• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De eerste plaats dus onder de goederen van het huwelijk nemen de kinderen in. Inderdaad, de Schepper zelf van het mensengeslacht, die in Zijn goedheid Zich bij de voortplanting van het leven van de hulp van de mensen heeft willen bedienen, heeft dit geleerd, toen Hij in het paradijs, bij de instelling van het huwelijk, tot onze eerste ouders, en in hen tot alle toekomstige echtgenoten zei: "Groeit aan en vermenigvuldigt u en vervult de aarde." (Gen. 1, 28) Datzelfde heeft de H. Augustinus zeer schoon afgeleid uit de woorden van de H. Paulus aan Timotheus. Vgl. 1 Tim. 5, 14 "Dat het huwelijk," zegt hij, "gesloten wordt om kinderen voort te brengen, daarvoor getuigt de apostel. Ik wil, zegt hij, dat jongere weduwen huwen; en alsof hem gevraagd werd waarom, voegt hij er onmiddellijk aan toe: dat zij kinderen voortbrengen, dat zij huismoeders zijn." H. Augustinus, De bono Coniugali. cap. 24, n. 32

Om te begrijpen, hoe groot deze weldaad Gods is en welk een kostbaar huwelijksgoed, behoeft men slechts te zien naar de waardigheid van de mens en naar zijn verheven doel. De mens immers staat alleen reeds door de hoogte van zijn redelijke natuur boven alle andere zichtbare schepselen. Daar komt nog bij: God wil, dat er mensen voortgebracht worden, niet alleen om te bestaan en de aarde te bevolken, maar veel meer om Hem te eren, om Hem te kennen en te beminnen en Hem eindelijk voor eeuwig in de hemel te bezitten. Als gevolg van de bewonderenswaardige verheffing van de mens door God tot de bovennatuurlijke orde overtreft dit doel alles wat een oog gezien en een oor gehoord heeft en in het hart van een mens is opgekomen. Vgl. 1 Kor. 2, 9 Hieruit ziet men gemakkelijk, hoezeer het kind, dat door Gods almacht, onder medewerking der echtgenoten, het aanzijn krijgt, een geschenk der goddelijke goedheid en een heerlijke vrucht van het huwelijk is.

Christelijke ouders moeten verder beseffen, dat zij niet meer alleen bestemd zijn om het menselijk geslacht op aarde voort te planten en in het bestaan te bewaren, ja zelfs ook niet alleen om kinderen op te voeden tot onverschillig wat voor eredienst van de ware God; maar dat zij bestemd zijn om kinderen voor de Kerk van Christus, om medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods Vgl. Ef. 2, 19 voort te brengen, opdat het aan de eredienst van God en onze Verlosser gewijde volk met de dag moge toenemen.

Het is waar: al bezitten de christelijke ouders zelf de heiligmakende genade, daarom kunnen zij die heiliging toch niet op hun kinderen overstorten. Integendeel: de natuurlijke voortbrenging ten leven is geworden een weg des doods, waarlangs de erfzonde op het kind overgaat. Maar toch hebben zij als het ware nog iets over van het oorspronkelijke paradijshuwelijk. Want aan hen komt het toe, hun kinderen aan de Kerk aan te bieden, met het doel, dat die aan kinderen Gods overvruchtbare moeder hen door het bad van het doopsel tot de bovennatuurlijke gerechtigheid doe herboren worden, en dat zij levende ledematen van Christus worden, deelachtig aan het onsterfelijk leven, en eindelijk erfgenamen van de eeuwige glorie, waarnaar wij allen met heel ons hart verlangen.

Als een echt christelijke moeder dit alles overweegt, dan zal zij zeker beseffen, dat het woord van de Verlosser in een hogere en troostvolle zin van haar gezegd is: "Als een vrouw... haar kind heeft gebaard, dan denkt zij niet meer aan haar weeën, van blijdschap, dat er een mens is geboren," (Joh. 16, 21) en dan zal zij, verheven boven alle smarten, zorgen en lasten van haar moederplicht, met veel meer recht en met heiliger fierheid dan de bekende Romeinse matrone, de moeder der Gracchen, zich in de Heer beroemen op haar bloeiende kinderschaar.
Beide echtgenoten echter zullen hun kinderen met bereidwilligheid en dankbaarheid uit Gods hand aannemen, en ze beschouwen als een hun door God toevertrouwd talent, dat zij niet tot hun eigen voordeel, ook niet alleen ten voordele van een aardse staat moeten besteden, maar dat zij op de dag der rekenschap met winst aan God moeten teruggeven.

Het goed van het kinderbezit is echter volstrekt niet compleet door de weldaad, dat het leven aan de kinderen geschonken is. Er moet nog iets anders bijkomen, en dat bestaat in de behoorlijke opvoeding van de kinderen.

Inderdaad, de alwijze God zou voor het nieuwgeboren kind, en dus ook voor heel het menselijk geslacht, al slecht gezorgd hebben, als Hij aan degenen, die van Hem het vermogen en het recht hebben om nieuw leven te verwekken, ook niet het recht en de plicht tot opvoeden had opgedragen. Immers, het kan niemand ontgaan, dat een kind niet eens in de zaken van het natuurlijke leven, laat staan dan in die van het bovennatuurlijke leven, zichzelf genoeg is of voor zichzelf kan zorgen, maar dat het jarenlang hulp, onderricht en opvoeding van anderen nodig heeft. Nu is het echter een uitgemaakte zaak, dat volgens de eis van de natuur en de wil van God dit recht en die plicht om de kinderen op te voeden op de eerste plaats toekomt aan degenen, die door het leven te verwekken met dit werk der natuur een begin hebben gemaakt, en aan wie het absoluut verboden is, dat begonnen werk onafgewerkt te laten en het zo aan een zekere ondergang bloot te stellen. Welnu, voor deze hoognodige opvoeding der kinderen is op de best mogelijke wijze gezorgd in het huwelijk. Daar zijn de ouders door een onverbreekbare band met elkander verbonden, en is dus beider werk en wederzijdse hulp voortdurend ter beschikking.

Wij hebben echter de christelijke opvoeding elders uitvoerig behandeld, Paus Pius XI, Encycliek, Over de christelijke opvoeding, Divini illius Magistri (31 dec 1929) Laten wij dus dat alles samenvatten door de woorden van de H. Augustinus nog eens aan te halen: "Met kinderen (wordt bedoeld) de plicht om ze met liefde te aanvaarden... en godsdienstig op te voeden." H. Augustinus, De Genesi ad litteram. lib. 9, cap. 7, n. 12 Datzelfde wordt in het kerkelijk wetboek nadrukkelijk verklaard: "Het eerste doel van het huwelijk is het voortbrengen en opvoeden van kinderen." Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 1013. nr. 1.

Eindelijk nog een punt dat wij niet mogen verzwijgen. Daar deze tweevoudige taak, die aan de ouders tot welzijn der kinderen is toevertrouwd, zo eervol is en zo gewichtig, is alle eerbaar gebruik van het door God geschonken vermogen om nieuw leven te verwekken uitsluitend recht en voorrecht van het huwelijk, en moet het absoluut binnen de heilige grenzen van het huwelijk beperkt blijven. Dat is de wil van de Schepper, dat is de wet der natuur.

Document

Naam: CASTI CONNUBII
Over het Christelijk huwelijk, met inachtneming der in gezin en maatschappij heersende toestanden, noden, dwalingen en misbruiken
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 31 december 1930
Copyrights: © 1961, Ecclesia Docens, Gooi & Sticht, Hilversum 0112 (6e druk)
Vert.: F.A.J. van Nimwegen CssR
Bewerkt: 20 april 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam