• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

40E VERJAARDAG VAN HET PAUSELIJK WERK VOOR DE VOORTPLANTING VAN HET GELOOF

Aan onze beminde zoon Z. Em. Kardinaal Gregorius Petrus Agagianian
Prefect van de H. Congregatie tot Voortplanting van het Geloof ("Propaganda Fideï")
Beminde Zoon, Heil en Apostolische Zegen,

Naar Onze mening is het passend om dank te brengen aan de zo liefdevolle Voorzienigheid van de Vader "die in de hemel is" (Mt. 6, 9), daar het Haar behaagt door een of andere verheugende gebeurtenis of door de blijde herinnering aan een feit in het verleden Onze zorgen te verlichten, waarvan Wij bijna geen enkele dag bevrijd zijn.

Zoals Wij in 1959 de Apostolische brief "Paus Benedictus XV - Apostolische Brief
Maximum Illud
Over de verkondiging van het geloof over de gehele wereld
(30 november 1919)
" in herinnering hebben gebracht, waarin Onze roemrijk regerende Voorganger Benedictus XV de initiatieven van hen heeft aangewakkerd, die zich in de landen, die van het licht van het christelijk geloof verstoken zijn, erop toelegden om het rijk van de goddelijke Verlosser uit te breiden, zo is het Ons nu een aangename taak om de herdenking aan te kondigen van het Motu Proprio "Paus Pius XI - Motu Proprio
Romanorum Pontificum (3 mei 1922)
", dat op 3 mei 1922 door Onze roemrijk regerende Voorganger Pius XI is uitgevaardigd, van wiens Pontificaat de voornaamste zorg hierin scheen te bestaan, dat het licht van het heilig Evangelie van dag tot dag steeds wijder verspreiding zou vinden. Dit Motu Proprio roept in Onze herinnering het bescheiden werk op dat Wij van 1921 tot 1925 aan dit doel mochten besteden, toen wij voor Italië aan het hoofd gesteld waren van het Werk voor de Voortplanting van het Geloof. Omdat Wij gedurende die vier jaren naar Onze bescheiden krachten Ons best deden om de Ons toevertrouwde taak getrouw en standvastig te vervullen, hebben Wij hierin een intieme innerlijke vrede en een blijde voldoening gevonden; Wij hebben deze arbeid verricht door het zaad aan de voren toe te vertrouwen, die beide door Ons vermelde pauselijke documenten hadden getrokken, namelijk het Apostolisch Schrijven van Benedictus XV en het Motu Proprio "Paus Pius XI - Motu Proprio
Romanorum Pontificum (3 mei 1922)
" van Pius XI: aan dit laatste nu besteden Wij een bijzondere aandacht.
Dit Motu Proprio is immers uitgegeven naar aanleiding van het feit dat honderd jaar geleden voor het eerst te Lyon officieel de Bijeenkomst heeft plaats gehad, die de naam ontving van "het Werk voor de Voortplanting van het Geloof": een Werk namelijk dat onder de leiding van de goddelijke Voorzienigheid door de vrome Paulina Jaricot in het leven was geroepen met medewerking van helpers en helpsters uit een Genootschap, dat een bijzondere verering koesterde voor het allerzoetste Hart van Jezus. Vanuit deze kleine opwellende bron stroomde eerst een beekje, dat onder goedkeuring en aanmoediging van de Pausen, uitgroeide tot een grote en machtige rivier, door wier heilzaam water alle kusten werden bespoeld van de onmetelijke gebieden, die nog niet door het licht van Christus waren verlicht. Daar deze erfenis van dit bescheiden meisje gedurende een gehele eeuw onder de bescherming van de Afdelingen van Lyon en Parijs zich sterk had uitgebreid, is zij officieel bij de H. Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof gevoegd door het Motu Proprio "Romanorum Pontificum", waardoor de paus deze instelling, door haar de zijne te maken, met een zekere waardigheid heeft begunstigd, haar ook met voorrechten heeft verrijkt en haar gesierd heeft met de titel "Pauselijk Werk", waardoor de voortreffelijkheid van het program van deze instelling openlijk werd erkend. Door deze beschikkingen werd niet alleen het bewijs geleverd van de voorspoedige bloei van dit zo uiterst geschikte Werk, maar bovendien werden ook nog rijker vruchten voor de toekomst verwacht.
Welnu, de verbreiding van het katholiek geloof in de wereld moet zowel in haar oorsprong als haar doel beschouwd worden als een werk van het grootste gewicht: het gaat hier immers om de uitbreiding van het rijk van God en om de vooruitgang van het H. Evangelie opdat alle volkeren zich zullen kunnen verheugen over de vruchten van het Goddelijk Verlossingswerk en deelachtig kunnen worden aan deze overvloedige stroom van genaden, waarvan het Bloed van Christus de goddelijke en onuitputtelijke bron is.

Maar om dit te bereiken moeten de priesters en de gelovigen eensgezind en met vereende krachten hiernaar streven: immers iedere hoop op succes is gelegen in een juiste organisatie; daaruit alleen kan een zeker en standvastig resultaat groeien. Deze organisatie zal echter op haar beurt dit doel niet bereiken tenzij ze zich in handen bevindt van slechts een enkel organisme en zich tot alle volkeren uitstrekt. Hieruit kan men volledig het doel afleiden, waarnaar "het Pauselijk Werk tot Voortplanting van het Geloof" streeft en op welke wijze en langs welke weg het deze taak vervult. Want na de twee eeuwen van haar bestaan heeft de H. Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof onder leiding van Onze Voorganger de H. Pius X de mogelijkheid verkregen "om op de juiste wijze en met de meest geschikte middelen voor alle katholieke Missiën te zorgen, door iedere, zelfs de geringste bijdrage van alle volkeren, tot steun van alle Missiën door iedere zoon van de Kerk bijeen gebracht, in één centraal punt te verzamelen en dit toe te vertrouwen aan en ter beschikking te stellen van Ons en dus van de H. Congregatie om de naam van Christus voort te planten". Paus Pius XI, Motu Proprio, Romanorum Pontificum (3 mei 1922) Dit was het motief van deze inzameling en zij is het meest geschikt om te voorzien in de behoeften van iedere Missie, omdat "het daardoor mogelijk is alle Missiën eerlijk en behoorlijk te steunen en aldus hun groei en hun duurzaamheid te verzekeren". Paus Pius XI, Motu Proprio, Romanorum Pontificum (3 mei 1922)

Om tot dit resultaat te komen heeft Onze Voorganger dit Werk gereorganiseerd en er twee Werken aan toegevoegd, namelijk "het Werk van de H. Kindsheid" en "het Liefdewerk van de H. Apostel Petrus voor de opleiding van de inheemse geestelijkheid". Paus Pius XI, Motu Proprio, Romanorum Pontificum (3 mei 1922) Hieraan heeft hij het volgende toegevoegd: "Wij zijn ervan overtuigd dat de Bisschoppen en Prelaten, ieder in hun eigen Kerk, al hun moeite en ijver in deze aangelegenheid voor Ons zullen besteden, daarbij vooral gebruik makend van de Priester-Missiebond" Paus Pius XI, Motu Proprio, Romanorum Pontificum (3 mei 1922)
Hoe noodzakelijk deze instellingen waren en van welk een vooruitziende blik zij getuigden, wordt niet alleen bewezen door wat Wij zelf als Voorzitter van dit eerste Werk in Italië ondervonden, maar ook door wat er in deze veertig jaren tot stand is gekomen. Het document, dat wij in deze dagen herdenken, is van des te groter belang omdat het Tweede Vaticaans Concilie op handen is, waarop alle christenen hun gedachten gericht houden. Deze gebeurtenis immers voorspelt reeds nu grote en weldadige vruchten voor de gehele wereld, ook wat de Missiën betreft; met het volste recht moge men immers verwachten dat de zonen van de Kerk ten gevolge van deze zo belangrijke en uitgebreide Vergadering aangespoord zullen worden om het geloof te helpen verbreiden, vooral door middel van de Pauselijke Werken waarover Wij hebben gesproken. Wij twijfelen er dan ook niet aan, of de Bisschoppen zullen met groot enthousiasme doorgaan deze Werken te steunen en met de grootste ijver de activiteit van die priesters aan te moedigen, die in de afzonderlijke landen of bisdommen aan het hoofd van deze Werken gesteld zijn.
Bovendien dient men de activiteit van die Verenigingen op te wekken, die in het gehele bisdom of in de afzonderlijke parochies de Missiën steunen; dit moet vooral gebeuren door de godsvrucht van de leden steeds meer aan te wakkeren en door studiekringen op te richten. Van hoe groot belang deze studiekringen zouden kunnen zijn, blijkt wel uit het feit dat zij er zeer veel toe kunnen bijdragen zowel om de oorsprong, de zeden, de instellingen en de beschaving van deze zo voortreffelijke volkeren te leren kennen als om in de jeugd de neiging op te wekken tot een heilige roeping, want de oogst, die verricht moet worden, wacht op talrijke arbeiders.
Wij verlangen dan ook dat Onze zonen, die hun geloofsbelijdenis indachtig zijn, steeds zorgvuldiger de woorden zullen overwegen: "God wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis der waarheid komen". (1 Tim. 2, 4). Hieruit volgt dat zij met Gods wil een vurige ijver aan de dag zullen leggen om volgens hun vermogen het missiewerk te bevorderen en tevens van verlangen zullen branden om zowel op geestelijk als stoffelijk gebied in de behoeften van de Missiën te voorzien. De geestelijke behoeften op de eerste plaats eisen een vurig en voortdurend smeekgebed tot God, dat gepaard moet gaan met de bereidheid om de offers te brengen, die ons door de liefde van God worden opgelegd, om daardoor voor de verkondigers van het Evangelie, voor hun medehelpers en gelovigen een heilig leven te verkrijgen en om de bloei van het Missiewerk af te smeken dat door talrijke moeilijkheden wordt belemmerd, al wettigt het toch ook hoge verwachtingen.
Ook de behoeften aan stoffelijk goederen vragen van de gelovigen een grotere en steeds meer edelmoedige ijver en zij eisen zelfs een behulpzame hand. Indien men overweegt dat deze behoeften zo talrijk en zo groot zijn, dat de giften, die tot nu toe zijn bijeen gebracht, nauwelijks toereikend zijn voor slechts het derde deel van de bijdragen, die door de Missionarissen gevraagd worden, zal men gemakkelijk overtuigd worden dat men alle pogingen in het werk moet stellen om - zoals de Pausen steeds vermaand hebben - de hulp aan de Missiën dagelijks meer in overeenstemming te brengen met de ware gevoelens van het katholieke geloof. Hiervoor biedt die dag een prachtige gelegenheid, die jaarlijks in de maand oktober over de gehele wereld wordt gevierd met als doel dat alle katholieken bereidwillig en edelmoedig alle soort hulpmiddelen verschaffen, die noodzakelijk zijn voor de verbreiding van het geloof over de wereld.
Wij zijn van mening dat de zonen van de Kerk op de beste wijze aan beide soort behoeften van de Missie zullen voldoen als zij bereidwillig gehoor geven aan Onze oproep en de Pauselijke Werken steunen, die Wij hebben opgenoemd: Daardoor is het zelfs voor de meest gebrekkigen mogelijk om voor de Missiën zorg te dragen volgens dit woord van de Apostel Paulus: "Hun bittere armoede werd overrijk in mildheid ... Volgens hun vermogen, ja zelfs boven hun vermogen" (2 Kor. 8, 2-3).
Om Onze aansporingen met enige korte woorden te besluiten, moedigen Wij alle christenen ten zeerste aan om een brandende liefde voor de Missiën te tonen: Een vuur namelijk, dat gevoed en aangewakkerd wordt door smeekbeden tot God, door edelmoedige initiatieven en door geldelijke steun voor het bevorderen van het Missiewerk en het verspreiden van geschriften.

Niet minder dan de andere katholieken zijn ook Onze zonen gehouden om hun medewerking aan het Missiewerk te verlenen, die tot de pas opgerichte Kerken behoren, zoals Wij reeds vanaf het begin van Ons Pontificaat in Onze Encycliek H. Paus Johannes XXIII - Encycliek
Princeps Pastorum
De Opperherder - over de missionerende taak van de Kerk bij de 40e verjaardag van de Apostolische Brief Maximum Illud van Paus Benedictus XV (28 november 1959)
hebben geschreven: "Daar echter tot de noden, waaronder de gelovigen gebukt gaan, ook het leven en de instellingen van de Kerk moeten gerekend worden, zullen de autochtone christenen er zich aan moeten gewennen om naar vermogen de kerken, de godsdienstige verenigingen en de geestelijkheid, die zich geheel voor hun opoffert, door hun hulpmiddelen vrijwillig te steunen" H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, De Opperherder - over de missionerende taak van de Kerk bij de 40e verjaardag van de Apostolische Brief Maximum Illud van Paus Benedictus XV, Princeps Pastorum (28 nov 1959)

Terwijl Wij goede verwachtingen koesteren over de uitbreiding van het Rijk van God en over het welzijn van alle volkeren, en terwijl Wij de bovennatuurlijke hulp afsmeken van de Maagd Maria, de Moeder van God, van de Heiligen aan wier bescherming de Missiegebieden zijn toevertrouwd en van de gelukzalige Martelaren, die door het vergieten van hun bloed deze gebieden hebben gewijd, schenken Wij U, Beminde Zoon, en aan alle gelovigen die edelmoedig aan Onze aansporing gehoor zullen geven, van harte in de Heer de Apostolische Zegen als onderpand van de hemelse genaden.
Gegeven te Rome bij Sint Petrus, 3 mei 1962, het vierde van Ons Pontificaat.

Paus Johannes XXIII

Document

Naam: 40E VERJAARDAG VAN HET PAUSELIJK WERK VOOR DE VOORTPLANTING VAN HET GELOOF
Soort: H. Paus Johannes XXIII - Brief
Auteur: H. Paus Johannes XXIII
Datum: 3 mei 1962
Copyrights: © 1962, Katholiek Archief, jrg. 17, nr. 22
Nummering door de redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen dossiers gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam