• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De Hogepriester van het nieuw en eeuwig verbond, Christus Jezus, heeft door Zijn menswording in dit aardse ballingsoord de lofzang ingeleid, die in de hemel door alle eeuwen heen gezongen wordt. Hij maakt heel de mensengemeenschap één met Zich zelf, en Hij verenigt haar met Zich in het zingen van dit goddelijk loflied.

Deze priesterlijke taak immers zet Hij voort door middel van Zijn Kerk, die niet alleen door de viering van de Eucharistie, maar ook op andere wijzen, vooral door het goddelijk officie, de Heer voortdurend prijst en voor het heil van de gehele wereld ten beste spreekt.

Het goddelijk officie is volgens de oude christelijke overlevering zó samengesteld, dat de gehele loop van dag en nacht geheiligd wordt door de lof van God. Wanneer dit wonderbaar loflied op de juiste wijze wordt verricht door de priesters en door anderen, die krachtens de instelling van de Kerk hiertoe zijn aangewezen, of door de gelovigen, die samen met de priester bidden volgens goedgekeurde vormen, dan is dit waarlijk de stem van de Bruid zelf, die haar Bruidegom toespreekt, ja, dan is dit ook het gebed van Christus, met Zijn Lichaam, tot de Vader.
Daarom voldoen allen, die dit gebed verrichten, aan een plicht van de Kerk en delen zij tevens in de hoogste eer van Christus' Bruid, omdat zij, bij het zingen van Gods lof, in naam van de Moeder-Kerk voor Gods kroon staan.
De priesters, die zich aan het heilig ministerie van de zielzorg wijden, zullen met des te meer ijver de lofzang van het brevier bidden, naarmate zij zich levendiger bewust zijn van hun plicht om Paulus' aansporing op te volgen: "Bidt zonder ophouden" (1 Tess. 5, 17), want alleen de Heer, die gezegd heeft: "Zonder Mij kunt gij niets" (Joh. 15, 5), kan aan hun werk vruchtbaarheid en wasdom geven; daarom zeiden de apostelen, toen zij de diakens aanstelden: "Wij zelf zullen ons blijven wijden aan het gebed en de bediening van het woord". (Hand. 6, 4)
Om nu de priesters en de andere leden van de Kerk in staat te stellen, het goddelijk officie in de huidige omstandigheden beter en volmaakter te bidden, heeft het heilig Concilie, in aansluiting op de vernieuwing, die de Apostolische Stoel zo gelukkig heeft ingezet, het volgende willen bepalen omtrent het officie van de Romeinse ritus.
Omdat het officie tot doel heeft, de dag te heiligen, moet het traditionele schema van de getijden zó herzien worden, dat de Uren, zo mogelijk, hun plaats weer krijgen op de juiste tijd, en dat tevens rekening wordt gehouden met de huidige levensomstandigheden vooral van hen, die zich wijden aan werken van apostolaat.
Daarom moeten bij de vernieuwing van het officie volgende normen in acht genomen worden:
  1. De lauden, als zijnde het morgengebed, en de vespers, als zijnde het avondgebed, zijn volgens de eerbiedwaardige overlevering van de gehele Kerk de twee kernpunten van het dagelijks officie en moeten daarom als de voornaamste Uren beschouwd en ook als zodanig gevierd worden.
  2. De completen moeten zó worden opgesteld, dat ze goed passen bij het einde van de dag.
  3. Ofschoon de metten in het koor het karakter van een nachtelijke lofzang behouden, moeten ze zó worden aangepast, dat ze op ieder uur van de dag gebeden kunnen worden en dat ze worden opgebouwd uit minder psalmen en langere lezingen.
  4. De prime komt te vervallen.
  5. In het koor moeten de Kleine Uren van terts, sext en noon behouden blijven. Buiten het koor kan men er van de drie één uitkiezen, die het beste aansluit bij de tijd van de dag.
Omdat verder het goddelijk officie, als het publiek gebed van de Kerk, een bron is van godsvrucht en een voedsel voor het persoonlijk gebed, worden de priesters en alle anderen, die aan het goddelijk officie deelnemen, dringend aangespoord, er voor te zorgen, dat bij het bidden van het officie hun geest in harmonie is met hun stem. Tot dit doel moeten zij zich een rijkere kennis eigen maken van de liturgie en de bijbel, vooral van de psalmen.

Bij de vernieuwing moet er een passend gebruik worden gemaakt van de eerbiedwaardige en eeuwenoude schat van het Romeins officie, zodat allen, aan wie hij gegeven wordt, er ruimer en gemakkelijker van kunnen profiteren.

Wil het in artikel 89 voorgestelde schema der getijden daadwerkelijk doorgevoerd kunnen worden, dan moeten de psalmen niet meer over één week, maar over een langere tijdsruimte worden verdeeld.

Het zo goed begonnen werk van de herziening van het psalterium moet zo spoedig mogelijk worden voltooid, en hierbij moet rekening gehouden worden met het christelijk Latijn, met het liturgisch gebruik, ook in de zang, en met de gehele traditie van de Latijnse Kerk.

Met betrekking tot de lezingen moet het volgende in acht genomen worden:
  1. De lezing van de heilige Schrift moet zó worden geregeld, dat de schatten van het woord Gods in ruimere mate en gemakkelijker toegankelijk worden.
  2. De lezingen uit de werken van de Vaders, de kerkleraars en de kerkelijke schrijvers moeten juister worden gekozen.
  3. De geschiedenissen van de martelaren en de levens der heiligen moeten uit historisch-kritisch oogpunt worden herzien.
De hymnen moeten, voor zover dit gewenst lijkt, in hun oorspronkelijke vorm worden hersteld, met weglating of verandering van datgene, wat een mythologische tint heeft of niet goed past bij de christelijke vroomheid. Ook moeten, zo mogelijk, andere hymnen uit de bestaande collecties worden opgenomen.
Om de dag daadwerkelijk te heiligen en zijn geestelijk voordeel te doen met het goddelijk officie verdient het de voorkeur, de Uren te bidden op de tijd, die het dichtst komt bij de eigenlijke tijd van het betreffende canonieke Uur.
De gemeenschappen, die gehouden zijn tot het koorgebed, zijn verplicht om, naast de conventuele Mis, dagelijks in koor het goddelijk officie te vieren, en wel als volgt:
  1. De orden van kanunniken, monniken en monialen, en van andere regulieren, die krachtens het recht of de constituties tot het koorgebed zijn gehouden, het gehele officie.
  2. De kathedrale en collegiale kapittels, die gedeelten van het officie, die hun door het algemeen of particulier recht worden opgelegd.
  3. Alle leden van de genoemde gemeenschappen, die de hogere wijdingen hebben ontvangen of plechtige geloften hebben afgelegd, met uitzondering van de conversen, moeten de canonieke Uren, die zij niet in koor verrichten, voor zich zelf bidden.
De clerici, die niet tot het koorgebied gehouden zijn, hebben, als zij de hogere wijdingen hebben ontvangen, de plicht om dagelijks, hetzij gemeenschappelijk hetzij afzonderlijk, het gehele officie te bidden, overeenkomstig artikel 89.
De gevallen, waarin het goddelijk officie kan worden vervangen door een liturgische handeling, moeten door de rubrieken worden aangegeven.

In afzonderlijke gevallen en om een rechtmatige reden kunnen de ordinarii hun onderhorigen geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de verplichting om het officie te bidden, of dit commuteren.

De leden van alle instituten van volmaaktheid, die krachtens hun constituties bepaalde gedeelten van het goddelijke officie bidden, verrichten het publieke gebed van de Kerk.

Eveneens verrichten zij het publieke gebed van de Kerk, als zij krachtens de constituties een of ander klein officie bidden, mits dit is samengesteld op dezelfde wijze als het goddelijk officie en officieel is goedgekeurd.

Omdat het goddelijk officie de stem is van de Kerk ofwel van heel het mystieke Lichaam, dat publiek lof brengt aan God, verdient het aanbeveling, dat clerici, die niet tot het koor gehouden zijn, en vooral priesters, die in gemeenschap leven of bij elkaar komen, minstens een of ander gedeelte van het goddelijk officie gezamenlijk bidden.

Allen, die in koor of gemeenschappelijk het officie bidden, moeten de hun opgelegde taak zo volmaakt mogelijk volbrengen, zowel met innerlijke godsvrucht als met een eerbiedige uiterlijke houding.

De zielenherders moeten ervoor zorgen, dat de voornaamste Uren, vooral de vespers, op zondagen en grotere feesten gemeenschappelijk in de Kerk worden gevierd. Ook de leken wordt aanbevolen, het goddelijk officie te bidden, ofwel samen met de priesters ofwel met elkaar of ook alleen.
  1. Overeenkomstig de eeuwenoude traditie van de Latijnse ritus moet voor de clerici bij het goddelijk officie het Latijn gehandhaafd blijven. De ordinarius heeft echter de bevoegdheid om aan de clerici, voor wie het gebruik van het Latijn een ernstig beletsel vormt voor het behoorlijk bidden van het officie, het gebruik toe te staan van een vertaling in de volkstaal, vervaardigd overeenkomstig artikel 36.
  2. Aan de monialen en aan de leden van de instituten van volmaaktheid, zowel mannen niet-clerici als vrouwen, kan de bevoegde overste toestaan om bij het goddelijk officie, ook als dit in koor gevierd wordt, het gebruik van de volkstaal toe te staan, mits de vertaling is goedgekeurd.
  3. Iedere clericus, die tot het goddelijk officie is gehouden en die dit officie in de volkstaal bidt samen met een groep gelovigen of met degenen, die in § 2 worden genoemd, voldoet aan zijn verplichting, mits de tekst van de vertaling is goedgekeurd.

Document

Naam: SACROSANCTUM CONCILIUM
Over de heilige liturgie
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Datum: 4 december 1963
Copyrights: © 1964, Ecclesia Docens 0707, Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 8 februari 2018

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam