• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
b. De mens op zoek naar zijn essentie

De uitspraak van Jahwe-God dat 'het niet goed is dat de mens alleen blijft' verschijnt niet alleen in de onmiddellijke context van de beslissing om de vrouw te scheppen ('Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past'), maar ook in de bredere context van beweegredenen en omstandigheden die de betekenis van de oorspronkelijke eenzaamheid van de mens meer diep­gaand verklaren. De jahwistische tekst verbindt de schepping van de mens allereerst met de noodzaak 'om de grond te bebouwen' (Gen. 2, 5) en dit lijkt aan te sluiten op de roeping om de aarde te onderwerpen en erover te heersen Vgl. Gen. 1, 28 in het eerste verhaal. Vervolgens spreekt het tweede scheppingsverhaal over de plaatsing van de mens in de 'tuin van Eden' en op dat moment laat de tekst ons doordringen in zijn oorspronkelijke gelukstoestand. Tot dan is de mens enkel voorwerp van de scheppingswerkzaamheid van Jahwe-God die als wetgever tevens de bepalingen vaststelt van het eerste verbond met de mens.

Maar hierin zien wij reeds de subjectiviteit van de mens beklemtoond en deze krijgt een nieuwe uitdrukking wanneer Jahwe-God 'uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht boetseert en die bij de (mannelijke) mens brengt, om te zien hoe hij ze noemen zal' (Gen. 2, 19). Zo wordt de eerste betekenis van de oorspronkelijke eenzaamheid van de mens dus bepaald op grond van een specifieke 'test' of examen dat de mens aflegt tegenover God (en in zekere zin ook tegenover zichzelf). Dank zij die 'test' gaat de mens zijn eigen superioriteit beseffen, dat wil zeggen dat er op aarde geen enkel soort levend wezen is dat als zijn gelijke kan worden beschouwd.

Want de tekst zegt immers:

'zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten' (Gen. 2, 19).
'De mens gaf dus namen aan al de tamme dieren en aan al de vogels van de lucht en aan al de wilde beesten; maar zo vervolgt de schrijver - een hulp die bij hem paste vond de mens niet' (Gen. 2, 20).

Heel dit gedeelte van de tekst is ontegenzeglijk een voorbereiding op het verhaal van de schepping van de vrouw. Maar ook onafhankelijk van die schepping heeft het een diepe eigen betekenis. Van het eerste ogenblik van zijn bestaan af, bevindt de geschapen mens zich voor God als op zoek naar zijn eigen wezenheid; op zoek naar de definitie van zichzelf, zou men kunnen zeggen. Op zoek naar zijn eigen 'identiteit', zou iemand van onze tijd zeggen. De vaststelling dat de mens 'alléén' is in heel de zichtbare wereld en heel speciaal te midden van de levende wezens, heeft bij dit zoeken een negatieve betekenis, in zover het uitdrukt wat hij 'niet is' .

Niettemin heeft de vaststelling dat hij zich in wezen niet kan vereenzelvigen met de zichtbare wereld van de andere levende wezens ("animalia") tevens een positief aspect voor dat eerste zoeken; ook al is deze vaststelling nog geen volledige definitie, toch vormt ze er een van de elementen van. Als wij de aristotelische traditie in de logica en de antropologie overnemen, zouden we dit element moeten omschrijven als 'genus proximum' (het naaste geslacht). “Men zegt van een definitie dat ze essentieel (of quidditief) is wanneer ze de essentie of de natuur van de dingen uitlegt. Ze zal essentieel zijn wanneer we een ding door haar naaste geslacht en specifieke verschil kunnen definiëren. Het naaste geslacht omvat in haar begrip alle essentiële elementen van de geslachten erboven en dus omvat het alle wezens die van nature analoog of soortgelijk zijn aan het wezen dat wordt gedefinieerd. Het specifieke verschil, anderzijds brengt de onderscheidende elementen aan die dit wezen van alle anderen van een gelijkaardige aard, scheidt door te laten zien op welke wijze het anders dan alle anderen is, waarmee het ten onrechte zou kunnen worden geïdentificeerd. De ‘mens’ wordt gedefinieerd als een ‘redelijk dier’. ‘Dier’ is zijn naaste geslacht; ‘redelijk’ is zijn specifiek verschil. Het naaste geslacht ‘dier’ omvat binnen zijn begrip alle essentiële elementen van de geslachten erboven, omdat een dier een ‘voelende, levende, materiële substantie...’ is {..}. Het specifieke verschil ‘redelijk’ is een essentieel onderscheidend element dat de ‘mens’ onderscheidt van elk ander ‘dier’. Daarom maakt het van hem een eigen soort die hem scheidt van elk ander ‘dier’ en elk ander geslacht boven het dier, met inbegrip van planten, onbezielde lichamen en substanties. Bovendien, aangezien het specifieke verschil het onderscheidend element vormt in de essentie van de mens, omvat dit alle kenmerkende ‘eigenschappen’ die liggen in de aard van de mens als mens, namelijk de spraak, moraliteit, bestuur, religie, immoraliteit enz., elke realiteit die afwezig is bij alle andere wezens in deze fysieke wereld. (C. N. Bittle, The Science of Correct Thinking, Logic, Milwaukee: 1947, p. 73-74)

Document

Naam: DE BETEKENIS VAN DE OORSPRONKELIJKE EENZAAMHEID VAN DE MENS
Theologie van het Lichaam,
Deel 1, De oorspronkelijke eenheid van man en vrouw,
catechese over het Boek Genesis
nr. 5
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 10 oktober 1979
Copyrights: © 1981, "Naar Gods beeld, man en vrouw", uitg. Nieuwe Stad, Antwerpen
Aanvullende vertalingen: Stg. InterKerk, Poeldijk
Bewerkt: 29 augustus 2016

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam