• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"IK WAS HONGERIG EN GIJ HEBT MIJ TE ETEN GEGEVEN"
Veertigdagentijd 1984

Dierbare broeders en zusters in Christus,

Hoe dikwijls hebben wij niet de aangrijpende tekst gelezen en gehoord van het vijfentwintigste hoofdstuk van het Evangelie van de heilige Matteüs: 'Wanneer dan de mensenzoon in zijn heerlijkheid komt. . ., zal Hij zeggen: 'Komt, gezegenden van mijn Vader ... , want Ik was hongerig, en gij hebt Mij te eten gegeven .. .' !

Ja, de Verlosser der wereld heeft honger: alle vormen van honger die zich onder zijn broeders, de mensen, openbaren, zijn de zijne. Hij lijdt met degenen die niet in staat zijn hun lichaam te voeden: met al die volkeren die slachtoffer zijn van droogte of van slechte economische omstandigheden, al die gezinnen die te maken hebben met werkloosheid of met een onzekere werkgelegenheid. En toch: onze aarde kan en moet al haar bewoners voeden; niet alleen de allerjongsten en de bejaarden, maar evengoed alle categorieën van werkende mensen die zich tussen deze beide groepen bevinden.

Christus lijdt ook met hen die - terecht - hongeren naar gerechtigheid en naar eerbied voor hun menselijke waardigheid, met hen die van hun fundamentele vrijheden beroofd zijn, met hen die verlaten zijn of, erger nog, in hun toestand van armoede uitgebuit worden.

Christus lijdt met degenen die naar een rechtvaardige en algemene vrede streven, daar waar deze door zoveel conflicten en door een waanzinnige overbewapening wordt verwoest of bedreigd. Is het soms toegestaan te vergeten dat de wereld moet worden opgebouwd, en niet vernietigd? In één woord: Christus lijdt met alle slachtoffers van stoffelijke, zedelijke en geestelijke ellende. 'Ik was hongerig, en gij hebt Mij te eten gegeven ... , Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij opgenomen, ziek, en gij zijt Mij komen bezoeken' (Mt. 25, 35-36). Ooit zullen deze woorden tot ieder van ons gericht worden: op de dag van het laatste oordeel. Maar nu reeds zijn het woorden die een oproep tot ons doen en die ons oordelen.

Iets geven van onze overvloed, zelfs van hetgeen ons noodzakelijk is, komt niet altijd voort uit een spontane drang van onze natuur. Dit is zeer zeker de reden waarom wij, in een geest van broederlijkheid, onze ogen onophoudelijk open moeten houden voor de persoon en het leven van onze medemens, waarom wij in onszelf die honger en die dorst naar delen met de anderen, naar gerechtigheid en vrede, moeten aanwakkeren, zodat wij overgaan tot het werkelijk stellen van die daden die er toe zullen bijdragen dat zwaar beproefde personen en volkeren geholpen worden.

Dierbare broeders en zusters, laten wij, gedurende deze vastentijd van het jubeljaar der verlossing, ons eens te meer bekeren, ons oprechter met God en met onze broeders verzoenen. Deze geest van boetvaardigheid, van delen met de naaste en van vasten zal in concrete daden vertaald moeten worden: daden waartoe uw plaatselijke kerken u ongetwijfeld zullen uitnodigen.

'Ieder geve zoals hij het in zijn hart zich heeft voorgenomen; maar niet met tegenzin of noodgedwongen. Want God heeft een blijmoedige gever lief. Deze aansporing van de heilige Paulus, gericht tot de Korintiërs, is in alle opzichten actueel (2 Kor. 9, 7). Het zij u gegeven een diepe vreugde te ervaren door uw voedsel met anderen te delen; door de vreemdeling gastvrijheid te verlenen; door op allerlei manieren uw bijdragen te leveren aan de menselijke vooruitgang van de armen; door de werklozen werk te verschaffen; door op achtenswaardige wijze en met de vereiste moed de verantwoordelijkheden op u te nemen welke uw leven als burger en de uitoefening van een beroep in de maatschappij u opleggen; door in het heiligdom dat uw gezin is en in àl uw menselijke betrekkingen vrede te doen heersen! In dat alles komt de liefde tot God tot uiting: die liefde waartoe wij ons moeten bekeren, en die niet los gezien kan worden van de - zo vaak dringend geboden - dienstbaarheid jegens onze medemens. Laat ons wensen - en mogen wij verdienen - dat wij op de jongste dag Christus tot ons horen zeggen dat wij naar de mate waarin wij het goede voor één van zijn geringste broeders gedaan hebben, dit Hemzelf betoond hebben!

Document

Naam: "IK WAS HONGERIG EN GIJ HEBT MIJ TE ETEN GEGEVEN"
Veertigdagentijd 1984
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Boodschap
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 maart 1984
Copyrights: © 1984, Archief van Kerken, jrg. 39, p. 29
Vert. uit het Frans van het Secretariaat van de RK Bisschoppenconferentie
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam