• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De uitdagingen die het gezin onder ogen moet zien op het gebied van de opvoeding, zijn talrijk; vaak voelen de ouders zich niet voorbereid op een zo grote taak. Het leergezag heeft recent het belang beklemtoond van de opvoeding, waarvoor de echtgenoten ook een bijzondere genade in hun huwelijk ontvangen. In de antwoorden en opmerkingen wordt onderstreept dat de opvoeding integraal moet zijn door de grote vraag aangaande de waarheid op te werpen, die op de weg van het leven een leidraad kan zijn Vgl. Paus Benedictus XVI, Toespraak, Sala Clementina, Tot de deelnemers aan de Algemene Bijeenkomst van de Congregatie voor de Katholieke opvoeding (21 jan 2008) en die altijd ontstaat binnen een liefde, te beginnen bij de liefdeservaring die het kind dat door de ouders wordt ontvangen, beleeft. Vgl. Paus Benedictus XVI, Toespraak, Bij de audiëntie voor het diocees van Rome bij de aanbieding van de brief "Over de belangrijke taak van de opvoeding" (23 feb 2008) Opvoeding bestaat uit een breed en diepgaand binnenvoeren in de hele werkelijkheid en in het bijzonder in het maatschappelijk leven, en is de primaire verantwoordelijkheid van de ouders, die de staat moet respecteren, bewaken en bevorderen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de Christelijke opvoeding, Gravissimum Educationis (28 okt 1965), 3 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 37 Paus Franciscus heeft het belang van de opvoeding bij het doorgeven van het geloof onderstreept: “De ouders zijn volgens een woord van de heilige Augustinus niet alleen geroepen de kinderen tot leven voort te brengen, maar hen ook naar God te brengen, opdat zij door het doopsel opnieuw worden geboren als kinderen van God, de gave van het geloof ontvangen”. Paus Franciscus, Encycliek, Licht van het geloof, Lumen Fidei (29 juni 2013), 43

Bij haar pastorale activiteit is de Kerk geroepen om de gezinnen te helpen in hun opvoedende taak, te beginnen bij de christelijke initiatie. Catechese en parochiële vorming zijn onontbeerlijke instrumenten om het gezin in deze opvoedende taak te ondersteunen, in het bijzonder ter gelegenheid van de voorbereiding op doopsel, vormsel en eucharistie. Naast gezin en parochie wordt de vruchtbaarheid zichtbaar van het getuigenis van de groepen van gezinsspiritualiteit en lekenverenigingen, waarbinnen er steeds meer toe neigt om een “dienst voor echtparen” te ontwikkelen, waar zij die verantwoordelijk zijn voor de vorming van gezinnen de groei van de huiskerk voortzetten door middel van persoonlijke ontmoetingen en ontmoetingen tussen gezinnen, waarbij vooral zorg wordt besteed aan het gebed.
De christelijke opvoeding in het gezin komt vóór alles tot stand door middel van het levensgetuigenis van de ouders ten overstaan van de kinderen. In enkele antwoorden wordt eraan herinnerd dat de manier van het doorgeven van het geloof niet verandert in de tijd, ook al past zich dit aan aan de omstandigheden: de weg van heiliging van het echtpaar; persoonlijk gebed en gebed in het gezin; luisteren naar het Woord en getuigenis van liefde. Daar waar men deze levensstijl beleeft, is het doorgeven van het geloof verzekerd, ook als de kinderen worden blootgesteld aan een tegengestelde druk.
De uitdaging van de christelijke opvoeding en van het doorgeven van het geloof wordt in veel landen vaak gekenmerkt door de diepgaande verandering in de relatie tussen de generaties, die de communicatie van waarden in de werkelijkheid van het gezin bepaalt. In het verleden lag deze relatie ten grondslag aan een geloofsleven dat werd gedeeld en als erfgoed tussen de ene en de andere generatie werd gecommuniceerd. Alle episcopaten en zeer veel opmerkingen wijzen op de diepgaande veranderingen in dezen en de invloed ervan op de verantwoordelijkheid van het gezin voor de opvoeding; ook als het onvermijdelijk is verschillen op te merken al naar gelang de traditionele elementen die nog aanwezig zijn in de eigen maatschappij, of ontwikkelingen van secularisatieprocessen. De episcopaten van West-Europa herinneren eraan hoe in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw er een hevig conflict tussen de generaties is geweest. Vandaag lijken de ouders, misschien ook onder invloed van die ervaringen, veel voorzichtiger in het aanzetten van hun kinderen tot een religieuze praktijk. Juist op dit terrein tracht men meer conflicten te vermijden dan ze onder ogen te zien. Bovendien voelen de ouders zelf zich vaak aangaande religieuze thema’s onzeker, zodat ze juist bij het doorgeven van het geloof met de mond vol tanden staan en deze taak, ook al vinden ze hem belangrijk, overlaten aan religieuze instituten. Dit lijkt te getuigen van een zwakheid van volwassenen en vooral van jonge ouders, wanneer het erom gaat met vreugde en overtuiging de gave van het geloof door te geven.
Uit de antwoorden komt naar voren hoe de katholieke scholen op de verschillende niveaus een belangrijke rol vervullen in het doorgeven van het geloof aan de jongeren en een grote hulp zijn voor de opvoedende taak van de ouders. Er wordt aanbevolen dat zij worden uitgebreid en door de hele kerkgemeenschap worden gesteund. Dat blijkt in het bijzonder van belang in de situaties waarin de staat zich in het bijzonder mengt in de processen van de opvoeding door te trachten het gezin wat zijn eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding betreft buiten spel te zetten. In die zin brengt de katholieke school de vrijheid van opvoeding tot uitdrukking door het primaatschap op te eisen van het gezin als werkelijk subject van het opvoedkundig proces, waaraan alle andere figuren die in het spel zijn in de opvoeding, moeten bijdragen. Er wordt om een grote samenwerking tussen gezinnen, scholen en christelijke gemeenschappen gevraagd.
De taak van het gezin in het doorgeven van het geloof en de opvoeding tot het geloof wordt nog meer als belangrijk gevoeld in de streken waar de Christenen in de minderheid zijn, zoals door de episcopaten van het Midden-Oosten in herinnering wordt gebracht. Een droevige ervaring wordt gesignaleerd in de antwoorden die afkomstig zijn uit de landen in Oost-Europa: de oudere generaties hebben geleefd onder het socialisme na de christelijke grondslagen te hebben ontvangen vóór de komst van dat regiem. De jonge generatie is daarentegen opgegroeid in een postcommunistisch klimaat, gekenmerkt door sterke seculariseringsprocessen. Dit alles heeft het doorgeven van het geloof negatief beïnvloed. De jonge generaties zijn hoe dan ook vooral gevoelig voor het voorbeeld en het getuigenis van de ouders. In het algemeen zijn de gezinnen die aan kerkelijke bewegingen deelnemen, het meest actief, wanneer het erom gaat te trachten het geloof aan de jonge generaties door te geven. In enkele antwoorden vindt men een zekere opvoedkundige paradox met betrekking tot het geloof: in verschillende kerkelijke omstandigheden zijn het niet de ouders die het geloof doorgeven aan de kinderen, maar omgekeerd de kinderen die door het te omarmen het meedelen aan ouders die reeds lang geleden de christelijke praktijk hebben verlaten.
Als het doorgeven van het geloof en de christelijke opvoeding niet te scheiden lijken van een authentiek getuigenis van leven, dan begrijpt men hoe moeilijke situaties binnen het gezin de complexiteit van het opvoedkundig proces versterken. In deze zin dient er meer pastorale aandacht omtrent de christelijke opvoeding te worden geschonken aan de gezinsomstandigheden waarin de kinderen in het bijzonder te lijden kunnen hebben onder de situatie van de ouders, die als ongeordend wordt gedefinieerd. Wat dit betreft, is het gebruik van uitdrukkingen wenselijk die niet het idee van afstand geven, maar van integratie; die in grotere mate het idee van welkom zijn, liefde en kerkelijke begeleiding kunnen overdragen, zodat vooral in betreffende kinderen en jongeren niet de indruk wordt gewekt van een afwijzing of discriminatie van hun ouders, in het bewustzijn dat de situaties “ongeordend” zijn, niet de personen.
Het huidige panorama van de opvoeding is enigszins complex en veranderlijk. Er zijn streken waar het katholieke geloof grote instemming blijft vinden, maar waar het aantal kinderen en jongeren die geboren en opgegroeid zijn in gewone gezinnen, een duidelijke daling vertoont. In andere streken moeten de particuliere Kerken andere opvoedkundige uitdagingen trotseren in een context waarin de buitenechtelijke vormen van samenleven, homoseksualiteit of burgerlijke huwelijken niet geoorloofd zijn, hoewel de Kerk echter in verschillende gradaties deze moeilijke of ongeordende toestanden intussen overal tegenkomt. Dit verschijnsel neemt toe ook daar waar de tegenwoordigheid van gezinnen met twee ouders die regulier verenigd zijn in een kerkelijk huwelijk, nog aanzienlijk is.
Uit de antwoorden komen naar aanleiding van ongeordende toestanden en hun invloed op de opvoeding drie elementen naar voren. Omtrent de verbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht constateert men uit de antwoorden dat deze, nog tot “liberaal-progressieve” landen beperkte realiteit voor het ogenblik geen specifieke pastorale vragen oproept. Er is reeds gewezen op enkele pastorale aanwijzingen aan het einde van deel twee. Een tweede element dat in overweging moet worden genomen, is het huidige bestaan en toenemen van eenoudergezinnen: vaak betreft het moeders die in armoedige omstandigheden voor hun kinderen moeten zorgen. Het verschijnsel stelt vooral vragen aan de fijngevoeligheid van de Kerken van Latijns-Amerika en van Azië, waar niet zelden deze moeders gedwongen worden de opvoeding van de kinderen toe te vertrouwen aan de familieclan. Op de derde plaats is in het Zuiden van de wereld het verschijnsel van de “straatkinderen” zeer belangrijk: zij worden door de ouders in moeilijkheden aan hun lot overgelaten, zijn wees door de gewelddadige dood van hun ouders, soms worden zij toevertrouwd aan hun grootouders.
In het algemeen komt uit een analyse van de antwoorden het idee naar voren dat de ouders in ongeordende situaties zich tot de Kerk wenden met een zeer verschillende houding, al naar gelang de gevoelens en motiveringen die hen bezielen. De een heeft veel respect en vertrouwen jegens de Kerk en de ander laat daarentegen een negatieve houding zien op grond van schaamte over de gemaakte keuzes, of weer een ander aarzelt te naderen uit vrees te worden afgewezen of gemarginaliseerd. Terwijl sommigen denken dat de kerkgemeenschap hen kan begrijpen en welwillend kan opnemen ondanks hun mislukkingen en moeilijkheden, beoordelen anderen de Kerk als een instelling die zich teveel bemoeit met de levensstijl van de mensen, of zijn zij ervan overtuigd dat zij een soort voogd is die opvoeding en begeleiding moet garanderen, maar zonder al te veel pretenties te hebben.

Document

Naam: INSTRUMENTUM LABORIS T.B.V. DE 3E BIJZONDERE BISSCHOPPENSYNODE
De pastorale uitdagingen betreffende het gezin in het kader van de evangelisatie
Soort: Bisschoppensynodes
Datum: 24 juni 2014
Copyrights: © 2014, Libreria Editrice Vaticana
Werkvertaling (vanuit het Italiaans): drs. H.M.G. Kretzers
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam