• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Door middel van de gemeenschap van personen, die in het huwelijk verwezenlijkt wordt, stichten man en vrouw een gezin. Met het gezin hangt de genealogie van iedere mens samen: de genealogie van de persoon. Het menselijk vaderschap en moederschap wortelen in de biologie van de mens en stijgen hier tegelijkertijd boven uit. Wanneer de apostel Paulus "zijn knieën buigt voor de Vader, naar wie alle vaderschap (en moederschap) in de hemel en op aarde genoemd wordt", houdt hij in zekere zin ons de hele wereld voor ogen van de levende wezens, van de geestelijke in de hemel tot de lichamelijke op aarde. Iedere vorm van ouderschap vindt zijn oorspronkelijk model in het vaderschap van God. In het geval van de mens is deze 'kosmische' dimensie van gelijkenis met God echter niet voldoende om op geschikte wijze de verhouding van vaderschap en moederschap te bepalen. Wanneer uit de huwelijksband van de twee een nieuwe mens geboren wordt, brengt deze op aarde een bijzonder beeld van en een bijzondere gelijkenis met God zelf met zich mee: in de biologie van het ouderschap staat de genealogie van de persoon geschreven. Door te zeggen dat de gehuwden, als ouders, bij de conceptie en het voortbrengen van een nieuw menselijk leven medewerkers van God de Schepper zijn, verwijzen wij niet alleen naar de wetten van de biologie; wij willen hiermee veeleer onderstrepen dat in het menselijk vader- en moederschap God zelf op een andere manier aanwezig is dan bij elke andere vorm van voortbrengen "op aarde" . Van God alleen kan immers "dat beeld en die gelijkenis" afkomstig zijn die eigen zijn aan het menselijk leven, zoals dat bij de schepping gebeurd is. Voortplanting is de voortzetting van de schepping.

Zo staan dus de ouders zowel bij de conceptie als bij de geboorte van een nieuwe mens voor een "groot geheim" (Ef. 5, 32). Ook het nieuwe menselijke wezen is, niet anders dan de ouders, geroepen tot het bestaan als persoon, is geroepen tot een leven "in waarheid en liefde". Dit geroepen zijn stelt zich niet alleen open voor wat is in de tijd, maar stelt zich in God ook open voor de eeuwigheid. Dit is de dimensie van de genealogie van de persoon, die Christus ons definitief heeft geopenbaard door het licht van zijn evangelie te laten schijnen over leven en dood van de mens en daardoor over de betekenis van het menselijk gezin.

De mens is, zoals het Concilie zegt, "op aarde het enige schepsel dat om zichzelf door God is gewild". De geboorte van de mens komt niet alleen overeen met de wetten van de biologie, maar ook rechtstreeks met de scheppende wil van God: het is de wil die de genealogie van de zonen en de dochters van de menselijke gezinnen betreft.

God heeft de mens vanaf het begin 'gewild' - en God 'wil' hem bij iedere menselijke conceptie en geboorte., God 'wil' de mens als een wezen dat als persoon aan Hem gelijk is. Deze mens, iedere mens, is door God 'om zichzelf' geschapen.

Dit betreft allen, ook hen die met ziekten of gebreken geboren worden. In ieders persoonlijke constitutie staat de wil geschreven van God, die de mens in zekere zin als doel op zichzelf gewild heeft. God geeft de mens aan zichzelf in beheer door hem tijdelijk toe te vertrouwen aan het gezin en aan de maatschappij als een opdracht. De ouders zijn zich, of zouden dat moeten zijn, ten opzichte van een nieuw menselijk wezen volledig bewust van het feit dat God deze mens 'wil om zichzelf'.

Deze beknopte manier van formuleren is rijk aan betekenis en heeft een diepe zin. Vanaf het ogenblik van de conceptie en vervolgens vanaf de geboorte is het nieuwe wezen ertoe bestemd ten volle zijn mens-zijn tot uitdrukking te brengen - zichzelf als mens te "vinden". Dit geldt voor allen zonder uitzondering, ook voor zieken en gebrekkigen. 'Mens-zijn' is zijn fundamentele roeping, "menszijn" naar de mate van de ontvangen gave. Naar de mate van dat 'talent', dat het mens-zijn zelf is, en alleen hierna pas naar de mate van de andere talenten. In deze zin wil God deze mens' om zichzelf'. In Gods plan gaat echter de roeping van de persoon boven de grenzen van de tijd uit. Zij komt tegemoet aan de wil van de Vader, geopenbaard in het mensgeworden Woord: God wil de mens laten delen in zijn eigen goddelijk leven. Christus zegt: "Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed" (Joh. 10, 10).

Is het eigenlijke doel van de mens niet in tegenspraak met de woorden, dat de God de mens 'om zichzelf' wil? Als hij geschapen is voor het goddelijk leven, bestaat de mens dan werkelijk 'om zichzelf'? En dit is nu een cruciale vraag van groot belang, zowel voor het ontluiken als voor het doven van zijn aards bestaan: zij is van belang voor heel zijn levensloop. Het zou de schijn kunnen wekken, dat God door de mens voor het goddelijk leven te bestemmen, hem definitief onttrekt aan zijn bestaan "om zichzelf". Wat is de verhouding die er bestaat tussen het leven van de persoon en het deel hebben aan het leven van de Drieëenheid? Augustinus geeft ons hierop een antwoord met de beroemde woorden: "Onrustig is ons hart, tot het rust in U." Dit "onrustig hart" geeft aan, dat er in het geheel geen tegenstelling is tussen de ene finaliteit en de andere, maar een verband, een nevenschikking, een diepgaande eenheid. Door zijn genealogie zelf bestaat de persoon, die naar het beeld van God, op Hem gelijkend, geschapen is, 'om zichzelf' en verwezenlijkt hij zich, juist omdat hij deel heeft aan het leven van God. De inhoud van deze verwezenlijking is de volheid van het leven in God, een volheid waarover Christus spreekt Vgl. Joh. 6, 37-40 , die ons juist verlost heeft, om ons hierin binnen te leiden Vgl. Mc. 10, 45 .

De gehuwden wensen kinderen voor zichzelf en in hen zien zij de bekroning van hun wederzijdse liefde. Zij verlangen kinderen voor het gezin als een zeer kostbare gave. Het is in zekere mate een begrijpelijk verlangen. In de echtelijke liefde en in die van de vader en de moeder dient echter de waarheid over de mens een plaats te krijgen, zoals die op kernachtige en nauwkeurige wijze door het Concilie tot uitdrukking gebracht is, wanneer het zegt dat God "de mens wil om zichzelf". Daarom is het nodig dat de liefde van de ouders afgestemd wordt op de liefde van God: in die zin moeten zij het nieuwe menselijke schepsel willen, zoals de Schepper het wil: "om zichzelf". De menselijke wil is altijd en onvermijdelijk onderworpen aan de wet van tijd en vergankelijkheid. De goddelijke wil is integendeel eeuwig. "Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit" - lezen wij in het boek van de profeet Jeremia - "voordat ge geboren werd, bestemde Ik u voor Mij" (Jer. 1, 5). De genealogie van de persoon is daarom allereerst verbonden met de eeuwigheid van God en pas daarna met het vaderschap en moederschap, die in de tijd verwezenlijkt worden. Op het moment zelf van de conceptie is de mens al gericht op de eeuwigheid in God.

Document

Naam: GRATISSIMAM SANE
Brief aan de Gezinnen - Bij gelegenheid van het Internationaal Jaar van het Gezin
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 2 februari 1994
Copyrights: © 1994, RK Voorlichting, Oegstgeest / 1994, SRKK, Utrecht
Bewerkt: 3 november 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam