En dit hoofdpunt van Zijn leer heeft onze tijd wel het meest van node, daar het materialisme brandt van dorst naar de goederen en genietingen van dit leven. Alle christenen echter, hetzij rijk of arm, moeten het oog steeds gericht houden op de hemel, gedachtig aan dit woord, "dat wij hier geen blijvende stad hebben, maar naar de toekomstige reikhalzen". Vgl. Hebr. 13, 14 Zij, die over­vloedige rijkdom bezitten, moeten daarin niet hun geluk zoeken, noch het bezit ervan op welke wijze dan ook nastreven. Maar wel wetend, dat zij daarvan slechts beheerders zijr1 en dus rekenschap moeten af­leggen aan de Oppersten Heer, moeten zij ze gebruiken als machtige middelen, van God ontvangen, om vruch­ten van deugd voort te brengen; en zij moeten niet nalaten het overtollige aan de armen uit te delen, volgens het voorschrift van het Evangelie. Vgl. Lc. 11, 41 Indien zij niet zo handelen, zal op hen en op hun rijkdom inder­daad de uitspraak van de H. Apostel Jacobus slaan:

"Welnu dan, gij rijken, weent en jammert om de rampen, die u bedreigen. Uw rijkdom is verrot, uw gewaden zijn verteerd door de mot; uw goud en zilver is verroest en hun roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw vlees wegvreten; toorn hebt ge u als een schat opgehoopt voor het einde van de dagen" (Jak. 5, 1-3)

Evenwel ook de behoeftigen moeten, bij hun pogen om zich volgens de wetten van rechtvaardigheid en naastenliefde het noodzakelijke te verschaffen en hun lot te verbeteren, op hun beurt "arm van geest" (Mt. 5, 3) zijn en de goederen van hierboven hoger schatten dan de goederen van deze aarde. En bovendien moeten zij er zich diep van overtuigd houden, dat men er nooit in zal slagen, ellende, smart en lijden uit dit sterfelijk leven te doen verdwijnen, waarvan ook zij het slacht­offer zijn, die naar het uiterlijk misschien gelukkiger schijnen. Geduld is derhalve allen noodzakelijk; dat christelijk geduld, dat het hart omhoog heft en doet vertrouwen op de Goddelijke belofte van de eeuwige gelukzaligheid: "Broeders, weest dan geduldig tot 's Heren komst. Ziet, de landman wacht op de kostelijke vrucht van de akker, maar oefent daarbij het geduld, totdat deze de vroege en late regen ontvangt. Weest ook gij geduldig, broeders -Wij ontlenen deze woorden wederom aan de Apostel Jacobus - doet uw harten niet wankelen, want de komst van de Heer is nabij" (Jak. 5, 7-8). Zo alleen zal de troostvolle belofte van Jezus Christus: "Zalig de armen," in vervulling gaan.

En deze beloften brengen geen ijdele troost, zoals die waarvan de communisten de mond vol hebben, maar het zijn woorden van het eeuwig leven, vol diepe waarheid en die, gelijk reeds op deze wereld, voor later in de eeuwige zaligheid zullen bewaarheid worden. Hoeveel armen immers vinden in hun vertrouwen op deze woorden en de belofte van het hemelrijk - dat als een erfenis aan hen toebehoort volgens het woord van het Evangelie: "Zalig gij armen, want aan u behoort het koninkrijk Gods" (Lc. 6, 20) - zulk een geluk, als onbereikbaar is voor menig rijke, niet met rust gelaten door zijn rijkdom en altijd brandend van begeerte naar meer.

De christelijke naastenliefde.

Nog sterker geneeskracht tegen de hier behandelde kwalen bezit het gebod van de naastenliefde, dat speciaal op dit doel gericht is. En hierbij denken Wij aan de christelijke naastenliefde, die "geduldig is en goeder­tieren" (2 Kor. 13, 4), alle vertoon en elke schijn van vernederende bescherming vermijdt; die liefde, die vanaf het begin van het christendom de allerarmsten, de slaven, voor Christus won. Innige dank brengen Wij dan ook aan allen, die, zich gevend aan de werken van liefdadig­heid, hetzij in de Vincentius-verenigingen, hetzij in de nieuwere instellingen van gemeenschappelijk hulp­betoon, de geestelijke en lichamelijke barmhartigheid beoefenen. Hoe meer de arbeiders en behoeftigen in zichzelf zullen ondervinden, hoezeer de beoefening van de naastenliefde, bezield door de kracht van Jezus Christus, hen ten goede komt, des te eerder zullen zij de vooroordelen afleggen, als zou de Kerk haar werk­dadigheid hebben verloren en aan de zijde staan van hen, die hun arbeid uitbuiten.

Wanneer Wij dan aan de ene kant de ontelbare massa armen zien, die door allerlei oorzaken buiten hun wil om gebukt gaan onder de grootste ontbering, aan de andere kant echter zoveel mensen, die zonder enig e beperking zich overgeven aan genietingen en ontzaglijke sommen besteden voor geheel onnutte dingen, dan moeten Wij wel met diepe zielesrnart bekennen, dat niet allen op behoorlijke wijze de rechtvaardigheid beoefenen, noch ook diep beseffen, welke de eisen zijn van het gebod van de naastenliefde voor de praktijk van het dagelijks leven.

Het is derhalve Ons verlangen, Eerbiedwaardige Broeders, dat dit goddelijk gebod, in woord en in geschrift, steeds meer in het licht gesteld worde, dit gebod, dat door Jezus als een karakteristiek herken­ningsteken nagelaten is, waardoor men Zijn ware leer­lingen van alle anderen zou kunnen onderscheiden; dit gebod dat ons leert in alle lijdenden de Goddelijke Zaligmaker zelf te zien en dat ons beveelt alle mensen als broeders te beminnen met die liefde, welke de Zalig­maker ons heeft toegedragen, en wel met opoffering van onze bezittingen, ja zelfs, als het nodig mocht zijn, van ons leven. En dikwijls moeten allen zich voor de geest roepen het oordeel, vol troost maar ook vol verschrikking, dat de hoogste Rechter op de laatste dag zal uitspreken:

" Komt, gezegende mijns Vaders; .... want Ik was hongerig en ge hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en ge hebt Mij te drinken gegeven .... Voorwaar, Ik zeg u: Wat ge voor één van Mijn ge­ringste broeders gedaan hebt, dat hebt ge voor Mij gedaan" (Mt. 25, 34-40).

En daartegenover:

"Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur .... Want Ik was hongerig en ge hebt Mij niet te eten gegeven; dorstig, en ge hebt Mij niet te drinken gegeven .... ; voorwaar, Ik zeg u : Wat ge niet hebt gedaan voor één van deze geringsten, dat hebt gij ook voor Mij niet gedaan" (Mt. 25, 41-45)

Om derhalve de eeuwige zaligheid te verzekeren en daadwerkelijke steun te kunnen verlenen aan de armen, is het volstrekt noodzakelijk dat men terugkeert tot een bescheidener levenspeil en de genoegens vaarwel zegt, die in zo groot aantal en dan nog van onzedelijke en schandelijke aard geboden worden, en dat men tenslotte uit liefde tot zijn naasten zichzelf vergeet. Een goddelijke kracht, in staat om de mens te vernieuwen, ligt in dit "nieuwe gebod" (Joh. 13, 34) van de christelijke naasten­liefde; en de trouwe vervulling er van zal aan de ziel schenken een innerlijke vrede, aan deze wereld onbe­kend, en tevens op doeltreffende wijze de kwalen ge­nezen, waaronder het mensdom gebukt gaat.

Plichten van strikte rechtvaardigheid.

De naastenliefde echter kan zich niet op deze naam beroemen, als zij niet steunt op de beginselen van de recht­vaardigheid, volgens het woord van de Apostel: "Hij die zijn naaste bemint, heeft de wet vervuld." Deze woorden worden dan door dezelfden Apostel aldus nader verklaard: "Immers het gebod: Ge zult geen overspel bedrijven, ge zult niet doodslaan, ge zult niet stelen .... en alle andere geboden zijn samen­gevat in dat éne: Ge zult de naaste liefhebben als uzelf" (Rom. 13, 8.9). Indien dus volgens de Apostel alle ver­plichtingen, zelfs die van strikte rechtvaardigheid, dat wij namelijk niet mogen doodslaan, niet stelen, tot het éne gebod van de ware liefde teruggebracht worden, dan is de liefde van hem, die de arbeider het verschul­digde loon onthoudt, geen liefde, maar een leeg woord en een schijnbeeld van liefde. Het geeft zeer zeker geen pas, dat de arbeider als een aalmoes ontvangt datgene, wat hem op titel van rechtvaardigheid verschuldigd is; en niemand mag het er op aanleggen, om zich aan de verplichtingen van de rechtvaardigheid te onttrekken door kleine gaven van barmhartigheid daarvoor in de plaats te stellen. De liefde en de rechtvaardigheid leggen beide eigen verplichtingen op, die dikwijls, al is het dan niet op dezelfde gronden, een en dezelfde zaak betreffen; maar de arbeiders, in het besef van hun eigenwaarde, voelen terecht zeer fijn aan, welke verplichtingen anderen tegenover hen hebben.

Daarom richten Wij ons bijzonder tot u, christelijke patroons en fabrikanten, wier taak speciaal dikwijls zo moeilijk is, omdat gij die dwalingen als bij erfenis van het onrechtvaardig sociaal regiem ontvangen hebt, dat rampzalig op zoveel mensengeslachten heeft inge­werkt: weest de verplichtingen indachtig, waaraan gij moet beantwoorden. Het is toch wel een treurige waar­heid, dat de gedragswijze van sommige Katholieken niet weinig heeft bijgedragen, om het vertrouwen van de arbeiderswereld in de godsdienst van Jezus Christus te schokken. Zij wilden niet inzien en beseffen, dat krachtens de christelijke liefde sommige rechten moeten erkend worden als verschuldigd aan de arbeiders en door de leer van de Kerk hun klaar en duidelijk toegekend. Wat moet men wel denken van de handelwijze van hen, die op sommige plaatsen er in geslaagd zijn de voor­lezing van de Encycliek Paus Pius XI - Encycliek
Quadragesimo Anno
Over de aanpassing van de sociale orde
(15 mei 1931)
te beletten in de kerken, waarover zij patronaatsrecht hadden. Wat van die fabrikanten, die zich tot heden toe verzet hebben tegen de regeling van de arbeids­verhoudingen, door Ons zelf aangeprezen. Is het niet diep te betreuren, dat het eigendomsrecht, door de Kerk bekrachtigd, misbruikt is, om de arbeiders van hun loon en sociale rechten te beroven?

Sociale rechtvaardigheid.

Evenwel behalve de ruilende rechtvaardigheid moet ook de sociale rechtvaardigheid betracht worden, die op haar beurt verplichtingen stelt, waaraan zich noch de arbeiders, noch de werkgevers mogen onttrek­ken. Welnu, het is de taak van de sociale recht­vaardigheid al datgene van de individuen te eisen, wat noodzakelijk is voor het algemeen welzijn. Gelijk nu, bij welk levend organisme dan ook, niet voor het geheel is gezorgd, als niet aan de afzonderlijke delen al datgene geschonken wordt, wat zij nodig hebben om hun taak te vervullen, zo ook kan men bij de maat­schappelijke inrichting en ordening niet het welzijn van de gehele maatschappij verzorgen, als men niet aan de afzonderlijke leden- en dit zijn hier menselijke personen - al datgene doet toekomen, wat zij nodig hebben om de hun eigen sociale taak te vervullen. Als dan aan de sociale rechtvaardigheid voldaan is, zal een intens economisch leven opbloeien, dat in de rust van de orde vruchten zal afwerpen, die op een duurzame kracht van de Staat wijzen, gelijk men de gezondheid van het menselijk lichaam kan kennen aan zijn ongestoorde, volledige en vruchtbare werkzaamheid.

En niet zal aan de sociale rechtvaardigheid vol­daan zijn, zolang niet de arbeiders uit het ontvangen loon, overeenkomstig hun prestatie, voor zichzelf en voor hun gezin het levensonderhoud kunnen ver­zekeren, zolang hun niet de gelegenheid geschonken wordt om zich een bescheiden vermogen te verwerven, om te ontkomen aan het wijd en zijd verbreide pauperis­me, zolang tenslotte niet doeltreffende maatregelen genomen zijn, waardoor zij door middel van openbare of particuliere verzekeringen bij ouderdom, ziekte of werkloosheid verzorgd zijn. Daarom willen Wij de woorden herhalen van de Encycliek Paus Pius XI - Encycliek
Quadragesimo Anno
Over de aanpassing van de sociale orde
(15 mei 1931)
: "Eerst dan immers zal het sociaal-economisch organisme duurzaam gevestigd zijn en zijn bestem­ming bereiken, wanneer zowel de gemeenschap als de individuen zullen delen in al de goederen, die door de schatten en hulpmiddelen van de natuur, door de techniek en door de sociale organisatie van het econo­misch leven kunnen worden opgebracht; en de maat van die goederen moet zo groot zijn, dat ze niet slechts toereikend is, om in het noodzakelijke en in een passend comfort te voorzien, doch de mensen ook kan brengen tot die welstand, die, mits verstandig gebruikt, niet alleen geen belemmering is voor de deugd, maar haar veeleer krachtig bevordert." Paus Pius XI, Encycliek, Over de aanpassing van de sociale orde, Quadragesimo Anno (15 mei 1931), 75

En wanneer, zoals tegenwoordig meer en meer het geval is, bij de regeling van het loon de afzonderlijke personen slechts op die voorwaarde de rechtvaardig­heid kunnen naleven, als zij allen tezamen omtrent dit punt een contract met elkaar sluiten door middel van die organisaties, verenigingen, die de werkgevers tegenover elkaar binden, om een concurrentie te ver­mijden, die vernietigend werkt op de rechten van de arbeiders, dan zal het de plicht zijn van de patroons en werkgevers, deze noodzakelijke verenigingen te be­gunstigen en te bevorderen, daar zij de aangewezen middelen zijn, om de verplichtingen van de rechtvaardig­heid te kunnen vervullen. Maar ook de arbeiders moeten de verplichtingen van naastenliefde en recht­vaardigheid niet uithet oog verliezen en wel beseffen, dat aldus beter voor hun belangen gezorgd zal zijn.

Wanneer men dus het gehele economisch organisme overschouwt, is het duidelijk - wat Wij reeds in de Encycliek Paus Pius XI - Encycliek
Quadragesimo Anno
Over de aanpassing van de sociale orde
(15 mei 1931)
aangaven - dat de samenwerking van rechtvaardigheid en naasten­liefde dan pas haar invloed kan doen gelden op de economische en sociale verhoudingen, als de organisaties, zuivere vakorganisaties of gemengde organisaties, op de stevige grondslag van de christelijke leer, naar de verschillende omstandigheden van plaats en tijd, die corporaties zullen vormen, welke men eertijds gilden noemde.

Document

Naam: DIVINI REDEMPTORIS
Over het goddeloze communisme
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 19 maart 1937
Copyrights: © 1937, R.K. Werkliedenverbond
Bewerkt: 3 januari 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam