• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
NELL'ALBA
Kerstboodschap 1941
HOOFDSTUK 3  -  De nieuwe orde

HOOFDSTUK 3 - De nieuwe orde

Het fundament van de nieuwe orde moet zijn de zedenwet

Zulk een nieuwe ordening, naar welker verwezenlijking alle volken vurig verlangen, na de beproevingen en verwoestingen van deze oorlog, moet opgebouwd worden op de onwankelbare en onveranderlijke rots der zedenwet, die door den Schepper zelf door middel der natuurlijke orde is bekend gemaakt en door Hem met onuitwisbare letters in de harten der mensen is gegrift. Dat is de zedenwet, wier onderhouding door de openbare mening van alle volken en van alle staten moet worden ingehamerd en bevorderd met zulk een éénstemmigheid en zulk een eensgezinde kracht, dat niemand het zal kunnen aandurven haar in twijfel te trekken of haar bindend en verplichtend karakter te verzwakken.

Als een schitterende vuurtoren, zo moet die zedenwet met de stralen van haar beginselen de koers der werkzaamheid van mensen en staten richten. Deze hebben haar waarschuwende, heilzame en nuttige aanwijzingen te volgen, als zij niet ieder werk en iedere krachtsinspanning voor het vestigen van een nieuwe orde aan storm en schipbreuk willen overleveren. Daarom willen wij, met samenvatting en aanvulling van hetgeen bij andere gelegenheden door ons werd uiteengezet, ook nu met klem aandringen op enige wezenlijke voorvereisten, waaraan een internationale orde moet voldoen om aan alle volken een rechtvaardige en duurzame vrede te verzekeren en vruchten van welvaart en voorspoed op te leveren.

De voornaamste eisen van een nieuwe orde

1.

Binnen het kader van een nieuwe orde, gebaseerd op de beginselen der zedenwet, is er geen plaats voor de schending van de vrijheid, de integriteit en de veiligheid van andere naties, ongeacht de uitgestrektheid van hun grondgebied of hun vermogen tot zelfverdediging. Al is het onvermijdelijk, dat de grote staten, door de grotere mogelijkheden die zij bezitten en door hun grotere macht, de banen aanwijzen voor het tot stand komen van economische groeperingen tussen hen en kleinere en zwakkere natiën: toch behouden deze - evenals alle staten binnen de perken van het algemeen belang - het onbetwistbare recht op erkenning van hun politieke onafhankelijkheid, het recht om bij conflicten tussen de staten op daadwerkelijke wijze die neutraliteit te bewaren, die hun volgens het natuurrecht en het volkenrecht toekomt, alsmede het recht op hun economische ontwikkeling, want alleen op die manier zullen zij op behoorlijke wijze het algemeen welzijn en het stoffelijk en geestelijk welzijn van hun eigen volk kunnen bereiken.

2.

Binnen het kader van een nieuwe orde, gebaseerd op de beginselen der zedenwet, is er geen plaats voor de openlijke of sluw verborgen onderdrukking der eigenaardigheden in cultuur en taal van nationale minderheden, voor het belemmeren of bekrimpen van haar economische capaciteiten, voor de beperking of de vernietiging van haar natuurlijke vruchtbaarheid. Hoe gewetensvoller de bevoegde overheid van de staat de rechten der minderheden eerbiedigt, met des te groter zekerheid en uitwerking kan zij van de leden van die minderheden de loyale vervulling der burgerplichten eisen, die zij met alle andere burgers gemeen hebben.

3.

Binnen het kader van een nieuwe orde, gebaseerd op de beginselen der zedenwet, is er geen plaats voor de bekrompen egoïstische berekeningen, wier streven is het zich meester maken van de economische bronnen en de grondstoffen voor algemeen gebruik in zulk een mate, dat de naties, die minder door de natuur begunstigd zijn, daarvan uitgesloten blijven. Onder dit opzicht is het voor ons een grote troost te zien, dat men de noodzakelijkheid van een deelname aan al de goederen van de aarde erkent ook bij die naties, die bij de toepassing van dit beginsel zouden behoren tot de groep van degenen die geven en niet van degenen die ontvangen. Het is echter overeenkomstig de billijkheid, dat een oplossing van zulk een vraagstuk, dat beslissend is voor de wereldhuishouding, methodisch en geleidelijk en met de nodige garanties plaats heeft en een les trekt uit de tekortkomingen en de verzuimen van het verleden. Als men er bij een toekomstige vrede niet toe zou komen dit punt moedig onder de ogen te zien, dan zou er in de verhoudingen tussen de volken een diepzittende en wijdvertakte wortel achterblijven, waaruit bittere tegenstellingen en felle gevoelens van afgunst zouden ontspruiten, die ten slotte tot nieuwe conflicten zouden leiden. Hier valt echter op te merken, hoe de bevredigende oplossing van dat probleem nauw verbonden is met een ander fundamenteel beginsel van een nieuwe orde, waarover wij in het volgende punt spreken.

4.

Binnen het kader van een nieuwe orde, gebaseerd op de beginselen der zedenwet, is er - als eenmaal de meest gevaarlijke haarden van gewapende conflicten verwijderd zijn - geen plaats voor een totale oorlog, noch voor een dolle wedloop in bewapening. Men mag niet toelaten, dat de ramp van een wereldoorlog met al zijn economische en sociale verwoestingen en zijn immorele afdwalingen en omkering van begrippen zich voor een derde maal over de mensheid uitstorte. Opdat deze verre van een dergelijken gesel in veiligheid blijve, is het nodig dat men ernstig en eerlijk overga tot een progressieve en evenredige beperking der bewapening. De wanverhouding die er bestaat tussen een overdreven bewapening der machtige staten en de ontoereikende bewapening der zwakke staten schept een gevaar voor het behoud van de rust en de vrede onder de volken, en maakt het raadzaam over te gaan tot een aanmerkelijke en geproportioneerde beperking van de fabricage en het bezit van aanvalswapenen.

Verder, in overeenstemming met de maat waarin de ontwapening verwezenlijkt wordt, moeten er geëigende middelen worden vastgesteld - voor allen eervolle en effectieve middelen - om aan de stelregel: "pacta sunt servanda - verdragen moeten gehouden worden", de levende en morele functie te hergeven, die er in de rechtsverhoudingen tussen de staten aan toekomt. Deze regel, die in het verleden het slachtoffer geweest is van zorgwekkende crises en onloochenbare overtredingen, heeft tegenover zich een haast ongeneeslijk wantrouwen tussen de verschillende volken en hun respectieve leiders ontmoet. Om het wederzijds vertrouwen te doen terugkeren moeten er instellingen komen, de zich de algemene eerbiediging verwerven en zich moeten wijden aan de hoogedele taak, ofwel het eerlijk naleven van traktaten te verzekeren, ofwel volgens de beginselen van recht en billijkheid de door de omstandigheden gevorderde verbeteringen en herzieningen er van te bevorderen.

Wij verhelen ons volstrekt niet de berg van moeilijkheden, die overwonnen moeten worden, en de haast bovenmenselijke krachtsinspanning, die van de goeden wil van alle partijen wordt geëist, om de dubbele hier geschetste onderneming tot een gelukkig einde te brengen. Maar die gemeenschappelijke krachtsinspanning is zulk een wezenlijk vereiste voor een duurzame vrede, dat niets de verantwoordelijke staatslieden er van mag afhouden die onderneming aan te vatten en er toe samen te werken met al de krachten van een goede wil, die, het oog gericht houdend op het toekomstige goed, zich over de pijnlijke herinneringen aan mislukte pogingen van het verleden heenzet, en zich niet laat afschrikken door het bewustzijn van de reusachtige kracht die voor zulk een werk wordt gevraagd.

5.

Binnen het kader van een nieuwe orde, gebaseerd op de beginselen van de zedenwet, is er geen plaats voor de vervolging van godsdienst en Kerk. Uit een levendig geloof in een persoonlijke, boven het heelal staande God ontstaat een echte en tegen strijd opgewassen morele kracht, die heel de gang van het leven bezielt. Want het geloof is niet alleen zelf een deugd, maar ook de goddelijke deur, waar door alle deugden in den tempel van de ziel binnentreden, en waardoor zich dat sterke en zich steeds gelijkblijvende karakter vormt, dat niet wankelt waar de rede en de gerechtigheid in het grootste gevaar geraken. Dit is altijd waar, maar moet veel schitterender uitkomen, als zowel van den staatsman als van de laagste der burgers het maximum van moed en morele kracht gevorderd wordt om een nieuw Europa en een nieuwe wereld op te bouwen op de puinhopen, die het wereldconflict met zijn geweld, zijn haat en zijn verwijdering tussen de geesten heeft opgestapeld. Wat in het bijzonder het sociale vraagstuk betreft, dat zich bij het einde van de oorlog met nog groter scherpte zal stellen, onze voorgangers en ook wij zelf hebben richtlijnen tot oplossing er van aangewezen. Maar men moet w`el voor ogen houden, dat deze alleen dan in heel hun volheid kunnen worden opgevolgd en volle vrucht kunnen opleveren, als de staatslieden en de volken, werkgevers en arbeiders bezield worden door het geloof in een persoonlijke God, wetgever en straffer, voor wie zij rekenschap van hun handelingen hebben af te leggen. Want, terwijl het ongeloof, dat zich tegen God, de ordenaar van het heelal, verzet, de gevaarlijkste vijand voor een rechtvaardige nieuwe orde is, is omgekeerd ieder mens die in God gelooft er een machtige begunstiger en voorvechter van. Wie het geloof bezit in Christus, in Zijn godheid, in Zijn wetten, in Zijn werk van liefde en verbroedering tussen de mensen, zal bijzonder kostbare elementen voor de sociale heropbouw bijbrengen. Maar des te meer zal dit waar zijn van de staatslieden, als zij zich bereid tonen de deuren wijd open te zetten en de weg te effenen voor de Kerk van Christus, opdat deze, vrij en onbelemmerd haar bovennatuurlijke krachten in dienst stellend van de goede verstandhouding onder de volken en van de vrede, met haar ijver en haar liefde kan meewerken aan het reusachtige werk van de genezing van de wonden, die de oorlog heeft geslagen.

Treurig en onbegrijpelijk verschijnsel dat men zelfs nu nog de Kerk vervolgt

Het komt ons dan ook onverklaarbaar voor, hoe in sommige streken vele maatregelen den weg versperren voor de verkondiging van het christelijk geloof, terwijl volle en vrije baan gegeven wordt aan een propaganda, die het geloof bestrijdt. Die maatregelen onttrekken de jeugd aan de weldadige invloed van het christelijk gezin en vervreemden haar van de Kerk. Zij voeden haar op in een geest die aan Christus vijandig is, en druppelen haar anti-christelijke opvattingen, grondbeginselen en praktijken in. Zij bemoeilijken en verstoren het werk der Kerk in de zielzorg en de werken van weldadigheid. Zij miskennen haar morele invloed op individu en maatschappij en wijzen die af: allemaal maatregelen, die, wel verre van in de loop van de oorlog verzacht of afgeschaft te zijn, onder vele opzichten nog zijn verscherpt. Dat dit alles, en nog andere dingen, te midden van het lijden van het tegenwoordig uur nog kan worden voortgezet, is een droevig teken van de geest, waarmee de vijanden der Kerk aan de gelovigen te midden van de andere zware offers ook nog de beklemmende last opleggen van een bitteren angst, die zwaar op hun geweten drukt.

Wij beminnen - God is er ons getuige voor - alle volken zonder uitzondering met een gelijke genegenheid, en om ook maar de schijn te vermijden, dat wij ons door partijdigheid laten bewegen, hebben wij ons tot nog toe de grootste terughoudendheid opgelegd. Maar de maatregelen tegen de Kerk en de doeleinden welke deze nastreven zijn van dien aard, dat wij ons verplicht voelen in naam der waarheid dit woord te spreken, ook om te voorkomen, dat er ongelukkigerwijze onder de gelovigen dwaling uit zou ontstaan.

Document

Naam: NELL'ALBA
Kerstboodschap 1941
Soort: Paus Pius XII - Radiotoespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 24 december 1941
Copyrights: © 1944, Ecclesia Docens - G&S 0145
Bewerkt: 6 juli 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam