• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE WAARHEID IS EEN RELATIE
Aan Eugenio Scalfari, oud-hoofdredacteur van ‘La Repubblica

Beste Doctor Scalfari,

Het is met grote hartelijkheid dat ik, zij het slechts in grote lijnen, met deze brief wil antwoorden op de brief die u mij via de bladzijden van La Repubblica op 7 juli hebt gestuurd met een reeks van uw persoonlijke overwegingen, die u vervolgens op 7 augustus heeft aangevuld op de pagina’s van dezelfde krant. Ik dank u, vooral voor de aandacht waarmee u de Encycliek Paus Franciscus - Encycliek
Lumen Fidei
Licht van het geloof
(29 juni 2013)
hebt willen lezen. Deze is immers, in de bedoeling van mijn beminde voorganger Benedictus XVI, die haar heeft ontworpen en in grote mate opgesteld, en van wie ik haar met grote dankbaarheid heb geërfd, niet alleen gericht op het versterken van het geloof in Jezus Christus van hen die zich daar al in herkennen, maar ook op het opwekken van een oprechte en rigoureuze dialoog met wie, zoals u, zich definieert als “een ongelovige die sinds vele jaren geïnteresseerd en gefascineerd is door de prediking van Jezus van Nazareth”.

Het lijkt me dus zonder meer positief, niet alleen voor ons afzonderlijk maar ook voor de samenleving waarin we leven, dat we ons wijden aan een dialoog over een zo belangrijke werkelijkheid als het geloof, dat refereert aan de prediking en de figuur van Jezus.

Ik denk dat er eigenlijk twee omstandigheden zijn die een dialoog vandaag kostbaar en verplichtend maken. Overigens vormt deze, zoals bekend, één van de hoofddoelstellingen van het Tweede Vaticaans Concilie, dat door Johannes XXIII gewild werd, en van het dienstwerk van Pausen die, ieder met zijn eigen gevoeligheid en bijdrage, vanaf toen tot vandaag in het door het Concilie getrokken spoor hebben gewandeld.
De eerste omstandigheid – waarnaar op de eerste bladzijden van de Encycliek verwezen wordt – hangt samen met het feit dat men gedurende de eeuwen van de moderniteit een paradox heeft meegemaakt: het christelijk geloof, waarvan de nieuwheid en de invloed op het leven van de mens vanaf het begin juist door middel van het symbool van het licht zijn uitgedrukt, wordt vaak als de duisternis van het bijgeloof bestempeld, die zich verzet tegen het licht van de rede. Zo is er tussen de Kerk en de christelijk geïnspireerde cultuur, enerzijds, en de moderne, door de Verlichting getekende cultuur, anderzijds, een communicatiestoornis ontstaan. Nu is de tijd gekomen – en het Tweede Vaticaans Concilie heeft inderdaad het seizoen geopend – voor een open en onbevooroordeelde dialoog die de deuren heropent voor een serieuze en vruchtbare ontmoeting.
De tweede omstandigheid, voor wie probeert trouw te zijn aan de gave Jezus te volgen in het licht van het geloof, komt voort uit het feit dat deze dialoog geen secundaire bijkomstigheid is in het bestaan van de gelovige: ze is er een diepe en onmisbare uitdrukking van. Ik veroorloof mij in dit verband u uit de Paus Franciscus - Encycliek
Lumen Fidei
Licht van het geloof
(29 juni 2013)
een bewering te citeren die naar mijn aanvoelen zeer belangrijk is: aangezien de waarheid waarvan het geloof getuigt die van de liefde is – zo wordt onderstreept – “wordt duidelijk, dat het geloof niet onverzoenlijk is, maar juist groeit in een vreedzaam samenleven met anderen dat de medemensen respecteert. De gelovige is niet arrogant; integendeel: de waarheid laat hem deemoedig worden omdat hij beseft, dat niet wij de waarheid bezitten, maar dat de waarheid ons omvat en bezit. Verre van ons te verharden, brengt de zekerheid die het geloof biedt, ons in beweging; ze maakt het getuigenis en de dialoog met eenieder mogelijk” Paus Franciscus, Encycliek, Licht van het geloof, Lumen Fidei (29 juni 2013), 34 Dit is de geest die de woorden die ik u schrijf bezielt.
Het geloof is, voor mij, geboren uit de ontmoeting met Jezus. Een persoonlijke ontmoeting die mijn hart geraakt heeft en een richting en een nieuwe zin aan mijn bestaan heeft gegeven. Maar tegelijkertijd een ontmoeting die mogelijk werd gemaakt door de geloofsgemeenschap waarin ik heb gewoond en dankzij welke ik toegang heb gekregen tot het begrijpen van de Heilige Schrift, tot het nieuwe leven dat als gutsend water ontspringt uit Jezus door middel van de Sacramenten, tot de broederlijkheid met allen en tot de dienst aan de armen, die een getrouw beeld van de Heer zijn.

Zonder de Kerk – geloof me – had ik Jezus niet kunnen ontmoeten, wel wetend dat die immense gave van het geloof bewaard wordt in de broze aarden potten van onze menselijkheid. Welnu, het is precies van hier uit, vanuit deze persoonlijke ervaring van geloof, beleefd in de Kerk, dat ik op mijn gemak ben in het luisteren naar uw vragen en in het samen met u zoeken naar de wegen waarlangs we misschien kunnen beginnen samen een stukje van de weg af te leggen.

Vergeef me als ik niet stap voor stap de argumenten volg die door u zijn voorgelegd in het artikel van 7 juli. Het lijkt mij vruchtbaarder – of anders lijkt het me sympathieker – op een bepaalde manier naar het hart van uw beschouwingen te gaan. Ik zal zelfs niet de uiteenzettende trant opnemen die door de Encycliek gebruikt wordt, waarin u het gebrek ziet aan een gedeelte dat specifiek aan de historische ervaring van Jezus van Nazareth is gewijd.

Ik merk om te beginnen alleen op, dat een dergelijke analyse niet secundair is. Het gaat er inderdaad om, overigens in lijn met de logica die tot de ontvouwing van de Encycliek voert, de aandacht te vestigen op de betekenis van wat Jezus gezegd en gedaan heeft en zo, uiteindelijk, op wie Jezus voor ons geweest is en nog steeds is. De Brieven van Paulus en het Evangelie van Johannes, waarnaar in de Paus Franciscus - Encycliek
Lumen Fidei
Licht van het geloof
(29 juni 2013)
bijzonder wordt verwezen, zijn immers gebouwd op de solide basis van het Messiaanse optreden van Jezus van Nazareth dat zijn beslissende hoogtepunt bereikte in het Pasen van dood en verrijzenis.

Het is dus noodzakelijk zich met Jezus te confronteren, ik zou zeggen, in de concreetheid en rauwheid van zijn wederwaardigheden, zoals die ons vooral worden verteld door het oudste Evangelie, dat van Marcus. Men constateert dan, dat het “schandaal” dat de woorden en de praktijken van Jezus om Hem heen veroorzaken, voortkomt uit zijn buitengewone “gezag”. Dit is een woord dat reeds bij Marcus voorkomt, maar dat niet gemakkelijk in het Italiaans te vertalen is. Het Griekse woord is exousia, dat letterlijk verwijst naar dat wat “voortkomt uit het wezen” dat men is. Het gaat dus niet om iets uitwendigs of gemaakts, maar om iets wat van binnenuit komt en vanzelf imponeert. Jezus treft, ontstelt en vernieuwt vanuit – Hij zegt het Zelf – zijn relatie met God, die Hij vertrouwelijk Abba noemt, die Hem dit “gezag” verleent om het ten gunste van de mensen te gebruiken.

Zo predikt Jezus “als iemand die gezag bezit”, geneest Hij, roept Hij de leerlingen op Hem te volgen, schenkt Hij vergiffenis… allemaal zaken die in het Oude Testament aan God toekomen en alleen aan God. De vraag die in het Evangelie van Marcus herhaaldelijk terugkomt: “Wie is deze, dat...?”, en die betrekking heeft op de identiteit van Jezus, komt voort uit de constatering van een gezag dat anders is dan dat van de wereld, een gezag dat niet de bedoeling heeft macht uit te oefenen op anderen, maar hen te dienen, hun vrijheid en volheid van leven te geven. En dit tot en met het op het spel zetten van zijn eigen leven, tot en met het ervaren van onbegrip, verraad, verwerping, tot en met ter dood veroordeeld te worden, tot en met het neerstorten in een staat van verlatenheid op het kruis.

Maar Jezus blijft trouw aan God, tot het einde.

En het is precies dan – zoals de Romeinse honderdman aan de voet van het kruis uitroept, in het Evangelie van Marcus – dat Jezus zich paradoxaal de Zoon van God toont! Zoon van een God die liefde is en die met heel zijn wezen wil dat de mens, elke mens, zichzelf ontdekt en ook leeft als zijn werkelijke kind. Voor het christelijk geloof wordt dit alles verzekert door het feit dat Jezus verrezen is: niet om te triomferen over wie Hem verworpen heeft, maar om te tonen dat de liefde van God sterker is dan de dood, dat de vergiffenis van God sterker is dan elke zonde, en dat het de moeite waard is het eigen leven tot aan het einde te geven, om van deze immense gave te getuigen.

Het christelijk geloof gelooft het volgende: dat Jezus de Zoon van God is die gekomen is om zijn leven te geven om voor allen de weg van de liefde open te stellen. U heeft daarom gelijk, waarde Dr. Scalfari, wanneer u in de menswording van Gods Zoon de spil ziet van het christelijk geloof. Tertullianus schreef reeds caro cardo salutis, “het vlees (van Christus) is de spil van het heil”. Immers, de menswording, het feit dat Gods Zoon ons vlees heeft aangenomen en onze vreugde en smart, de overwinningen en nederlagen van ons bestaan heeft gedeeld, tot en met de kreet op het kruis en dat alles belevend met liefde voor en trouw aan de Abba, getuigt van de ongelooflijke liefde die God voor elk mens heeft en van de onschatbare waarde die Hij aan de mens toekent.

Daarom wordt ieder van ons geroepen zich Jezus’ blik en keuze voor de liefde eigen te maken, in te treden in zijn manier van zijn, van denken en van handelen. Dit is het geloof met al haar uitingen die nauwkeurig beschreven zijn in de Paus Franciscus - Encycliek
Lumen Fidei
Licht van het geloof
(29 juni 2013)
.

In het hoofdartikel van 7 juli vraagt u mij ook hoe men de oorspronkelijkheid van het christelijk geloof, waarvan de menswording van Gods Zoon precies de spil is, moet verstaan in vergelijking met andere geloven die juist hun zwaartepunt vinden in de absolute transcendentie van God.

De oorspronkelijkheid, zou ik zeggen, bestaat precies in het feit dat het geloof ons, in Jezus, doet deelhebben aan de verhouding die Hij heeft met God die Abba is, en, in dit licht, aan de verhouding die Hij, in het teken van de liefde, heeft met alle andere mensen, inclusief de vijanden. Met andere woorden, het kindschap van Jezus, zoals het christelijk geloof het presenteert, is niet geopenbaard om een onoverbrugbare scheiding aan te geven tussen Jezus en alle anderen, maar om ons te zeggen dat wij allen, in Hem, geroepen zijn om kinderen van de enige Vader en broeders van elkaar te zijn.

De uitzonderlijkheid van Jezus is er voor de communicatie, niet voor de uitsluiting. Zeker, hieruit volgt ook – en dat is geen kleinigheid – het onderscheid tussen het terrein van de religie en het terrein van de politiek dat vastgelegd is in de zegswijze “geef aan God wat van God is en geef aan de keizer wat van de keizer is”, dat Jezus duidelijk bevestigd heeft en waarop met moeite heel de geschiedenis van het Westen gebouwd is. De Kerk is immers geroepen het zuurdeeg en het zout van het Evangelie uit te strooien – en dus de liefde en barmhartigheid van God die alle mensen bereiken – en te wijzen op het bovenaardse en uiteindelijke doel van onze lotsbestemming. De politieke en burgerlijke samenleving daarentegen hebben de moeilijke taak in de gerechtigheid en de solidariteit, in de wet en de vrede een steeds menselijker leven uit te tekenen en vorm te geven.

Voor wie het christelijk geloof beleeft, betekent dit geen vlucht uit de wereld of het najagen van welke alleenheerschappij dan ook, maar dienst aan de mens, aan heel de mens en aan alle mensen vanaf de randgebieden van de geschiedenis, daarbij de bedoeling van de hoop wakker houdend die ertoe aanzet om ondanks alles het goede te doen en altijd met het oog op wat hierboven is.

Aan het einde van uw eerste artikel stelt u mij ook de vraag wat aan de Joodse broeders te antwoorden in verband met de door God aan hen gedane belofte: is ze totaal loos geworden? Dit is – geloof me – een kwestie die ons als christenen ten diepste bevraagt, omdat we met Gods hulp, vooral vanaf het Tweede Vaticaans Concilie, opnieuw hebben ontdekt dat het Joodse volk voor ons nog altijd de heilige wortel is waaruit Jezus ontsproten is. Ook ik heb vanuit de vriendschap die ik gedurende al die jaren met de Joodse broeders in Argentinië gecultiveerd heb, dikwijls God bevraagd, in het bijzonder wanneer de geest zich de verschrikkelijke ervaring van de Shoah in het geheugen bracht. Wat ik u kan zeggen, samen met de apostel Paulus, is dat Gods trouw aan zijn nauwe bondgenootschap met Israël nooit minder is geworden en dat de Joden, dwars door de verschrikkelijke beproevingen van deze eeuwen heen, hun geloof in God bewaard hebben. Hier zullen we hun nooit dankbaar genoeg voor kunnen zijn, als Kerk maar ook als mensheid. Juist door hun volharding in het geloof aan de God van het verbond, herinneren zij allen, ook ons Christenen, eraan, dat we, als pelgrims, altijd in verwachting zijn van de terugkomst van de Heer en dat we dus altijd open moeten staan voor Hem en we ons nooit mogen verschansen in wat we reeds bereikt hebben.
Zo kom ik bij de drie vragen die u mij stelt in het artikel van 7 augustus. Ik heb de indruk dat wat u in de eerste twee vragen op het hart ligt, het begrijpen is van de houding van de Kerk ten aanzien van wie het geloof in Jezus niet deelt. Eerst en vooral vraagt U mij of de God van de christenen vergiffenis schenkt aan wie niet gelooft en het geloof niet zoekt. Vooropgesteld dat – en dit is het fundamentele gegeven – de barmhartigheid van God geen grenzen kent als men zich met een oprecht en rouwmoedig hart tot Hem wendt, is het voor wie niet in God geloof een kwestie van gehoorzamen aan het eigen geweten. Er is sprake van zonde, ook voor wie het geloof niet heeft, wanneer men ingaat tegen het geweten. Naar het geweten luisteren en eraan gehoorzamen betekent, feitelijk, een beslissing nemen tegenover dat wat als goed of als kwaad wordt gezien. En van deze beslissing hangt de goedheid of de slechtheid van ons handelen af.
Op de tweede plaats vraagt u mij of de opvatting dat er niets absoluuts bestaat en er dus ook geen absolute waarheid is maar slechts een reeks relatieve en subjectieve waarheden, een dwaling dan wel een zonde is. Om te beginnen zou ik, zelfs voor wie gelooft, niet spreken over “absolute” waarheid, in de zin dat absoluut betekent iets dat losstaand is, elke vorm van relatie mist. Welnu, volgens het christelijk geloof is de waarheid Gods liefde voor ons in Jezus Christus. De waarheid is dus een relatie! Dit is dusdanig waar dat ook ieder van ons de waarheid begrijpt en uitdrukt door van zichzelf uit te gaan, van zijn geschiedenis en cultuur, van de situatie waarin men leeft, enz. Dit betekent niet dat de waarheid veranderlijk en subjectief is, integendeel. Het betekent wel dat de waarheid zich altijd aan ons geeft als een weg en een leven. Heeft Jezus soms niet Zelf gezegd: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”? Met andere woorden, omdat de waarheid tenslotte geheel één is met de liefde, vereist zij de nederigheid en openheid om gezocht, aanvaard en uitgedrukt te worden.
Men moet elkaar dus goed begrijpen in de termen en misschien, om uit de knelpunten van een – absolute – tegenstelling te komen, de vraag van de grond af opnieuw formuleren. Ik denk dat dit vandaag absoluut noodzakelijk is voor het aangaan van de serene en constructieve dialoog waarvan ik in het begin van deze woorden zei dat ik erop hoop. In uw laatste vraag vraagt u mij of met het verdwijnen van de mens op aarde ook de gedachte die in staat is God te denken, zal verdwijnen. Zeker, de grootheid van de mens bestaat in zijn vermogen God te denken. En dat wil zeggen, in het vermogen een bewuste en verantwoordelijke relatie met Hem te beleven. Maar de relatie bestaat tussen twee werkelijkheden. God – dat is mijn opvatting en mijn ervaring, en hoevelen, in het verleden en heden, delen haar! – is geen idee, hoe verheven ook, vrucht van het denken van de mens. God is realiteit met hoofdletter “R”. Jezus openbaart Hem ons – en beleeft de relatie met Hem – als een Vader van oneindige goedheid en barmhartigheid. God hangt dus niet af van onze gedachte. Overigens, ook wanneer het leven van de mens op aarde tot een einde zou komen – voor het christelijk geloof is de wereld zoals we die kennen hoe dan ook gedoemd te verdwijnen –, zal de mens niet ophouden te bestaan en, op een wijze die wij niet kennen, het met hem geschapen universum ook niet. De Schrift spreekt over “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde” en bevestigt dat aan het einde, in het waar en wanneer dat ons te boven gaat maar waarnaar wij in geloof met verlangen en verwachting uitzien, God “alles in allen” zal zijn.
Waarde Dr. Scalfari, zo besluit ik mijn reflecties, die opgeroepen zijn door wat u mij heeft willen overbrengen en vragen. Aanvaard ze als een tastend en voorlopig, maar oprecht en overtuigd antwoord op de uitnodiging die ik erin zag om samen een eind weegs te gaan. Geloof me, de Kerk heeft ondanks alle traagheden, ontrouw, fouten en zonden die ze kan hebben begaan en nog kan begaan in hen die haar samenstellen, geen andere betekenis en doel dan te leven en getuigen van Jezus: Hij werd door de Abba gezonden “om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer” (Lc. 4, 18-19).

In broederlijke nabijheid.

Franciscus

Document

Naam: DE WAARHEID IS EEN RELATIE
Aan Eugenio Scalfari, oud-hoofdredacteur van ‘La Repubblica
Soort: Paus Franciscus - Brief
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 11 september 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / kerknet.be
Fragmenten in het Nederlands - vert.: Marcel De Pauw msc/Redactie
Bewerkt: 29 november 2013

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen dossiers gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam