• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
In de vorming van het oude Israël heeft de openbaring van God zich een weg gebaand volgens het scenario van de spanningen, conflicten en gevallen van buitensporig geweld die de geschiedenis begeleiden van alle volken die op zoek zijn naar hun historische bestemming. Van de andere kant kent die openbaring ook alle fijne nuances en sterke tonen van de liefde, de vriendschap, de moederlijke zorg en zelfs van de hartstochtelijke eros.
In elk genre blijkt ook voor de christelijke theologie een beoordeling nodig vanwege de waarde van authentieke openbaring die zij aan de oude Bijbelse geschriften toekent. Laten we er om te beginnen aan herinneren dat de kort samengevatte tegenstelling tussen een God met slechte bedoelingen, de 'toornende en krijgslustige God' en een goede, 'liefdevolle, vergevende' God als hermeneutische sleutel die een onderscheid maakt tussen de te verwerpen Hebreeuwse openbaring en de te aanvaarden evangelische, vanaf het begin van het christelijk tijdperk is afgewezen. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. IV,6,2: St.-Justinus, geciteerd door Ireneüs, wijst de stellingen van Marcion af: 'Et bene Justinus in eo libro qui est ad Marcionem ait quoniam Ipsi quoque Domino non credidissem alterum Deum annuntianti praeter Fabricatorem et Factorem et Nutritorem nostrum Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. IV,20,4 Vgl. Tertullianus, Adversus Marcionem Met name de radicale tegenstelling van een slechte God van het Oude Testamenten een goede van het Nieuwe is met stellige beslistheid afgewezen. De stellige en onmiddellijke weigering van dit dualisme schijnt vanuit een bepaalde hoek zelfs verrassend, wanneer men oog heeft voor het duidelijk apologetische voordeel dat het had kunnen betekenen, hetzij om zich te bevrijden van de ongemakkelijke bladzijden met 'het geweld van God' die van de Bijbel deel uitmaken, hetzij om in duidelijk onaanvaardbare bewoordingen het verschil van de 'nieuwe religie' met het jodendom te markeren. Het is daarom bijzonder schokkend dat deze grove simplificatie tegenwoordig nog steeds wordt gehanteerd binnen een bepaalde volkse apologetiek (en zelfs in hoge culturele milieus).
De heilige Schriften bevatten ongetwijfeld bladzijden die ook op ons, gelovigen, grote indruk maken en die zeer moeilijk te ontraadselen zijn. En paar voorbeelden: God straft het menselijk geslacht met de zondvloed (Gen. 6-7) en Hij verwoest Sodom en Gomorra met het vuur (Gen. 19). God slaat Egypte met een serie strenge straffen, die culmineren in de dood van zijn eerstgeboren zonen en de vernietiging van zijn krijgers (Ex. 7-13). In de tijd van de verovering van het beloofde land horen we meermalen de opdracht tot uitroeiing (anathema) klinken, die betrekking heeft op de legers en op hele steden. Vgl. Joz 6, 21 Vgl. Joz. 8, 22-25 In het raam van de veroveringsoorlogen blijken de verschillende gewelddadige offers ook het aan God gegeven onderpand om zijn steun voor de overwinning te zijn (Num. 21, 1-13). De uitroeiing die volgt op de overwinning is zeker een offerpraktijk die op dezelfde wijze door andere volken wordt gepraktiseerd. Zoals ook de menselijke zoenoffers waarvan in de geschiedenis van het oude Israël sprake is (Lev. 20, 2-5)(2 Kon. 16, 3)(2 Kon. 21, 6). Daarvan getuigt vooral het feit dat in de laatste periode van het profetisme deze praktijken, die in een herlezing van Deuteronomium al worden aangeklaagd als typisch voor Kanaän (Deut. 13, 31), hard worden veroordeeld (Jer. 19, 4-6).
De vormen van geweld waarbij God direct of indirect is betrokken, zij n in de teksten van de Bijbel een complex thema dat, alleen al op historisch-literair niveau, voorwerp is van aandachtige analyse. Het theologische herschrijven van de gebeurtenissen, dat tot doel heeft de aanwezigheid en het oordeel van God in de geschiedenis te benadrukken, maakt gebruik van vormen van verhalende herschikking, vrijer dan de ons vertrouwde, om de openbaring te verhalen van Gods wil in de tekens van de geschiedenis en de plannen van het volk. In andere gevallen zijn de stereotypen van 'de beproeving', van 'de toorn' of van 'het oordeel' van God over het geloof van de mens een uitbreiding van de oproep tot bekering en trouw. Voor de theologische ontraadseling in het algemeen van het thema van het sacrale geweld in de bladzijden van de heilige Schrift, brengen de theologen in hun reflectie traditioneel twee criteria naar voren. Enerzijds onderstreept de theologische traditie het pedagogische karakter van de historische openbaring, die zich een weg moet banen in de context waarbinnen ze moest worden ontvangen en die doordrenkt was van tribale onbeschaafdheid en die zeer verschilt van die welke tegenwoordig onze gevoeligheid vormt. Anderzijds doet ze de historiciteit uitkomen van de ontwikkeling van het geloof dat in de teksten van de Bijbel wordt betuigd. Ze wijst daarbij op een duidelijk aanwezige zich ontwikkelende dynamiek van de wijzen waarop het geweld wordt voorgesteld en beoordeeld, in het perspectief van de voortschrijdende overstijging ervan en vanuit het gezichtspunt van het geloof in de God van de schepping en van het heilsverbond. Deze verhelderende lijnen vormen zeker, in algemene termen, het kader van een op de waarheid gericht betoog. Van de ene kant herinnert ook Jezus zelf eraan dat de meest gezaghebbende interpreten van het woord van God, te beginnen met Mozes zelf (Mc 10,1-12), onontkoombaar geconditioneerd zijn gebleven door een antropologisch en cultureel kader dat diepgaand verweven is met het voor ons onverdraaglijk gewelddadige ethos van een archaïsch sacrale opvatting van eer en offer, conflict en vergelding, oorlog en verovering. Van de andere kant moet een correcte historische en theologische hermeneutiek rekening houden met de culturele en linguïstische stereotypen van de verhalen van de openbaring. Dezelfde Bijbelse herlezing van de tradities herschikt en onderscheidt binnen de Heilige Schrift de theologische betekenis die de geschiedenis van het getuigenis bevat en ziet daarbinnen duidelijk een proces van uitzuivering van het geloof in het Woord van God. De activiteit die bestaat in het herschikken van de herinnering door middel van redactiearbeid en de retrospectieve bewerking van de ervaring, voert de betekenis van de openbaring naar haar voltooide synthese. De zin van het hele proces moet worden aangegeven vanuit het punt van deze voltooiing. Wij voor ons maken ons, in het licht van het Christusgebeuren en door de verlichting die de Geest voortdurend de Kerk biedt, met een steeds groter helderheid, het verschil eigen dat moet worden erkend tussen de authentieke leer van de Kerk betreffende het Woord van God en de culturele en linguïstische stereotypen van de mythe, van de kosmologie en de antropologie, van de ethiek en de politiek, van de volkse religiositeit en het gezond verstand, waarin deze stereotypen nu eenmaal in versimpelde vorm het besef van de tegenwoordigheid en de activiteit van God in de geschiedenis overbrengen.

De laatste betekenis van het verbond van God met het oude volk Israël blijft de openbaring van zijn barmhartigheid en zijn gerechtigheid. Men denke bijvoorbeeld aan de geïnspireerde herziening in de deuteronomistische traditie die, alle misverstanden achter zich latend, betrekking heeft op de betekenis van het verbond met God dat eerder gebonden is aan de kwaliteit van het geloof dan aan het formalisme van de wet. Of aan de bijdrage van de profetische traditie, die gericht is op het kritiseren van het geëxalteerde zelfbewustzijn van de religieus-politieke instantie die het primaat van het geloof en het zoeken van Gods gerechtigheid aantast. Of aan de geweldige herlezing van de oude ervaring van God en de geschiedenis van Israël die in de traditie van de Wijsheid wordt verkend in het perspectief van 'het oorspronkelijke verbond' van God met het leven van de mens dat is vastgelegd in de structuur van 'de geschapen wereld' : alles ontsluit zich voor de confrontatie van het Woord van God met de schoonheid en de dramatiek van de universele condition humaine.

Langs deze as is het middelpunt van de Bijbelse boodschap zonder moeite te bepalen en te herkennen in de liefde van God die zich de gesprekspartner van de mens wil maken om hem zijn vrijheid terug te geven en in hem de achting voor zijn eigen gerechtigheid wil herstellen. Het is onmogelijk aan Gods machten gerechtigheid te ontkomen: dat weet iedere religie. En toch wil God in vrijheid worden erkend en zich aanbieden als antwoord op de verantwoordelijkheid van de mens; Hij wil worden bemind in de vrije gave van zichzelf en niet worden ondergaan als de onontkoombare macht van het lot. De wijze waarop de mens de manifestatie van zijn machten van zijn liefde ontvangt, is integrerend onderdeel van de openbaring, maar het geloof waarin deze manifestatie wordt ontvangen en doorgegeven, kan niet anders dan spreken in de taal en de beelden van de mensen en het is hun onmogelijk om de uiteindelijke waarheid van de band tussen de liefde en de macht van God volmaakt transparant op te nemen. Blijft het feit dat de oorspronkelijkheid van het Woord van God dat wij overeenkomstig de Bijbelse openbaring van de Heilige Schrift erven, een wezenlijke en ondubbelzinnige erfenis heeft voortgebracht: het laatste woord met betrekking tot de waarheid van het mysterie van God in de geschiedenis van de mens moet worden gelaten aan de macht van de liefde. De aanhanger van het Bijbelse geloof weet dat hij zich niet vergist wanneer hij zijn geloof op die manier samenvat, zelfs wanneer hij niet in staat is de woorden en de tekenen precies te ontraadselen.

Overigens is liefde voor de macht ook nooit het eerste woord van God geweest. Deze liefde heeft daarentegen aan de basis gelegen van de verleiding en de almachtswaan van de eerste Adam. Die hebben de creatuurlijke relatie verduisterd en voor altijd de taal besmet van het menselijke vertoog over God, de theo-logie, al kunnen ze de heling ervan niet beletten. St. Paulus schrijft:

"Wij zijn mensen (en sarki), dat wel, maar wij strijden niet met menselijke middelen. De wapens waarmee wij strijden zijn niet menselijk (kata sarka), ze zijn geladen met Gods kracht, in staat om elk bolwerk neer te halen. Wij werpen redeneringen omver, elke verschansing die wordt opgeworpen tegen de kennis van God. Wij nemen elke gedachte gevangen om haar tot gehoorzaamheid aan Christus te brengen' (2 Kor. 10, 3-5).

In een passage als deze (en andere dergelijke, Vgl. Ef. 6, 17 ) vindt men een treffend voorbeeld van de definitieve verworvenheid van de omkering van de taal, waarin de christologische interpretatie doorslaggevend is voor het conflict waarin de religie op het spel staat. Deze omkering is overigens voorbereid in de rijpe vrucht van het oude profetisme. Het toneel van het drama is voortaan de hele geschiedenis van de zonde van de wereld, door middel waarvan de machten van het kwaad die ons overheersen, Gods gerechtigheid verduisteren, door het bloed van mensen te vergieten en de vijandschap tussen de volken te voeden. De strijd voor de waarheid van God en tegen het ongeloof van de mensen en de zonde van de wereld bestaat nu juist in de daad van de verkondiging van de liefde, die de werkelijkheid verandert door middel van het geleefde geloofsgetuigenis. Het antwoord van het geloof op het geweld van mensen ontdoet zich zo van de dubbelzinnigheid van een religieus geweld dat de pretentie heeft vooruit te lopen op het eschatologische oordeel van God. Met andere woorden, het kan niet zonder zichzelf ernstig tegen te spreken ontaarden in een godsdienstoorlog tussen mensen en moorddadig geweld in naam van het geloof.

Onze vaders in het geloof waren dus niet zo ver verwijderd van de authentieke betekenis, toen zij zich ondanks hun buitensporige gebruik van de allegorie, moeite gaven om in het beeld van de oude aansporingen van godswege tot strijd tegen de vijanden de eschatologische waarheid te zien van de hulp van God in de strijd tegen de vijanden van het kwaad die de vrede met Goden tussen de mensen in gevaar brengen. H. Justinus, Dialoog met de Jood Tryphon, Dialogus cum Tryphone Judaeo. 131,4-5 en 111,1-2: Een mooi voorbeeld van typologische exegese van Ex. 27,8-26, zonder de excessen van de allegorese, vinden we hier Deze overwegingen vragen om de nodige verdieping; daarom moet bij wat hier gezegd wordt rekening worden gehouden met verschillende latere preciseringen die eraan moeten worden toegevoegd.

Document

Naam: DE DRIE-ENE GOD, EENHEID VAN DE MENSEN. HET CHRISTELIJK MONOTHEïSME TEGEN HET GEWELD
(fragment)
Soort: Internationale Theologische Commissie
Datum: 17 januari 2014
Copyrights: © 2014, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. vanuit het Italiaans: dr. Jörgen Vijgen
Bewerkt: 6 april 2021

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam