• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De hulp, die de Kerk door de Christenen wil bieden aan de menselijke activiteit

Het Concilie spoort de christenen, die immers burgers zijn van beide Steden, aan om, geleid door de geest van het Evangelie, met ijver en getrouwheid hun aardse taken te vervullen. Men wijkt af van de waarheid, als men, wetend, dat wij hier geen blijvende Stad hen, maar de toekomstige zoeken Vgl. Hebr. 13, 14 , meent daarom zijn aardse taken te mogen verwaarlozen, zonder er aan te denken, dat het geloof zelf ons, ieder volgens zijn eigen roeping, daartoe nog meer verplicht. Vgl. 2 Tess. 3, 6-13 Vgl. Ef. 4, 28 Maar niet minder onjuist is de tegenovergestelde mening, dat men zó mag opgaan in aardse zaken, alsof deze niets te maken zouden hebben met het godsdienstig leven en alsof dit laatste zich slechts zou beperken tot akten van eredienst en tot enkele morele verplichtingen. De scheiding, die bij velen aanwezig is, tussen het geloof, dat zij belijden, en hun dagelijks leven behoort tot de ergste dwalingen van onze tijd.

Deze wantoestand werd reeds in het Oude Testament heftig gehekeld door de profeten Vgl. Jes. 58, 1-12 , en veel meer nog heeft in het Nieuwe Testament Jezus Christus zelf daartegen gewaarschuwd onder bedreiging met de zwaarste straffen. Vgl. Mt. 23, 2-23 Vgl. Mc. 7, 10-13 Laat men dus geen kunstmatige tegenstelling construeren tussen de beroepswerkzaamheden en sociale activiteiten enerzijds en het godsdienstig leven anderzijds. De christen, die zijn aardse taken verwaarloost, verwaarloost zijn plichten jegens de naaste en jegens God zelf en brengt zijn eeuwig heil in gevaar. Laten de christenen het voorbeeld volgen van Christus, die een ambacht uitoefende, en blij zijn, al hun aardse activiteiten zó te mogen verrichten, dat zij hun menselijke inspanning in het gezin, in hun beroep, in de wetenschap en de techniek in één vitale synthese kunnen verbinden met de religieuze waarden, die door hun verheven oriëntering alles tezamen richten op de eer van God.

De wereldlijke taken en activiteiten vormen het eigen, hoewel niet uitsluitende terrein van de leken.

Wanneer zij dus, individueel of collectief, optreden als burgers van de wereld, moeten zij niet alleen de eigen wetten van iedere wetenschap in acht nemen, maar daarin ook een echte bekwaamheid trachten op te doen.

Zij zullen graag samenwerken met hen, die dezelfde doelstellingen nastreven. Vol eerbied voor de eisen van het geloof en gesterkt door zijn kracht, moeten zij, waar het nodig is, voortdurend bedacht zijn op nieuwe initiatieven en deze trachten te verwezenlijken. Het is hun taak om van uit een goed gevormd geweten er voor te zorgen, dat de goddelijke wet haar stempel drukt op het leven van de aardse Stad. De leken moeten van de priesters licht en kracht verwachten in geestelijk opzicht. Maar laten zij niet menen, dat hun herders altijd de nodige bekwaamheid bezitten om een concrete oplossing bij de hand te hebben voor ieder, ook ernstig probleem, dat zich voordoet, en dat dit tot hun zending behoort. Zij moeten veeleer hun eigen verantwoordelijkheid aandurven in het licht van christelijke wijsheid en met eerbiediging van wat het leerambt voorhoudt. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen, Mater et Magistra (15 mei 1961), 240-241 Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen, Mater et Magistra (15 mei 1961), 25.41-42

Dikwijls zal hun christelijke visie op de werkelijkheid hen in bepaalde omstandigheden doen denken aan die of die oplossing. Andere gelovigen daarentegen zullen even oprecht anders over dezelfde zaak oordelen, gelijk dikwijls voorkomt en met alle recht.

Wanneer de oplossingen, die van verschillende zijden worden voorgesteld, door velen gemakkelijk in verband worden gebracht met de boodschap van het Evangelie, ook buiten de bedoelingen van de betrokkenen, dan moeten zij er aan denken, dat in dergelijke gevallen niemand zich alleen voor zijn opvatting op het gezag van de Kerk mag beroepen. Altijd moeten zij trachten elkaars opvattingen te verhelderen door een eerlijk gesprek, met behoud van de onderlinge liefde en vóór alles bezorgd voor het algemeen welzijn.

De leken, die een actieve rol dienen te spelen in heel het leven van de Kerk, hebben niet alleen de plicht de wereld te bezielen met een christelijke geest, maar zijn ook geroepen om in alle omstandigheden, midden in de menselijke samenleving, getuigen van Christus te zijn.

Wat de bisschoppen betreft, die tot taak hebben de Kerk Gods besturen, zij moeten met hun priesters de boodschap van Christus zo verkondigen, dat alle aardse activiteiten van de gelovigen worden doortrokken van het licht van het Evangelie. Bovendien moeten alle herders er aan denken, dat zij door hun dagelijks gedrag en hun dagelijkse zorg 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 aan de wereld het gelaat tonen van de Kerk, waarnaar de mensen de kracht en de waarheid van de christelijke boodschap beoordelen. Door hun leven en hun woord moeten zij, samen met de religieuzen en hun gelovigen, het bewijs leveren, dat de Kerk, alleen reeds door haar aanwezigheid met alle gaven, die zij te bieden heeft, de onuitputtelijke bron is van de energie, waaraan de moderne wereld zoveel behoefte heeft. Laten zij voortdurend studeren om zo in staat te zijn, een actief aandeel te hebben in de dialoog met de wereld en met de mensen van iedere geestesrichting. Laten zij vooral de woorden ter harte nemen van dit Concilie:

"Naar mate de mensheid tegenwoordig steeds meer een eenheid wordt op burgerlijk, economisch en sociaal gebied, des te meer moeten de priesters, in een eendrachtig streven en met bundeling van hun krachten onder de leiding van de bisschoppen en van de paus, alles uitbannen, wat hun arbeid kan versnipperen, opdat heel de mensheid moge komen tot de eenheid van het volk Gods.” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28

Ofschoon de Kerk, dank zij de kracht van de Heilige Geest, zich altijd de getrouwe bruid van haar Heer heeft getoond en nooit opgehouden heeft een teken van heil te zijn in de wereld, is zij er zich ook terdege van bewust, dat er in de loop van zoveel eeuwen sommige van haar leden Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Over de maagdelijkheid, De virginitate. Cap. VIII, n. 48: P.L. 16, 278, geestelijken zowel als leken, ontrouw zijn geweest aan de Geest van God. Ook in onze tijd beseft de Kerk volledig welk een discrepantie er bestaat tussen de boodschap, die zij brengt, en de menselijke zwakheid van hen, aan wie het Evangelie wordt toevertrouwd. Hoe ook het oordeel van de geschiedenis over dergelijke tekorten mag luiden, wij moeten ons van deze tekorten bewust zijn en ze met kracht bestrijden, opdat ze geen schade opleveren voor de verbreiding van het Evangelie. Ook vergeet de Kerk niet, hoe zij uit eeuwenlange ervaring een steeds grotere rijpheid moet opdoen voor het uitbouwen van haar betrekkingen met de wereld. Onder de leiding van de Heilige Geest "spoort onze Moeder, de Kerk, voortdurend haar kinderen aan tot zuivering en vernieuwing om het teken van Christus duidelijker te doen stralen op het gelaat van de Kerk”. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 15

1. Het is, vooral waar men te maken heeft met een samenleving van pluralistisch type, van groot belang, dat men een juiste kijk heeft op de verhouding tussen de politieke gemeenschap en de Kerk en dat men duidelijk onderscheid maakt tussen hetgeen de gelovigen, individueel of in groepsverband, doen in eigen naam als burgers, volgens hun christelijk geweten, en hetgeen zij doen in naam van de Kerk en in vereniging met hun herders.

2. De Kerk, die zich uit hoofde van haar taak en bevoegdheid op geen enkele manier vereenzelvigt met een politieke gemeenschap en zich aan geen enkel politiek systeem bindt, is tegelijk het teken en de bescherming van het transcendente karakter van de menselijke persoon.

3. De politieke gemeenschap en de Kerk zijn op hun eigen gebied onafhankelijk van elkaar en autonoom. Maar zij staan beiden, zij het op verschillende gronden, in dienst van de persoonlijke en sociale roeping van dezelfde mensen. Dit dienstbetoon aan het welzijn van allen zullen zij met des te meer vrucht kunnen uitoefenen naar mate zij beiden intenser streven naar een gezonde onderlinge samenwerking, rekening houdend ook met de omstandigheden van tijd en plaats. Want de mens is niet beperkt tot de aardse horizon alleen, maar levend in de menselijke geschiedenis, behoudt hij volledig zijn eeuwige roeping. En de Kerk, gesticht in de liefde van de Verlosser, draagt er toe bij, de rechtvaardigheid en de liefde steeds meer te verbreiden binnen de grenzen van een land en onder alle volken. Door de prediking van de waarheid van het Evangelie en door alle sectoren van de menselijke activiteit te verlichten door haar leer en door het getuigenis van de Christenen, respecteert en stimuleert zij ook de politieke vrijheid en verantwoordelijkheid van de burgers.

4. Omdat de apostelen en hun opvolgers met hun medewerkers de zending ontvangen om aan de mensen Christus te verkondigen, de Verlosser der wereld, steunen zij bij de uitoefening van hun apostolaat op de macht van God, die zeer dikwijls in de zwakheid van de getuigen de kracht openbaart van het Evangelie. Want wie zich wijdt aan de dienst van het woord Gods, moet de wegen en middelen gebruiken, die eigen zijn aan het Evangelie en die in verschillende opzichten afwijken van de hulpmiddelen van de aardse Stad.

5. Er bestaat tussen de aardse dingen en die, welke in het menselijk bestaan over deze wereld heen reiken, wel een nauw verband, en de Kerk zelf maakt gebruik van aardse middelen, waar dit nodig is voor haar eigen zending; toch stelt zij haar hoop niet op voorrechten, die haar door het burgerlijk gezag worden verleend, integendeel, zij zal van de uitoefening van bepaalde rechtmatig verkregen rechten afzien, wanneer zij constateert, dat het gebruik maken er van twijfel zou oproepen aan de oprechtheid van haar getuigenis of dat gewijzigde levensomstandigheden andere beschikkingen nodig maken. Maar altijd en overal moet zij het recht hebben om in echte vrijheid het geloof te prediken, haar sociale leer te onderwijzen, haar zending onder de mensen onbelemmerd uit te oefenen en een moreel oordeel te geven ook over dingen, die de politieke orde raken, wanneer dit vereist wordt door de fundamentele rechten van de persoon of door het zielenheil. En zij zal dit doen met alle middelen en alleen die middelen, welke in overeenstemming zijn met het Evangelie en met het welzijn van alle mensen, in het licht van de verschillende tijden en situaties.

6. Door haar trouw aan het Evangelie en door de vervulling van haar zending in de wereld is de Kerk, die als roeping heeft, al het ware, goede en schone in de mensengemeenschap te bevorderen en te veredelen Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 13, een hechte steun voor de vrede onder de mensen, tot eer van God Vgl. Lc. 2, 14 .

Document

Naam: GAUDIUM ET SPES
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1968, Ecclesia Docens 0724, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 23 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam