• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE DEFINITIE VAN DE MENS WORDT AANGEVULD MET HET ALTERNATIEF TUSSEN DOOD EN ONSTERFELIJKHEID
Theologie van het Lichaam,
Deel 1, De oorspronkelijke eenheid van man en vrouw,
catechese over het Boek Genesis
nr. 7

Het is vandaag goed terug te keren naar de betekenis van de oorspronkelijke eenzaamheid van de mens, dat boven alles naar voren komt uit de analyse van de tekst van Genesis 2. Zoals we gezien hebben in onze vorige overwegingen maakt de Bijbelse tekst het niet alleen mogelijk nadruk te leggen op het besef van het menselijk lichaam (de mens is geschapen in een zichtbare wereld als een "lichaam tussen lichamen"), maar ook dat van zijn betekenis.

Gezien de zeer bondige beknoptheid van de Bijbeltekst kan men niet te ver uitweiden over deze implicatie, maar het staat vast dat we hier het centrale probleem van de antropologie raken. Het lichaamsbesef schijnt in dit geval samen te vallen met de ontdekking van het complexe karakter van zijn eigen structuur, die op basis van een wijsgerige antropologie tenslotte bestaat uit de verhouding tussen ziel en lichaam. Het jahwistisch verhaal drukt dit in zijn eigen taal en terminologie uit met te zeggen: 'Toen boetseerde Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen' (Gen. 2, 7). En deze mens als 'levend wezen' onderscheidt zich inderdaad zonder ophouden van alle andere in de zichtbare wereld levende wezens.

En dat de mens 'zich onderscheidt', dat wordt verklaard door het feit dat hij alleen in staat is 'de grond te bebouwen' Vgl. Gen. 2, 5 en 'de aarde te onderwerpen'. Vgl. Gen. 1, 26 We mogen zeggen dat het in de definitie van het mens-zijn opgesloten liggende besef van 'superieur wezen' van het begin af ontstaat op grond van een typisch menselijke praktijk of gedrag. Dat besef houdt een heel speciale gewaarwording in van de betekenis van het eigen lichaam, een gewaarwording die juist voortvloeit uit het feit dat het de mens toekomt de 'aarde te bebouwen' en 'te onderwerpen'. Dit alles zou onmogelijk zijn zonder een typisch menselijk aanvoelen van de betekenis van het eigen lichaam.

Het lijkt dan ook beter om liever eerst over dit aspect te spreken dan over het probleem van de antropologische complexiteit in metafysische zin. Als de oorspronkelijke jahwistische beschrijving van het menselijk bewustzijn in het geheel van het verhaal ook het lichaam omvat en als die als het ware het eerste getuigenis over de ontdekking van de eigen lichamelijkheid inhoudt (en zelfs, zoals gezegd, de gewaarwording van de betekenis van het eigen lichaam), dan blijkt dit alles niet op grond van een of andere primordiale metafysische analyse, maar wel degelijk op grond van een vrij duidelijke concrete subjectiviteit van de mens. De mens is niet alleen subject krachtens zijn 'zelfbesef' en zijn 'zelfbeschikking' maar ook op grond van zijn eigen lichaam. De bouw van dat lichaam is van dien aard dat die hem in staat stelt bedrijver te zijn van een typisch menselijke werkzaamheid. Bij die werkzaamheid drukt het lichaam de persoon uit; het is dus in heel zijn stoffelijkheid ('Hij boetseerde de mens met stof van de aarde') zo doordringbaar en transparant dat het duidelijk laat zien wie de mens is (en wie hij zou moeten zijn) dank zij de structuur van zijn bewustzijn en zijn zelfbeschikking. En hierop steunt heel de fundamentele gewaarwording van de betekenis van het eigen lichaam (die men wel moet ontdekken bij het analyseren van de oorspronkelijke eenzaamheid van de mens).

Alternatief tussen dood en onsterfelijkheid

En met dit fundamentele begrip van de betekenis van zijn eigen lichaam komt de mens dan als subject van het oude verbond met de Schepper te staan tegenover het mysterie van de boom van de kennis.

'Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat ge daarvan eet, zult ge voorzeker sterven' (Gen. 2, 16-17).

De oorspronkelijke betekenis van de eenzaamheid van de mens is gebaseerd op de ervaring van het van de Schepper verkregen bestaan. Dit menselijk bestaan wordt juist gekenmerkt door de subjectiviteit, die ook de betekenis van het lichaam omvat.

Maar zou de mens die in zijn oorspronkelijk bewustzijn uitsluitend de ervaring van het bestaan en dus van het leven kende, begrepen kunnen hebben wat die woorden 'zult ge voorzeker sterven' betekenden? Zou hij kans hebben gezien de betekenis van die woorden te begrijpen met de complexe structuur van het leven die hem gegeven was toen 'Jahwe God hem de levensadem in de neus blies'? Men moet toegeven dat dit totaal nieuwe woord aan de horizon van het bewustzijn van de mens is opgegaan zonder dat hij er ooit de werkelijkheid van ondervonden had en dat dit woord tegelijkertijd bij hem is overgekomen als radicale tegenstelling van alles waarmee de mens begiftigd was.

De mens heeft het woord 'sterven' voor het eerst gehoord zonder dat het hem in de tot dan toe opgedane ervaring ooit vertrouwd was geworden; maar daartegenover moest hij de betekenis van de dood wel in verband brengen met die levensdimensie die hij tot dan toe genoten had. De woorden die Jahwe-God tot de mens had gericht, bevestigden een afhankelijkheid in zijn bestaan, en wel zozeer dat zij de mens tot een beperkt wezen maakten en van nature ook in staat om niet te bestaan. Deze woorden stelden het probleem van de dood onder voorwaarde: 'op de dag dat ge daarvan eet ... zult ge sterven'. De mens die deze woorden gehoord had, moest de waarheid ervan wel terugvinden in de innerlijke structuur van zijn eigen eenzaamheid. En per slot van rekening hing het van hemzelf af, van zijn beslissing, van zijn vrije keuze, of hij met zijn eenzaamheid ook binnen de kring zou stappen van de tegenstelling die hem tegelijk met de boom van de kennis van goed en kwaad door de Schepper onthuld was, en of hij zich zo de ervaring van het sterven, de ervaring van de dood zou eigen maken. Bij het luisteren naar de woorden van Jahwe-God, had de mens moeten begrijpen dat de boom van de kennis zijn wortels niet alleen in de 'tuin van Eden' maar ook in zijn mens-zijn had. Hij had bovendien moeten begrijpen dat die geheimzinnige boom door de Schepper was uitgerust met een tot dan toe onbekende eenzaamheidsdimensie midden in die wereld van de levende wezens, waaraan hij, de mens, in aanwezigheid van de Schepper zelf 'namen had gegeven' om zo tot het besef te komen dat er daaronder geen enkele was die hem gelijk was.

Dus pas nadat eerst de fundamentele betekenis van zijn lichaam was vastgesteld door het onderscheid met de rest van de schepping en nadat het daardoor juist duidelijk was geworden dat de mens meer door het 'onzichtbare' bepaald wordt dan door het 'zichtbare', pas toen werd hem het alternatief voorgehouden dat Jahwe-God strikt en rechtstreeks verbonden had aan de boom van de kennis van goed en kwaad.

Het alternatief tussen dood en onsterfelijkheid dat volgt uit Genesis 2, 17 Vgl. Gen. 2, 17 stijgt boven de essentiële betekenis van het lichaam van de mens uit in die zin dat het niet alleen slaat op de eschatologische betekenis van het lichaam maar van het mens-zijn als zodanig, in zijn onderscheiden-zijn van alle levende wezens, van de 'lichamen'. Maar dat alternatief betreft wel op een heel speciale manier het 'uit stof van de aarde' geschapen lichaam.

Om deze analyse niet nog verder voort te zetten, beperken we ons tot de vaststelling dat het alternatief tussen sterven en onsterfelijkheid van het begin af meespeelt in de definitie van de mens en dat het 'van het begin af' behoort tot de betekenis van zijn eenzaamheid tegenover God zelf. Die oorspronkelijke betekenis van deze met het alternatief dood en onsterfelijkheid doordrenkte eenzaamheid heeft ook een fundamentele betekenis voor heel de theologie van het lichaam.

Met deze vaststelling besluiten we voor vandaag onze overwegingen over de betekenis van de oorspronkelijke eenzaamheid van de mens. Deze vaststelling, die voortkomt uit een duidelijke en krachtige manier vanuit de tekst van Genesis, bevat ook de overwegingen over zowel de tekst als over de mens. Misschien is hij te weinig bewust van de waarheid over hemzelf, dat al in de eerste hoofdstukken van de Bijbel naar voren komt.

Document

Naam: DE DEFINITIE VAN DE MENS WORDT AANGEVULD MET HET ALTERNATIEF TUSSEN DOOD EN ONSTERFELIJKHEID
Theologie van het Lichaam,
Deel 1, De oorspronkelijke eenheid van man en vrouw,
catechese over het Boek Genesis
nr. 7
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 31 oktober 1979
Copyrights: © 1981, "Naar Gods beeld, man en vrouw", uitg. Nieuwe Stad, Antwerpen
Aanvullende vertalingen: Stg. InterKerk, Poeldijk
Bewerkt: 11 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam